|
Uitspraak
97/6443
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
Medisch Centrum voor X B.V., gevestigd te Y, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en
Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens
verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit d.d. 20 februari 1996 heeft gedaagde, beslissende op
appellantes bezwaren tegen zijn besluit van 1 december 1994, waarin
gedaagde verzekeringsplicht ingevolge sociale
werknemersverzekeringswetten voor de jaren 1990 tot en met 1992
heeft aangenomen voor een aantal voor appellante werkzame chirurgen en
anesthesisten, laatst vermeld besluit gehandhaafd.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 29
mei 1997 het namens appellante tegen het besluit van 20 februari 1996
ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. M.J. Hamer, advocaat te 's-Gravenhage, van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. In
een aanvullend beroepschrift d.d. 28 november 1997 - met bijlagen - heeft zij de gronden voor het hoger
beroep uiteengezet.
Gedaagde heeft op 9 januari 1998 een verweerschrift ingediend, waarin
het in het besluit op bezwaar ingenomen standpunt in die zin wordt
genuanceerd dat weliswaar over de jaren 1990 tot en met 1992
verzekeringsplicht wordt aangenomen, doch dat de premieheffing pas zal
ingaande per april 1995.
Desgevraagd heeft appellantes gemachtigde bij brief d.d. 21 september
1998 de Raad bericht het ingestelde hoger beroep te handhaven.
Bij faxbericht d.d. 15 februari 1999 heeft appellantes gemachtigde nog
nadere stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 februari
1999, waar voor appellante zijn verschenen W.B. Ovaa, anesthesioloog te
's Gravenhage, alsmede mr. M.J. Hamer voornoemd. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen
vertegenwoordigen door mr. J.J. Bakker, werkzaam bij Cadans
Uitvoeringsorganisatie B.V.
II. MOTIVERING
Appellante exploiteert een centrum voor esthetische plastische
chirurgie. In het centrum zijn ongeveer vijftien artsen - chirurgen en
anesthesisten - werkzaam. De directie van het centrum wordt gevoerd door
twee directeuren/artsen, A en B, die in de in geding zijnde periode
ieder 50% van de aandelen van appellante bezaten.
Vanwege appellante wordt met de patiënten een behandelingsovereenkomst
gesloten, waarna de ingreep wordt verricht door één van de aan
appellante verbonden artsen. Van de zijde van appellante worden
ondersteunende voorzieningen geboden, onder meer in de vorm van het ter
beschikking stellen van de operatieruimte en van ondersteunend
personeel. Een en ander is sedert enkele jaren geregeld in een met de
artsen gesloten "Overeenkomst tot het verlenen van facilitaire
diensten".
De artsen worden per verrichting betaald. De patiënten betalen aan
appellante, die de financiële administratie voert, en - rekening houdend
met de door de artsen aan appellante te betalen vergoedingen voor de
geleverde diensten - de honoraria betaalt aan de artsen.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de artsen tot appellante in
privaatrechtelijke dienstbetrekking staan, zodat zij verzekerd zijn
ingevolge de ter zake geldende sociale werknemersverzekeringswetten.
Daartoe heeft gedaagde onder meer aangevoerd dat de door de artsen
verrichte werkzaamheden een wezenlijk onderdeel vormen van de commerciële
bedrijfsactiviteiten van appellante, zodat het in de rede ligt dat de
artsen door appellante op de kwaliteit van hun werkzaamheden kunnen
worden aangesproken.
Vanwege appellante is het bestaan van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking ontkend. Met name is weersproken dat er sprake is van
een gezagsverhouding tussen appellante en de artsen, aangezien
appellante de artsen niet kan aanspreken op (de kwaliteit van) hun
verrichtingen, en gesteld dat de mogelijkheid daartoe slechts aan de
patiënten toekomt. Ook is gesteld dat er geen verplichting bestaat tot
het persoonlijk verrichten van de werkzaamheden. Vervanging zou zonder
instemming van appellante, doch uiteraard wel met toestemming van de
betreffende patiënt, mogelijk zijn.
Oorspronkelijk was tevens in geding de vraag of algemene beginselen van
behoorlijk bestuur, met name het beginsel dat gewekte verwachtingen
gehonoreerd dienen te worden, aan premieheffing in de weg staan.
Gedaagde heeft inmiddels, in het in rubriek I genoemde verweerschrift,
deze grief van appellante gehonoreerd, en nader het standpunt ingenomen
dat pas vanaf 1 april 1995 premie zal worden geheven.
