|
Uitspraak
96/10754
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
X B.V., gevestigd te Y, appellante,
en
Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en
Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens
verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 25 juni 1997, met
bijlagen, aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van
een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 5
november 1996 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Door gedaagde is bij schrijven van 22 juli 1997 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 januari
1998, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door A,
directeur van appellante, bijgestaan door mr. W.C. Bothof, advocaat te
Amsterdam, en prof. mr. J.F.M. Giele, wonende te 's-Gravenhage, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.C.F. Bollen,
werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.. Ter zitting zijn
verklaringen afgelegd door C, directeur van C Adviesgroep B.V., wonende
te D, als getuige, en door E, directeur van Q, en mr. F.A. Peppelenbosch,
fiscalist, wonende te 's-Gravenhage.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden, op bezwaar genomen, besluit van 23 december 1994
heeft gedaagde besloten de bezwaren van appellante tegen het primaire
besluit van 6 juli 1994 ongegrond te verklaren en dit besluit te
handhaven. In het primaire besluit heeft gedaagde met betrekking tot de
werkzaamheden die franchisenemers/trainers verrichten op basis van een
franchiseovereenkomst met appellante, met ingang van 1 januari 1989
verplichte verzekering ingevolge de artikelen 3 van de Werkloosheidswet
(hierna: WW), de Ziektewet (hierna: ZW), de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) en de Ziekenfondswet
(hierna: Zfw) aangenomen.
In geschil is of gedaagde terecht heeft aangenomen dat de
franchisenemers met wie appellante een franchiseovereenkomst is
aangegaan, ten tijde in geschil, de periode 1989 - 1993, verplicht
verzekerd waren ter zake van voormelde werkzaamheden.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de feiten en
omstandigheden als volgt weergegeven, waarbij appellante is aangeduid
als eiseres en gedaagde als verweerder:
"Eiseres, wier handelsnaam voorheen X Praktijktrainers B.V. luidde,
exploiteert een door haar ontwikkeld systeem van bedrijfstrainingen
bestaande uit een bepaalde methodiek van trainen gecombineerd met het
gebruik van bepaalde hulpmiddelen en een uniforme huisstijl en
presentatie naar buiten toe.
Dit geheel, aan te merken als het product van eiseres, wordt door
eiseres als franchisegever op basis van een franchiseovereenkomst ter
beschikking gesteld aan de eerdergenoemde trainers, de franchisenemers.
De trainingen hebben tot doel:
"Het verbeteren van de kwaliteit van de mens door
training, begeleiding en meting in organisaties en bedrijven om een
ruime resultaatsverbetering voor de deelnemers en hun organisaties en
bedrijven tot stand te brengen."
(Uit: Door training franchise-instructies, onder C.).
Er worden trainingen verzorgd die op één specifiek bedrijf gericht
zijn (Indoortraining) en trainingen waarop meerdere bedrijven kunnen
inschrijven (Outdoortraining). Het verwerven van opdrachten voor
trainingen gebeurt zowel door eiseres als door de franchisenemers die
aldus een eigen klantenbestand kunnen opbouwen. Eiseres wijst een door
haar verworven opdracht toe aan een door haar uitgekozen franchisenemer.
Deze kan de opdracht weigeren, maar dit komt in de praktijk weinig voor
omdat dit voor de franchisenemer commercieel niet gunstig is. De
franchisenemers melden de door hen verworven opdrachten bij eiseres aan.
Zij geven de trainingen zelf en kunnen daarbij ook tegen betaling
collega-trainers betrekken. De facturering van alle trainingen, ook van
de door de franchisenemers zelfstandig verworven opdrachten, wordt
verzorgd door eiseres, die in de verhouding tussen haar en de
franchisenemers optreedt als handlingoffice. Dit betekent, naar namens
eiseres ter zitting is verklaard, dat eiseres in de totale organisatie
verantwoordelijk is voor het bijhouden van orders en facturering alsmede
voor andere administratieve overheadfuncties. Eiseres houdt een register
bij van alle klanten.
