|
Uitspraak
97/6026
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
X B.V., gevestigd te Y, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Krachtens de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische
Industrie. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Onder dagtekening 20 september 1995 heeft gedaagde appellante in kennis
gesteld van zijn op bezwaar gegeven besluit, inhoudende dat
verzekeringsplicht op grond van de sociale werknemersverzekeringswetten
aanwezig wordt geacht ten aanzien van A (hierna: A).
De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 3 juni
1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. J.D. Schouten, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs te Apeldoorn, van die uitspraak in
hoger beroep gekomen op de in het beroepschrift aangevoerde gronden.
Vanwege gedaagde is onder dagtekening 21 november 1997 een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 mei
1999, waar namens appellante zijn verschenen mr. Schouten, voornoemd, alsmede A, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. M.T.M. van der Veer, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Omtrent de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden
overweegt de Raad het volgende.
A is directeur en enig aandeelhouder van Z B.V.
Op 1 december 1993 hebben Z B.V. i.o. en ir B, de voormalig
directeur/grootaandeelhouder van appellante (hierna: B), in het kader van een intentieverklaring een overeenkomst
gesloten, welke tot gevolg heeft gehad dat Z B.V. eigenaresse is
geworden van 25,5% van de aandelen van appellante. Voorts is Z B.V. de
verplichting aangegaan om uiterlijk 31 december 1996 nogmaals 25,5% van
het aandelenpakket van appellante te kopen. Die koop is gerealiseerd op
27 december 1995.
Z B.V. heeft met appellante een managementovereenkomst gesloten,
inhoudende dat genoemde besloten vennootschap per 1 juli 1994 tegen
betaling van een jaarlijks bedrag de directie van appellante zou voeren
op basis van de daarvoor geldende statutaire bevoegdheden en
verantwoordelijkheden.
Voornoemde wijze van verwerving van aandelen door Z B.V. hield verband
met de omstandigheid dat A het uit financiële overwegingen niet
wenselijk achtte reeds aanstonds de koopsom te fourneren voor het
verwerven van een aandelenpakket van 51%.
In het in dit geding aan de orde zijnde tijdvak, dat loopt van 1 juli
1994 tot 27 december 1995, was - zoals vermeld - Z B.V. eigenaresse van
25,5% van de aandelen van appellante, was 49% van die aandelen in het
bezit van 3 participatiemaatschappijen en bezat B - middellijk - 25,5% van
de aandelen. B had in verband met de aankoop van de aandelen aan Z B.V.
een geldlening verstrekt, in verband waarmede de aandelen van Z B.V. ter
zekerheid aan B waren verpand, zij het zonder het daarbij behorende
stemrecht.
De rechtbank heeft de vraag of er in de periode hier in geding sprake
was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen A en appellante
in bevestigende zin beantwoord en daartoe in overweging genomen:
- dat moet worden heen gekeken door de omstandigheid dat eerdergenoemde
managementovereenkomst is gesloten met Z B.V., aangezien A enig
aandeelhouder was van die besloten vennootschap en daar, als directeur,
als enige persoon werkzaam was, terwijl A voorts de
managementwerkzaamheden steeds zelf heeft verricht;
- dat in verband met die omstandigheden sprake was van een verplichting
voor A om genoemde werkzaamheden persoonlijk te verrichten;
- dat A in verband met zijn aandelenbezit in de algemene
aandeelhoudersvergadering kon worden overstemd en derhalve door die
vergadering tegen zijn wil zou kunnen worden ontslagen;
- dat de omstandigheid dat A de mogelijkheid had om een
meerderheidsbelang in appellante te verwerven, niet kan leiden tot de
conclusie dat hij geacht zou moeten worden te verkeren in een positie
welke een dergelijk belang met zich brengt;
- dat ook de omstandigheid dat A als directeur een overwegende invloed
had op het bedrijfsbeleid, niet kan leiden tot de slotsom dat er geen
sprake was van gezag;
- dat hetgeen met betrekking tot de vergoeding voor de
managementwerkzaamheden is overeengekomen, moet worden opgevat als een
verplichting voor appellante tot betaling van loon aan A.
Van de zijde van appellante is onder meer het volgende naar voren
gebracht.