Hoewel de in het bestreden besluit aan de orde gestelde
verzekeringsplicht betrekking heeft op de jaren 1990 tot met 1992, over
welke jaren geen premie zal worden geheven, moet worden geoordeeld dat
appellante een belang heeft bij een oordeel van de Raad omtrent het
bestaan van verzekeringsplicht in eerderbedoelde zin, nu gedaagde heeft
aangekondigd vanaf 1 april 1995 wel premie te zullen heffen, en gesteld,
noch gebleken is dat de wijze van samenwerking tussen appellante en de
artsen inmiddels enige wezenlijke wijziging heeft ondergaan.
De Raad zal dan ook thans overgaan tot beoordeling van het materiële
geschilpunt.
De Raad kan gedaagdes benadering in zoverre onderschrijven dat de
juridische vorm waarin appellante haar bedrijfsvoering heeft gegoten, te
weten die van een besloten vennootschap, waarvan de aandelen gelijkelijk
zijn verdeeld over de beide directeuren A en B, terwijl de (overige)
voor appellante werkzame artsen geen aandelen bezitten en op tariefbasis
werkzaam zijn, op het eerste oog een verzekeringsplichtige
arbeidsverhouding niet onaannemelijk doet zijn.
Overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Raad dient bij de beoordeling
van een arbeidsverhouding op de aanwezigheid van verzekeringsplicht,
niet alleen te worden gelet op de juridische structuur, doch behoren
tevens de feitelijke omstandigheden waaronder de desbetreffende arbeid
wordt verricht, in aanmerking te worden genomen.
De Raad is van oordeel dat van de zijde van appellante in hoger beroep
genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat, gelet op de wijze van
samenwerking in het kader van appellantes onderneming niet gesproken kan
worden van een gezagsverhouding tussen appellante en de betrokken
artsen, en derhalve ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking
noch van verzekeringsplicht.
Van doorslaggevend belang heeft de Raad daarbij geacht de notulen van
stafvergaderingen, zoals die in hoger beroep door appellante zijn
overgelegd.
Aan de stafvergaderingen nemen in beginsel alle artsen deel, onder wie
ook de beide directeuren A en B, met dien verstande dat nieuw
aangetrokken artsen eerst een aantal maanden de status van waarnemer
hebben. De stafvergadering kiest uit haar midden een voorzitter en een
notulist, niet zijnde één van de directeuren. Een ieder kan
onderwerpen voor de agenda aandragen.
Uit de notulen blijkt dat niet slechts het medische beleid, doch het
gehele ondernemingsbeleid in de stafvergadering wordt bepaald. Zo
beslist de stafvergadering over het aantrekken en ontslag van personeel,
de aankoop en het groot onderhoud van panden, en de aankoop van duurzame
bedrijfsmiddelen, zoals medische apparatuur en computers. Tevens stelt
de stafvergadering de tarieven en de honoraria voor de verrichtingen
vast, alsmede de -voor alle stafleden van toepassing zijnde-
winstdelingsregeling.
Bovendien blijkt uit de notulen dat de beide directeuren A en B bij de
besluitvorming geenszins een overheersende positie innemen. Zo wordt in
de stafvergadering de hen toekomende managementvergoeding vastgesteld en
bepaalt de stafvergadering tot welk bedrag zij zonder toestemming van de
stafvergadering investeringen mogen doen.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de Raad van oordeel
dat er geen sprake is van een gezagsverhouding - en derhalve ook niet van
een privaatrechtelijke dienstbetrekking - tussen appellante en de
betrokken artsen. Veeleer dient de wijze van samenwerken te worden
beschouwd als een vorm van gezamenlijk ondernemerschap, waarbij
appellante de rol vervult van een facilitaire organisatie, die in feite
wordt aangestuurd door de artsen/de stafvergadering.
De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve niet
in stand blijven.
Hoewel appellante thans volledig in het gelijk wordt gesteld, ziet de
Raad aanleiding de proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht te beperken tot de proceskosten in
hoger beroep, zulks nu appellante de doorslaggevende argumentatie en de
daarop betrekking hebbende stukken pas in hoger beroep naar voren heeft
gebracht, ofschoon zij daartoe reeds in de bezwaarfase en in de
procedure in eerste aanleg in staat was. De Raad bepaalt de proceskosten
in hoger beroep op f 1.775,-- wegens verleende rechtskundige bijstand.
Wel dient gedaagde het door appellante in eerste aanleg en hoger beroep
gestorte griffierecht, ten bedrage van respectievelijk f 400,-- en f
630,--, te vergoeden.
De Raad beslist mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante gestorte griffierecht ad f
1.030,-- vergoedt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep,
begroot op f 1.775,--.
Aldus gegeven door mr. H.C. Cusell als voorzitter en mr. drs N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. L.J.A. Damen als leden, in
tegenwoordigheid van mr. G. Leppink-Kooistra als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 8 april 1999.
(get.) H.C. Cusell.
(get.) G. Leppink-Kooistra.
|
|