|
Uitspraak
96/6070
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
Accountantskantoor X. B.V., gevestigd te Y., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift d.d. 12 december 1996 aangegeven gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen
van een door de Arrondissementsrechtbank te Arnhem onder dagtekening 1
mei 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. S.M. van Steenbergen, advocaat te Arnhem, bij
brief d.d. 8 april 1997 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 februari
1998, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. M.E. Fortuin,
werkzaam bij Gak Nederland B.V.. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid
doen vertegenwoordigen door A., directeur van gedaagde, bijgestaan door
mr. J.G. Monster, kantoorgenoot van mr. Van Steenbergen.
II. MOTIVERING
Per 1 januari 1994 is 99,92% van de aandelen van gedaagde overgenomen
door W. B.V. (hierna: W.). Eén prioriteitsaandeel (0,08%) is in handen
van N. B.V. De aandelen van W. zijn per die datum voor 75% in handen
gekomen van G. B.V. (hierna: G.), een 100% houdstervennootschap van V.
(hierna: V.), en voor 25% van H. B.V. (hierna: H.), een 100%
houdstervennootschap van A. (hierna: A.).
V. en A. zijn tot 1 januari 1994 bij gedaagde in dienst geweest. Per die
datum hebben zij gedaagde overgenomen middels bovenstaande
aandelenverwerving. Daarbij is het aandelenpakket niet gelijkelijk over
V. en A. verdeeld, omdat binnen de landelijke N.-groep als beleid gold
dat tenminste 75% van de aandelen in handen moest zijn van iemand met de
titel AA, welke titel A. niet bezit. Omdat de intentie van V. en A. was
om gezamenlijk het bedrijf te leiden en de winst te verdelen, werd in de
statuten van W. opgenomen dat voor het ontslag van een directeur een
meerderheid vereist is van 80%, en werd via prioriteitsaandelen bereikt
dat de winst gelijkelijk verdeeld werd.
Naderhand werd door een medewerker van appellant geconstateerd dat de
statutaire bepaling inzake de 80%-meerderheid nietig is, aangezien
ingevolge artikel 2:244, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek een
meerderheid van maximaal 2/3 van het aandelenkapitaal geëist mag
worden. Gedaagde heeft vervolgens per 20 april 1994 haar statuten in
overeenstemming gebracht met dat artikel, door op te nemen dat voor het
ontslag van een directeur een 2/3 meerderheid vereist is. Tevens is per
die datum het aandelenbezit gewijzigd, in die zin dat G. 65% houdt en H.
35%.
Bij zijn besluit op bezwaar d.d. 28 juni 1995 heeft appellant zijn
eerder ingenomen standpunt gehandhaafd, inhoudende dat A. ook na 1
januari 1994 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot gedaagde
staat, en derhalve verzekerd is ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten. Daarbij heeft appellant overwogen - kort
weergegeven - dat V. beschikt over de meerderheid van de stemmen in de
algemene vergadering van aandeelhouders van W., welke vennootschap op
haar beurt vrijwel alle aandelen in gedaagde bezit.
V. kan derhalve door zijn meerderheidsaandelenbezit in W.
bewerkstelligen dat W. in de algemene vergadering van aandeelhouders van
gedaagde stemt vóór het besluit om A. als bestuurder van gedaagde te
ontslaan. Aangezien W. vrijwel alle aandelen bezit in gedaagde, kan A.
tegen zijn wil ontslagen worden, welke situatie ook na 20 april 1995
voortduurt.
De rechtbank heeft overwogen dat niet de algemene vergadering van
aandeelhouders van W. het stemrecht in de algemene vergadering van
aandeelhouders van gedaagde uitoefent, maar het bestuur van W., waarin
V. en A. gelijkelijk participeren, en waar sprake is van collegiale
besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank kan A. derhalve niet
tegen zijn wil als bestuurder van gedaagde ontslagen worden.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad heeft in de afgelopen tijd een aantal uitspraken gedaan over het
al dan niet bestaan van dienstbetrekkingen in constellaties waarin
natuurlijke personen door tussenkomst van een houdstervennootschap
waarvan zij directeur/grootaandeelhouder zijn, in verschillende vormen
van samenwerking actief zijn.
De Raad verwijst hier onder meer naar zijn uitspraak van 13 maart 1997,
in het geding 95/1508 ALGEM, waarin het ging om managementovereenkomsten
van een vennootschap waarbij binnen de met haar verbonden onderneming
een enveloppenfabriek werd geëxploiteerd, met twee
houdstervennootschappen die minderheidsaandeelhouder waren in die
vennootschap, en naar de uitspraak van de Raad van 11 september 1997, in het geding 95/971
ALGEM, gepubliceerd in USZ 1997,
270, waarin het ging om managementovereenkomsten van een vennootschap
waarbij binnen de met haar verbonden onderneming een effectenbedrijf
werd geëxploiteerd, met drie houdstervennootschappen die
minderheidsaandeelhouder waren in die vennootschap.
