|
Uitspraak
97/2219
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
B.V. X, gevestigd te Y, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen. In de uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellante is op bij beroepschrift d.d. 25 februari 1997 aangegeven
gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
Arrondissementsrechtbank te Almelo onder dagtekening 15 januari 1997
tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij brief van 10 september 1997 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 maart
1998, waar voor appellante is verschenen mr. A, directeur, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. M. Crum, werkzaam bij Gak Nederland B.V..
II. MOTIVERING
Appellante is opgericht op 12 maart 1980 en treedt vanaf 27 februari
1992 als besloten vennootschap naar buiten.
Vóór 1 juli 1992 waren als (statutair) directeur en aandeelhouders aan
de vennootschap verbonden mr. B, mr. C, mr. D en mr. A. Genoemde personen
waren ieder in het bezit van 500 aandelen. Op 15 januari 1990 is mr. E
(hierna: E) als advocaat en procureur in dienst getreden. In de algemene
vergadering van aandeelhouders van appellante van 29 juni 1992 is
besloten dat E per 1 juli 1992 als partner kan toetreden en is besloten
hem met ingang van die datum tot statutair directeur van appellante te
benoemen.
Uit een notariële acte van 17 februari 1993 blijkt dat op 29 juni 1992
tevens is besloten tot emissie van 250 aandelen en dat die aandelen op
17 februari 1993 zijn verkocht en geleverd aan E.
Per 1 september 1994 heeft E vervolgens van elk van de andere
aandeelhouders 50 aandelen overgenomen. Sedertdien beschikken alle
statutaire directeuren over een gelijk aantal van 450 aandelen.
In geschil is of E door gedaagde terecht als verplicht verzekerd is
aangemerkt over de periode 1 juli 1992 tot 1 september 1994.
De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord vanwege de tot
laatstgenoemd tijdstip bestaan hebbende ongelijke stemmenverhouding in
de algemene vergadering van aandeelhouders. De rechtbank heeft daartoe
in hoofdzaak overwogen dat de benoeming en eventueel ontslag van E
afhankelijk is van een besluit van de algemene vergadering van
aandeelhouders, waarin E een minderheidsbelang heeft, zodat er sprake is
van een gezagsverhouding.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aandeelhouders
onderling, ongeacht de omvang van hun aandelenbezit, feitelijk als
gelijkwaardige partijen functioneren. Het is volgens appellante de
directie die gezag uitoefent namens de vennootschap en binnen de
directie neemt E, ook statutair, een volstrekt gelijkwaardige positie
in.
Appellante heeft er voorts op gewezen dat aan E meteen in juni 1992 een
onherroepelijke optie was verleend op de aankoop van een gelijk aantal
aandelen. Alleen om redenen van financiering heeft E niet onmiddellijk
in juli 1992 een gelijk aantal aandelen verworven. Naar de mening van
appellante was aan de essentie van de derde FBV-richtlijn over de
verzekeringsplicht van directeuren-aandeelhouders voldaan.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad heeft in de afgelopen tijd een aantal uitspraken gedaan over het
al dan niet bestaan van dienstbetrekkingen in constellaties waarin
natuurlijke personen (al dan niet door tussenkomst van
houdstervennootschappen waarvan zij directeur/grootaandeelhouder zijn)
als directeur/aandeelhouder managementtaken vervullen binnen een met de
desbetreffende vennootschap verbonden onderneming.
De beantwoording van de vraag of er in dergelijke constellaties sprake
is van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking in de zin van artikel
3 van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (en de Ziekenfondswet) tussen de
vennootschap ten behoeve waarvan de werkzaamheden worden verricht -
zoals
in casu appellante - en de directeur/aandeelhouder, en in het bijzonder
de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, is afhankelijk van alle
relevante feiten en omstandigheden van het bijzondere geval.
Bij die beoordeling komt enerzijds betekenis toe aan de juridische
vormgeving van de rechtsverhouding, zoals deze naar voren komt uit de
statuten van de betrokken vennootschap(pen). Daarbij kan een belangrijke
indicatie vóór het bestaan van een gezagsverhouding vormen het feit
dat een bepaalde (rechts)persoon vanwege de eigendomsverhoudingen van de
aandelen een overheersende invloed kan uitoefenen, die onder meer tot
uitdrukking kan komen in de bevoegdheid om de (middellijk) betrokken
natuurlijke persoon te ontslaan dan wel anderszins van zijn taak te
ontheffen.
Anderzijds kan van belang blijken te zijn dat uit alle feiten en
omstandigheden overigens voldoende materiële indicaties naar voren
komen van het gezamenlijk drijven van een onderneming, ook in situaties
waarin niet alle betrokkenen volledig of nagenoeg volledig gelijk
participeren in het aandelenkapitaal.
De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval, waarin het gaat om
in beroepsmatige onafhankelijkheid werkende advocaten van een
advocatenkantoor, ondanks de (nog) ongelijke verdeling van aandelen,
sedert 17 februari 1993 van zodanige materiële indicaties sprake is. E
was statutair directeur en functioneerde als zodanig binnen de
directievergadering. In de directievergadering had hij een gelijke stem.
Net als voor de vier andere directeuren-aandeelhouders gold voor E dat
hij slechts wanneer drie van de vijf directeuren aandeelhouders vóór
zouden stemmen, geschorst en ontslagen kon worden. In zoverre was zijn
positie geen andere dan die van de andere directeuren/aandeelhouders. De
Raad ziet in de (voorshands) ongelijke winstverdeling niet het bestaan
van een gezagsverhouding. Ook overigens ziet de Raad geen materiële
indicaties voor het wel aannemen van een gezagsverhouding ten aanzien
van E en niet voor de andere directeuren/aandeelhouders.
De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat reeds vanaf 1 juli
1992 geen sprake meer was van een gezagsverhouding, aangezien E, vanwege
het toen nog feitelijk ontbreken van de hoedanigheid van aandeelhouder,
nog geen enkele stem had in de vergadering van aandeelhouders.
Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellante
gedeeltelijk slaagt en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden
besluit vernietigd dienen te worden, voorzover daarbij is uitgegaan van
het voortduren van de verplichte verzekering na 16 februari 1993.
Het vorenstaande betekent tevens dat gedaagde aan appellante het door
haar in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht dient te
vergoeden, ten bedrage van f 400,-- voor het geding in eerste aanleg en
f 600,-- voor het geding in hoger beroep.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als hierna is aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor zover
daarbij nog verplichte verzekering van E is aangenomen na 16 februari
1993;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het recht van f 1.000,-- in totaal vergoedt.
Aldus gegeven door mr. A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en mr.
G.P.A.M.
Garvelink-Jonkers en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van
mr. L.H. Vogt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 april
1998.
(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.
(get.) L.H. Vogt.
|
|