|
Uitspraak
97/6996
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke
Belangen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij op bezwaar genomen besluit van 1 november 1996 heeft gedaagde
appellants bezwaar tegen het besluit van 6 mei 1996, waarin appellant is
medegedeeld dat C, D en E verplicht verzekerd zijn voor de
werknemersverzekeringen, ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 23
juni 1997 het tegen het besluit van 1 november 1996 ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. Y.B. Kuiper, advocaat te Leeuwarden, op bij beroepschrift de dato 1 augustus 1997 aangevoerde
gronden tegen die uitspraak bij de Raad hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft op 29 januari 1998 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 november
1998, waar zijn verschenen appellant in persoon, vergezeld van zijn
gemachtigde mr. Kuiper, voornoemd. Gedaagde heeft zich doen
vertegenwoordigen door mr. F. Gerritsma, werkzaam bij Cadans
Uitvoeringsinstelling B.V. te Zeist.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 9 februari 1994 heeft gedaagde Verkeersschool A B.V.
medegedeeld dat ten aanzien van de door C, D en E verrichte
werkzaamheden als rij-instructeur over de jaren 1989 tot en met 1992
verzekeringsplicht is aangenomen op grond van het bepaalde in artikel 3
van de de Ziektewet (hierna: ZW), de Werkloosheidswet (hierna: WW), de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) en subsidiair
op grond van artikel 5 van die wetten.
De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 30
november 1995 het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit
van 9 februari 1994 vernietigd wegens een onjuiste tenaamstelling.
Voorts heeft de rechtbank bij die uitspraak ten overvloede geoordeeld
dat uit de beschikbare feiten onvoldoende is gebleken dat er sprake is
van een gezagsverhouding tussen appellant en de rij-instructeurs, maar
dat de rij-instructeurs wel voldoen aan de criteria gesteld in artikel 5 van het
koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655, waarmee de
aanwezigheid van een verplichte verzekering is gegeven.
Bij het thans bestreden besluit van 1 november 1996 heeft gedaagde
wederom verzekeringsplicht aangenomen, primair op grond van artikel 3 en
subsidiair op grond van artikel 5 van voornoemde wetten. De rechtbank
heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, daarbij verwijzend
naar zijn uitspraak van 30 november 1995.
In dit geding worden partijen verdeeld gehouden door het antwoord op de
vraag of gedaagde terecht en op goede gronden ten laste van appellant
verzekeringsplicht heeft aangenomen ter zake van de werkzaamheden die de
betrokken rij-instructeurs in de periode vanaf 1 januari 1989 tot en met
31 december 1992 verrichtten. Voorts is in geschil of de verschuldigde
premie voor de jaren 1989 en 1990 tijdig is vastgesteld.
De Raad overweegt het volgende:
Appellant had met ieder van de rij-instructeurs een zogenoemde
franchiseovereenkomst gesloten. Gedaagde heeft het bestreden besluit
primair gegrond op artikel 3 van de WW, de ZW, de WAO en de Zfw en heeft
daarbij in aanmerking genomen dat uit de franchiseovereenkomsten het
volgende is gebleken.
Er is sprake van de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting,
aangezien voor de vervanging van de rij-instructeur personen met
specifieke kwaliteiten nodig zijn. De rij-instructeurs zijn verplicht
instructies op te volgen betreffende het maken van reclame en de wijze
van presentatie alsmede het feit dat de rij-instructeur verplicht is
aspirant leerlingen aan te melden bij de rijschool. Weliswaar bepaalt de
rij-instructeur op welke tijden hij beschikbaar is om autorijlessen te
verzorgen voor leerlingen die hem door de rijschool ter beschikking
worden gesteld, maar die vrijheid wordt beperkt doordat de
rij-instructeur de rijschool moet opgeven op welke tijden hij lesgeeft
onder opgave van de dagen en de uren waarop de rij-instructeur rijlessen
geeft aan leerlingen die zich rechtstreeks bij hem hebben aangemeld.
Tevens dient de instructeur zich te houden aan het door de rijschool
vastgestelde lesgeld, zowel voor wat betreft de leerlingen die hij via
de rijschool heeft gekregen, alsmede voor de leerlingen die zich
rechtstreeks bij de instructeur hebben aangemeld. Bij het niet nakomen
van de hiervoor genoemde verplichtingen uit de overeenkomsten kan op
grond van dezelfde overeenkomst een boete worden gevorderd dan wel de
overeenkomst worden beëindigd. Er is sprake van loon, aangezien de
lesgelden, verminderd met de kosten, worden uitbetaald aan de
rij-instructeurs. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad, onder
meer de uitspraak van 6 april 1994, gepubliceerd in RSV 1994/258, vormt
het feit dat (een deel van) de lesgelden rechtstreeks door de
leerlingen worden betaald aan de rij-instructeurs, geen belemmering om
het bestaan van een loonbetalingsverplichting aan te nemen.
De Raad is van oordeel dat vorenvermelde feiten en omstandigheden
voldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat tussen appellant
en de betrokken rij-instructeurs een privaatrechtelijke dienstbetrekking
heeft bestaan. Hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot
een andere conclusie kunnen brengen.
Wat betreft appellants grief dat door de verkeerde tenaamstelling van de
premienota's gedaagde niet zou hebben voldaan aan het bepaalde in
artikel 13 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en derhalve de
premies niet tijdig heeft vastgesteld, is de Raad, evenals de rechtbank
en op de door de rechtbank gebezigde gronden, van oordeel dat de
premienota's door de onjuiste tenaamstelling niet het premievaststellend
moment hebben verloren. Uit de gedingstukken is immers naar voren
gekomen dat appellant de nota's heeft gezien en dat het voor hem
duidelijk was dat hij de premies verschuldigd was.
Op grond van het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak te
worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Mitsdien dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H.
Vogt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 1998.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|