|
Uitspraak
97/5732
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
X Deur B.V., gevestigd te Y, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, te Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
In het bestreden besluit van 29 november 1995 heeft gedaagde, naar
aanleiding van bezwaren van appellante terzake van aan haar opgelegde
correctienota's over de premiejaren 1989 tot en met 1992, zijn hieraan
ten grondslag liggende uitgangspunten heroverwogen. Gedaagde heeft
daarbij onder meer beslist dat het voordeel dat werknemers van
appellante uit een aandelentransactie behaalden, behoorde tot hun in
1991 genoten loon in de zin van de artikelen 4 en 5 van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (hierna: CSV).
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 1 mei 1997
het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen bij de Raad. In
een aanvullend beroepschrift van 29 augustus 1997 zijn de gronden, waarop het hoger beroep berust,
uiteengezet.
Onder dagtekening 4 december 1997 heeft gedaagde een verweerschrift
ingediend.
Namens appellante is hierop bij brief van 7 april 1998 gereageerd.
Dit heeft vervolgens geleid tot een commentaar van gedaagde als
neergelegd in de brief van 24 augustus 1998.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 maart
1999, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.
Eenhoorn, bijgestaan door mr. M.N. Zimmerman, belastingadviseurs te Den
Haag. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen
door mr. M.A.J. Berkers, werkzaam bij GAK Nederland B.V.
II. MOTIVERING
In dit geding worden partijen verdeeld gehouden door het antwoord op de
vraag in welk jaar het voordeel dat werknemers van appellante behaalden
bij een transactie in aandelen in Z, tot het loon heeft behoord; in 1990
dan wel in 1991.
De Raad overweegt omtrent de voor de beoordeling van het geschil
relevante feiten het volgende.
De aandelen van appellante zijn volledig in handen van Z, een ter beurze
genoteerde vennootschap gevestigd in Q (hierna: Z).
Z heeft op 7 september 1990 besloten om haar werknemers en die van haar
(klein)dochtermaatschappijen, waaronder appellante, die tenminste een
jaar in dienst zijn, in de gelegenheid te stellen om ieder maximaal 5
toonderaandelen B in Z te kopen voor de prijs van (omgerekend) f 31,--
per aandeel. De aandelen gaven recht op dividend en stemrecht.
Drieënveertig werknemers van appellante hebben daarop ingeschreven in
september 1990. Appellante heeft op hun (netto)loon over de maand
oktober 1991 f 155,-- ingehouden als betaling voor hun deelname. De
aandelen zijn vanaf 8 oktober 1990 ten name van de werknemers in depot
gehouden door Den Danske Bank in Kopenhagen; zij hadden toen een
beurswaarde van ongeveer f 420,-- per stuk.
Bij brief van appellante van 13 december 1990 heeft zij de werknemers
voor de keus gesteld de verworven aandelen te verkopen aan Z dan wel te
behouden. Geen van de betrokken werknemers heeft voor de laatste
mogelijkheid gekozen. De aandelen zijn op 27 maart 1991 door tussenkomst
van appellante verkocht tegen een prijs van f 2.583,24 per 5 aandelen.
Volgens gedaagde bestaat het voordeel voor de werknemers uit het
verschil tussen de aan- en verkoopprijs van de aandelen. Gedaagde
kwalificeerde dat voordeel als in 1991 genoten loon. Appellante heeft
doen betogen dat de werknemers in 1990 loon hebben genoten ter grootte
van het verschil tussen de aankoopprijs en de beurswaarde op 8 oktober 1990. De rechtbank heeft overwogen dat het bij die transactie
slechts ging om het aanbieden respectievelijk verkrijgen van een
financieel voordeel op een moment waarop de aandelen daadwerkelijk te
gelde konden worden gemaakt en dat bij de bepaling van de omvang van het
voordeel de aandelen als rekeneenheid hebben gefungeerd en heeft het
beroep ongegrond verklaard.
Naar het oordeel van de Raad hebben de werknemers van appellante de
aandelen verworven in oktober 1990. Toen werden de aandelen op hun naam
in bewaring gegeven bij een bank. Aangenomen moet worden dat zij op dat
moment de beschikkingsmacht over de aandelen verkregen en dat zij de
aandelen daarna konden verkopen dan wel behouden en vanaf dat moment ook
gerechtigd waren om als aandeelhouder stemrecht uit te oefenen en
dividend te ontvangen. Gedaagde heeft zijn stelling in het
verweerschrift dat de werknemers in 1990 niet de vrije beschikking
hadden over hun aandelen niet, althans onvoldoende, gestaafd. De
werknemers van appellante genoten dan ook in oktober 1990 een voordeel
in de zin van artikel 5 van de CSV dat gelegen was in de lage prijs die
zij betaalden voor de aandelen. Dat voordeel behoorde tot hun loon over
1990. Nadat de aandelen eigendom van de werknemers waren geworden,
hebben de aandelen de loonsfeer verlaten en zijn ze tot het vermogen van
de werknemers gaan behoren. De in 1991 bij de verkoop van de aandelen
behaalde winst raakte hun loon niet.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit
kunnen, gelet op vorenstaande overwegingen van de Raad, niet in stand
blijven.
De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad veroordeelt
gedaagde in de proceskosten van appellante terzake van zowel de
procedure in eerste aanleg, begroot op f 1.420,-- als van de procedure
in hoger beroep, eveneens begroot op f 1.420,--.
Tevens dient gedaagde het door appellante in eerste aanleg en hoger
beroep gestorte griffierecht te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep van appellante alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante gestorte griffierecht ad f
1.030,-- in totaal vergoedt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, begroot op f
2.840,--.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. H.C. Cusell
en mr. C.W.M. van Ballegooijen als leden, in tegenwoordigheid van P.S.
van Gelein Vitringa als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6
mei 1999.
(get.) R.C.Schoemaker.
(get.) P.S.
van Gelein Vitringa.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|