|
Uitspraak
97/1181
ALGEM, 97/1182 ALGEM, 97/1184 ALGEM en 97/1185 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
B.V. X, gevestigd te Y, A, B, C, allen wonende te Y, appellanten,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
Sociale Verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Namens appellanten is drs. A. Bremmer, werkzaam bij Accountantskantoor
Witteman B.V. te Bodegraven op bij aanvullend beroepschrift d.d. 22 mei
1997 aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 18 december 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Vanwege gedaagde is bij brief van 27 juni 1997 van verweer gediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
9 juli 1998, waar partijen zich hebben doen vertegenwoordigen door drs.
A. Bremmer, voornoemd, en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr. M.A.J. Berkers, werkzaam bij Gak Nederland
B.V.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak, waarin appellanten zijn
aangeduid als eisers en gedaagde als verweerder, de volgende gegevens
van feitelijke aard.
"Bij besluiten van 24 januari 1994 heeft verweerder A, B en C,
allen werkzaam als directeur van B.V. X (hierna: X), aangemerkt als
verplicht verzekerd ingevolge de Werkloosheidswet en de Ziekenfondswet.
Verweerder heeft daartoe overwogen primair dat eisers in
privaatrechtelijke dienstbetrekking staan tot X en subsidiair dat sprake
is van een arbeidsverhouding die als dienstbetrekking dient te worden
beschouwd. Tegen deze besluiten is bezwaar gemaakt door eisers bij
brieven van 6 maart 1995. Bij de bestreden besluiten zijn de ingediende
bezwaarschriften ongegrond verklaard. Daarbij heeft het bestuur tevens
besloten de verzekeringsplicht in te laten gaan op 1 februari 1995.
(...)
Verweerder is tot zijn besluiten gekomen naar aanleiding van een op 22
juni 1994 verrichte looncontrole bij X. Bij dat onderzoek is verweerder
gebleken dat de aandelen van X in handen zijn van T B.V. voor 16.67%,
van Q B.V. voor 16,67%, van Q B.V. voor 16,67% en van Z B.V. voor 50%.
De drie eerstgenoemde B.V.'s zijn persoonlijke beheersmaatschappijen van
onderscheidenlijk C, B en A.
De drie beheersmaatschappijen hebben ieder met X een
managementovereenkomst gesloten, ingevolge welke zij met ingang
van 1 januari 1991 ieder - tezamen met anderen - het volledige management
voeren over de ondernemingen van X. In de overeenkomsten is bepaald dat
de drie beheersmaatschappijen zich bij deze taak doen vertegenwoordigen
door hun directeur, zijnde onderscheidenlijk C, B en A.
Ingevolge de managementovereenkomsten ontvangen de
beheersmaatschappijen ieder maandelijks een managementfee, welke f
172.000 (excl. BTW) per jaar bedraagt voor het gedurende ten minste 47
weken uitoefenen van de managementtaak.
Blijkens de statuten van X zijn C, B en A bestuurders van X. Naast hen
is er één andere bestuurder, te weten D.
Op grond van vooral vorengenoemde gegevens heeft verweerder
geconcludeerd, dat werd voldaan aan de drie vereisten voor het bestaan
van een dienstbetrekking als bedoeld in onder meer artikel 3 van de
Werkloosheidswet, te weten: een verplichting tot persoonlijke
dienstverrichting, een verplichting tot loonbetaling en een
gezagsverhouding."
De rechtbank heeft het beroep van appellanten ongegrond verklaard.
Volgens de rechtbank is voldaan aan de vereisten voor het bestaan van
een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Er is sprake van een
verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting. Er is ook sprake van
een gezagsverhouding, omdat de gebroeders A,B en C via hun
beheersmaatschappijen vanaf 1 januari 1991 ieder slechts 16,67% van de
aandelen van X Nederland B.V. bezitten, zodat zij ieder afzonderlijk
geen overwegende invloed in de algemene vergadering van aandeelhouders
kunnen uitoefenen. De tussen de broers gesloten stemovereenkomst staat
aan het bestaan van een gezagsverhouding niet in de weg, omdat die
overeenkomst, bij gebrek aan overeenstemming in de voorvergadering,
voorziet in een toekenning van medestemrecht aan adviseurs, zodat er
voor de broers afzonderlijk geen garantie is dat de algemene vergadering
van aandeelhouders geen voor (een van) hen onwelgevallige besluiten zal
nemen. Daarbij heeft de rechtbank mede van belang geacht dat de vierde
aandeelhouder, Z, over 50% van de aandelen beschikte en als
grootwinkelbedrijf een afzetmarkt voor de producten van X kon bieden,
zodat het volgen van het standpunt van deze aandeelhouder voor de
resultaten van het bedrijf van belang kon zijn.