Ten onrechte hebben gedaagde en de rechtbank een louter formeel op de
stemverhoudingen in de algemene aandeelhoudersvergadering gebaseerd
getalscriterium in aanmerking genomen.
Partijen hebben nimmer bedoeld dat er tussen A en appellante een
privaatrechtelijke dienstbetrekking tot stand zou komen.
Uit eerdervermelde intentieverklaring komt duidelijk naar voren dat het
de bedoeling was om A een beslissende stem te geven. Immers, A was
bevoegd (en ook verplicht) een zodanig aandelenpakket te verwerven, dat
hij een meerderheidspositie zou innemen.
Voorts moet in aanmerking worden genomen dat A de gang van zaken binnen
de onderneming volledig zelf bepaalde.
Met betrekking tot het voorafgaande overweegt de Raad in de eerste
plaats dat de omstandigheid dat er sprake is van een
managementovereenkomst die is gesloten tussen besloten vennootschappen,
niet in de weg staat aan het aanwezig achten van een
arbeidsovereenkomst, indien de feiten en omstandigheden van het
desbetreffende geval duidelijk wijzen op het bestaan van een dergelijke
overeenkomst.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het op grond van de
zich in dit geval voordoende feiten en omstandigheden voldoende
aannemelijk is te achten dat voor A de verplichting gold de in voormelde
managementovereenkomst omschreven werkzaamheden persoonlijk voor
appellante te verrichten.
Voorts is de Raad van oordeel dat er sprake was van een gezagsverhouding
tussen A en appellante. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Indien - zoals in het onderhavige geval - een directeur/aandeelhouder van
een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de
eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de algemene
aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende invloed heeft op de
benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van
directeuren, moet in beginsel worden aangenomen dat hij werkzaam is in
een gezagsrelatie tot de besloten vennootschap.
Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere
feiten of omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet
aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten
aanzien van een directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende stem
heeft in de algemene aandeelhoudersvergadering, is de Raad van oordeel
dat er in het onderhavige geval onvoldoende materiële aanwijzingen
bestaan voor het aanwezig achten van een zodanige uitzonderingssituatie.
In dit verband overweegt de Raad in de eerste plaats, dat de afspraken
en betrekkingen tussen de verschillende belanghebbenden, zoals deze
hiervoor zijn weergegeven en namens appellante zijn toegelicht, niet
behoefden uit te sluiten dat in een situatie waarin de onderscheidene
belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken
te zijn dan in de door belanghebbenden beoogde of verwachte situatie, A
zou worden geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening van de
zijde van de algemene aandeelhoudersvergadering.
In het kader van de beantwoording van de vraag of er sprake was van
gezag, kan geen beslissende betekenis worden gehecht aan de
omstandigheid dat A de bevoegdheid bezat (en tevens verplicht was zulks voor een bepaalde datum
te doen) om zijn aandelenpakket zodanig uit te breiden, dat hij een
meerderheidsbelang in appellante zou bezitten. Naar 's Raads oordeel
kan, nog daargelaten dat het bestaan van een dergelijke mogelijkheid
voor de stemverhouding in de algemene aandeelhoudersvergadering geen
betekenis heeft, in verband met hetgeen is gebleken omtrent
eerdergenoemde - middellijke - verwerving van aandelen door A, niet worden
staande gehouden dat de uitoefening van voornoemde bevoegdheid in de
periode hier in geding niet zonder meer mogelijk zou zijn geweest.
Evenmin kan, zoals van de zijde van appellante is betoogd, worden
staande gehouden dat de positie van bovenvermelde
participatiemaatschappijen niet van betekenis is, daar mag worden
aangenomen dat deze aandeelhouders zullen waken over het rendement van
hun investeringen.
Aan het bestaan van een gezagsverhouding wordt ten slotte niet afgedaan
door de omstandigheid dat A een grote mate van zelfstandigheid bezat,
aangezien dat inherent is te achten aan zijn positie van - statutair -
directeur.
Aangezien de Raad ook overigens geen grond heeft kunnen vinden om het
bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en
A in twijfel te trekken, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking.
Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, als voorzitter en door mr. R.C.
Schoemaker en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H.
Vogt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 1999.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|