|
Uitspraak
97/4078
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
X B.V., gevestigd te Y, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
Sociale Verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellante is bij gemachtigden mr. S.M. Kloosterhof, belastingadviseur,
en mr. H.M.M. Prinsen, advocaat, beiden verbonden aan Arthur Andersen te
Amstelveen, op bij aanvullend beroepschrift van 30 juli 1997 aangegeven
gronden, in hoger beroep gekomen van een door de
Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 10 maart 1997
tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is onder dagtekening 8 oktober 1997 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is ter behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 maart
1999, waar voor appellante zijn verschenen mr. Kloosterhof en mr. Prinsen,
voornoemd, terwijl gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen door de Raad,
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A.J. Berkers, werkzaam bij
Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Appellante is een dochtervennootschap van de in de Verenigde Staten van
Amerika gevestigde moedervennootschap X Systems Corporation. Gedaagde
biedt haar werknemers de mogelijkheid om met korting aandelen in het
kapitaal van de moedervennootschap te verwerven door deelname in het
'Employee Stock Purchase Plan', een aandelenspaarplan, dat door de
moedermaatschappij voor groepsmaatschappijen in het leven is geroepen.
In het kader van dit aandelenspaarplan kunnen bepaalde werknemers van
appellante, desgewenst, door middel van een inhouding op hun loon een
bedrag van maximaal 10% van het brutomaandloon sparen. Van het
gespaarde bedrag worden aan het einde van de spaarperiode op de
Amerikaanse beurs (Nasdaq) genoteerde aandelen in de moedermaatschappij gekocht. De
aankoopprijs voor de deelnemers aan het aandelenspaarplan bedraagt 85%
van de slotkoers op de laatste handelsdag voorafgaand aan de laatste dag
van een spaarperiode (die een half jaar beloopt) of 85% van de slotkoers
op de laatste handelsdag voorafgaand aan de laatste dag van een
spaarperiode indien deze lager is.
Appellante heeft een in de Nederlandse taal gestelde notitie opgesteld
ten behoeve van haar werknemers, die informatie verschaft over het
aandelenspaarplan.
Werknemers van appellante die wensen deel te nemen aan het
aandelenspaarplan, dienen hiertoe een bepaald formulier in te vullen en
dat bij de salarisadministratie van appellante in te leveren. Vervolgens
gaat appellantes salarisadministratie over tot bovenvermelde
netto-inhoudingen. Tot uiterlijk de vijftiende dag van de laatste maand
van een spaarperiode kan een deelnemende werknemer besluiten van zijn
recht van aandelenkoop geen gebruik te maken, waarna het ingehouden
nettosalarisbedrag alsnog wordt uitbetaald (zonder rente). Deelnemers
die besluiten van hun aandelenkooprecht wel gebruik te maken, ontvangen
van appellante een overzicht met het aantal gekochte aandelen, de
aankoopkoers, alsmede het genoten voordeel.
Gedaagde heeft - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - onder
dagtekening 18 en 19 juli 1994 correctienota's opgelegd over de
premiebetalingstijdvakken 1990 tot en met 1993, op de grond dat de door
de werknemers van appellante genoten voordelen uit het aandelenspaarplan
moeten worden beschouwd als loon in de zin van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV).
Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde dit standpunt in het bestreden besluit
van 28 december 1994 gehandhaafd.
De rechtbank heeft appellantes beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep is uitsluitend in geschil of gedaagde de voordelen uit
het aandelenspaarplan terecht als loon in de zin van de CSV heeft
aangemerkt.
De Raad overweegt het volgende.
Primair is aan de orde de vraag of sprake is van loon uit
dienstbetrekking in de zin van artikel 4 van de CSV.
De Raad is van oordeel dat die vraag bevestigend beantwoord moet worden.
Het zijn uitsluitend bepaalde werknemers van appellante die kunnen
deelnemen aan het aandelenspaarplan. Hiermee is gegeven dat de
dienstbetrekking met appellante de werknemers de mogelijkheid biedt het
voordeel te genieten. Dit vormt evenwel op zichzelf nog onvoldoende
grond om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van loon in de
zin van artikel 4, eerste lid, van de CSV.
Uit bovenvermelde feiten blijkt echter bovendien duidelijk dat
appellante een zeer vergaande bemoeienis met de uitvoering van het
aandelenspaarplan heeft. Deze uitvoering berust in essentie bij
appellante voorzover het haar werknemers betreft. Een bemoeienis, die
pas een einde neemt als de aandelen in het bezit van de werknemers zijn
gekomen. Deze zeer vergaande bemoeienis laat naar het oordeel van de
Raad geen andere conclusie toe dan dat appellante de mogelijkheid van
deelname in het aandelenspaarplan van de moedermaatschappij in haar
arbeidsvoorwaarden heeft geïncorporeerd. De omstandigheid dat door
appellante geen aan het voordeel te relateren direct financieel offer
wordt gebracht om de werknemers het voordeel te laten genieten kan
daaraan niet afdoen, nog daargelaten dat appellante overigens wel een
ander offer brengt in die zin dat haar administratie met de uitvoering
van het aandelenspaarplan belast wordt.
De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat gedaagde de
onderhavige voordelen terecht tot het premieloon heeft gerekend.
Het voorgaande betekent dat appellantes hoger beroep niet kan slagen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr R.C.
Schoemaker en mr H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van mr L.H.
Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 1999.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|