Appellanten hebben in hoger beroep doen aanvoeren dat zij, toen de helft
van de aandelen in handen kwam van Z, met het sluiten van de
stemovereenkomst een zeggenschapsstructuur hebben gecreëerd die er in
feite op neer kwam dat twee gelijkwaardige partijen elk voor de helft
participeerden in de B.V.. Volgens appellanten heeft Z zich nooit met de
dagelijkse leiding bemoeid en is er, toen in 1995 het aandelenbelang van
die participant werd teruggekocht, geen verandering opgetreden in de
samenwerking met Z. Volgens appellanten leek de onderlinge verhouding op
een commanditaire vennootschap, waarin Z de rol van geldschieter
vervulde en de broers de rol van beherende vennoten. Appellanten hebben
er voorts op gewezen dat het tegen zijn wil ontslagen kunnen worden zich
kan voordoen in elke situatie waarin meer dan twee partijen samenwerken,
ook bij drie gelijkgerechtigde directeuren aandeelhouders, terwijl in
die situatie geen verzekeringsplicht aanwezig wordt geacht. Volgens
appellanten is er sprake van een getrapte zeggenschapsstructuur met
gelijkgerechtigdheid tussen de broers tezamen enerzijds en Z anderzijds,
en is er tevens sprake van gelijkgerechtigdheid tussen de broers
onderling, zodat er geen sprake is van een gezagsverhouding.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad heeft in de afgelopen tijd een aantal uitspraken gedaan over het
al dan niet bestaan van dienstbetrekkingen in constellaties waarin
natuurlijke personen door tussenkomst van een houdstervennootschap,
waarvan zij directeur/grootaandeelhouder zijn, in verschillende vormen
van samenwerking actief zijn.
De beantwoording van de vraag of er in dergelijke constellaties sprake
is van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking in de zin van artikel
3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (en de Ziekenfondswet) tussen de
vennootschap ten behoeve waarvan de werkzaamheden worden verricht en de
directeur/grootaandeelhouder van de houdstervennootschappen, en in het
bijzonder van de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, is
afhankelijk van een beoordeling van alle relevante feiten en
omstandigheden van het individuele geval.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad komt daarbij aan het bestaan
van een houdstervennootschap als zodanig weinig betekenis toe, indien
voldoende duidelijk is dat de directeur/grootaandeelhouder van die
vennootschap geacht wordt persoonlijk arbeid te verrichten voor de
vennootschap waarbij de managementtaak wordt vervuld.
Bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke
directeur/grootaandeelhouder in dienstbetrekking staat tot de
vennootschap waarvoor hij (middellijk) een managementtaak vervult, kan
enerzijds betekenis toekomen aan de juridische vormgeving van de
arbeidsverhouding, zoals die naar voren komt uit de statuten van de
betrokken vennootschappen. Daarbij kan een belangrijke indicatie vóór
het bestaan van een gezagsverhouding vormen het feit dat een bepaalde
(rechts)persoon vanwege de eigendomsverhoudingen van de aandelen, een
overheersende invloed kan uitoefenen, die onder meer tot uiting kan
komen in de bevoegdheid om de (middellijk) betrokken natuurlijke persoon
te ontslaan dan wel anderszins van zijn taak te ontheffen. Anderzijds
kan van belang blijken te zijn dat uit alle feiten en omstandigheden
overigens voldoende materiële indicaties naar voren komen van het
gezamenlijk drijven van een onderneming door de betrokken natuurlijke
personen, ook in situaties waarin zij niet volledig of nagenoeg volledig
gelijkwaardig participeren in het aandelenkapitaal.
Gegeven het hiervoor weergegeven beoordelingskader, onderschrijft de
Raad het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop de rechtbank tot
zijn oordeel is gekomen. Allereerst is ook de Raad van oordeel dat er
sprake is van een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting.
Voorts moet vastgesteld worden dat ieder van de broers middellijk
slechts 1/6 van het aandelenkapitaal bezit en dat 50% van de aandelen in
het bezit is van Z als vierde aandeelhouder. De Raad acht de door
appellanten gemaakte vergelijking met een commanditaire vennootschap
niet steekhoudend, aangezien Z, anders dan een commanditaire vennoot,
die geen daden van beheer mag verrichten of in zaken van de vennootschap
werkzaam mag zijn, nu juist wel alle bevoegdheden heeft die wet en
statuten aan een houder van 50% van het aandelenkapitaal toekennen. Dat
Z daarvan geen gebruik zou hebben gemaakt en uitsluitend zou hebben
gefungeerd als geldschieter, acht de Raad onvoldoende aannemelijk
(gemaakt). De participatie had immers niet alleen een financiële, maar
ook een commerciële achtergrond, te weten het door samenwerking
verbeteren van de kaasdistributie. Het niet goed vlotten van de beoogde
samenwerking heeft er in 1995 dan ook toe geleid dat de broers de
aandelen (door middel van een holding) hebben teruggekocht.
Evenals de rechtbank acht ook de Raad de tussen de broers tot stand
gekomen stemovereenkomst niet doorslaggevend om tot een ander oordeel te
komen. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, laat een
stemovereenkomst onverlet dat een aandeelhouder zijn stem rechtsgeldig
uit kan brengen in afwijking van een dergelijke overeenkomst.
Per saldo is de Raad van oordeel dat de broers gedurende de periode dat
sprake was van een participatie van 50% van Z, vanwege de zeer ongelijke
verdeling van aandelen: 16,67%, 16,67%, 16,67 en 50%, zodanig aan
zeggenschap hebben ingeboet, dat er sprake was van een gezagsverhouding
van de broers tot de appellante 1.
Gedaagde heeft daarom voor appellanten 2, 3 en 4 terecht ingaande 1
januari 1991 verplichte verzekering aangenomen en terecht appellante 1
als werkgeefster aangemerkt.
Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat het hoger beroep van
appellanten niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist is als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en mr.
G.P.A.M.
Garvelink-Jonkers en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van
B. Goos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus
1998.
(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.
(get.)
B. Goos.
|
|