Ter zitting van heden gaat het, naast de onderhavige vennootschap,
waarbij binnen de met haar verbonden onderneming een accountantskantoor
wordt geëxploiteerd, om minderheidsaandeelhouders in vennootschappen
waarbij binnen de met hen verbonden ondernemingen een architectenbureau
en een projectbureau (gedingen 96/7699 en 96/7700 ALGEM),
respectievelijk ingenieursbureaus (gedingen 97/3184 en 97/3185 ALGEM)
worden geëxploiteerd.
De beantwoording van de vraag of er in dergelijke constellaties sprake
is van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking in de zin van artikel
3 van de WW, ZW, WAO en Zfw tussen de vennootschap ten behoeve waarvan
de werkzaamheden worden verricht, zoals in casu de gedaagde, en de
directeur/grootaandeelhouder van de houdstervennootschap, en in het
bijzonder van de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, is
afhankelijk van een beoordeling van alle relevante feiten en
omstandigheden van het bijzondere geval.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad komt daarbij aan het bestaan
van een houdstervennootschap als zodanig weinig betekenis toe, indien voldoende duidelijk is dat de
directeur/grootaandeelhouder van die vennootschap geacht wordt
persoonlijk arbeid te verrichten voor de vennootschap waarbij de
managementtaak wordt vervuld.
De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 16 augustus 1995, gepubliceerd in RSV 1996/55 en, voor de uitzondering,
naar zijn uitspraak van 7 augustus 1997, gepubliceerd in USZ 1997, 248,
RSV 1997/292, AB 1997, 407 en VN 6 november 1997, nr. 17.
Bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke
directeur/grootaandeelhouder in dienstbetrekking staat tot de
vennootschap waarvoor hij middellijk een managementtaak vervult, kan
enerzijds betekenis toekomen aan de juridische vormgeving van de
rechtsverhouding zoals deze naar voren komt uit de statuten van de
betrokken vennootschappen. Daarbij kan een belangrijke indicatie voor
het bestaan van een gezagsverhouding vormen het feit dat een bepaalde
(rechts)persoon vanwege de eigendomsverhoudingen van de aandelen, een
overheersende invloed kan uitoefenen, die onder meer tot uiting kan
komen in de bevoegdheid om de betrokken persoon te ontslaan dan wel
anderszins van zijn taak te ontheffen.
Anderzijds kan van belang blijken te zijn dat uit alle feiten en
omstandigheden overigens voldoende materiële indicaties naar voren
komen van het gezamenlijk drijven van een onderneming door de betrokken
natuurlijke personen, ook in situaties waarin zij niet volledig of nagenoeg volledig gelijk participeren in het
aandelenkapitaal.
In casu is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat V. en A.
beoogd hebben gedaagdes onderneming vanaf 1 januari 1994 gezamenlijk te
bezitten en te gaan leiden, en de winst gelijkelijk te verdelen. Zulks
is ook, zoals uit de gedingstukken blijkt, geschied in nauw overleg -
vanaf januari 1994 - met medewerkers van appellant. De daarbij ontstane
bovengenoemde vennootschapsrechtelijke complicaties zijn niet door V. en
A. geëntameerd, doch werden opgeroepen door het beleid van de N.-groep,
waartoe gedaagde behoort. Voldoening aan die beleidslijn leidde tot een
nietig artikel in de statuten, welke nietigheid blijkbaar niet opgemerkt
is door de notaris, die de statutenwijziging gepasseerd heeft, en de
Minister van Justitie die een verklaring van geen bezwaar heeft
afgegeven. V. en A. hebben steeds adequaat en snel op de ontstane
problematiek gereageerd door de statuten aan te passen.
Gelet op deze omstandigheden, alsmede het feit dat de winst steeds
gelijkelijk verdeeld is, is de Raad van oordeel, dat in casu niet alleen
vanaf 20 april 1995, toen A. in ieder geval niet meer tegen zijn wil
ontslagen kon worden als directeur van W., geen verzekeringsplicht dient
te worden aangenomen, doch reeds niet vanaf 1 januari 1994, aangezien V.
en A. zich consequent hebben opgesteld als (gezamenlijk) ondernemer, en
steeds adequate maatregelen hebben genomen om dat gezamenlijk
ondernemerschap ook juridisch vorm te geven.
De aangevallen uitspraak kan derhalve in stand gelaten worden.
De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van
gedaagde in hoger beroep, welke worden begroot op f 1.420,-- aan kosten
voor verleende rechtsbijstand.
Tevens dient, gelet op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, van appellant een recht van f 630,-- te
worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
ten bedrage van f 1.420,--;
Verstaat dat van appellant een recht van f 630,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en mr.
G.P.A.M.
Garvelink-Jonkers en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van
mr. L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 april
1998.
(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.
(get.) L.H. Vogt.
|
|