Eiseres heeft recht op 50% van de omzet van de franchisenemers (de zogeheten fee). Als de franchisenemer een training
heeft verzorgd in opdracht van eiseres, factureert eiseres aan die
klant, die rechtstreeks aan eiseres betaalt. De franchisenemer stuurt
dan aan eiseres een factuur voor zijn kosten ad (sinds 1-1-1993) 50% van
het totale bedrag van de nota. Als de franchisenemer voor een eigen
klant een training heeft verzorgd, stuurt eiseres namens de
franchisenemer de nota aan deze klant, die rechtstreeks aan de
franchisenemer betaalt. Eiseres stuurt een nota aan de franchisenemer
voor 50% van het bedrag van de nota. Ook als de klant niet betaalt, is
de franchisenemer de fee aan eiseres verschuldigd. In zoverre loopt de
franchisenemer een debiteurenrisico. In de praktijk komt wanbetaling
niet of nauwelijks voor.
De klanten voor wie de trainingen worden verzorgd zijn grote bedrijven,
onder meer KLM, General Motors, bijna alle grote banken en
verzekeringsinstellingen.
Om zich te kwalificeren voor het franchisenemerschap moeten kandidaten
onder meer een opleiding volgen aan de Door trainersschool en een bedrag
ad f 24.500,-- excl. BTW aan eiseres betalen. De overeenkomst treedt
eerst in werking met ingang van de dag waarop de 30-daagse opleiding met
succes is doorlopen. Bij voortijdige beëindiging van de opleiding kan
eiseres f 800,-- per gevolgde trainingsdag in rekening brengen. De
overeenkomst komt dan niet tot stand en het bedrag ad f 24.500,--, dat
in de overeenkomst als entreegeld wordt aangeduid, is dan niet
verschuldigd. De door een medewerker van verweerders bedrijfsvereniging
gehoorde franchisenemer Koot vermeldt de betaling van een entreegeld adf
12.500,-- bij een verkorte opleiding. Bij de aanvang van het
franchisenemerschap is de franchisenemer verplicht een materialenpakket
ad f 5.000,-- excl. B.T.W. aan te schaffen.
De franchiseovereenkomst bevat een beschrijving van de rechten en
plichten van de contractpartijen. Het systeem wordt volgens de
considerans gekenmerkt door de volgende eigenschappen:
"a. het gebruik van het merk X B.V. voor de
dienstverlening:
opleiden, begeleiden en adviseren van bedrijven,
instellingen en personen in de ruimste zin van het woord;
b. het gebruik van het embleem: X B.V.;
c. het gebruik van X B.V. als handelsnaam;
d. het gebruik van de kleurcombinatie
wit/zwart/grijs;"
De franchisenemer verplicht zich op basis van de overeenkomst onder meer
zich tegenover derden te presenteren als zelfstandig ondernemer die niet
in arbeidsverhouding staat tot de franchisegever en vrijwaart de
franchisegever tegen actie van derden en voor alle financiële
consequenties van dien waarbij het zelfstandig ondernemerschap ter
discussie staat of franchisegever middels derden financiële
verplichting krijgt opgelegd.
De overeenkomst kent een aantal boetebedingen, waaronder een
geheimhoudings- en een non-concurrentiebeding ten laste van de
franchisenemer. Er is geen boeteclausule ten laste van de
franchisegever. Bij aanhoudende wanprestatie van een der partijen is de
andere partij in beginsel gerechtigd de overeenkomst op een termijn van
acht dagen op te zeggen. In afwijking daarvan kan de franchisegever de
overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen indien de wanprestatie
van de franchisenemer van dien aard is dat van de franchisegever in
redelijkheid niet gevergd kan worden dat de overeenkomst wordt
voortgezet, waarbij de franchisenemer schadeplichtig is.
De franchisenemer verbindt zich de voor zijn bureau benodigde diensten
en/of goederen te laten leveren door de franchisegever of door deze aan
te wijzen leveranciers. Voorts verbindt de franchisenemer zich zijn
bureau overeenkomstig het door de franchisegever ontwikkelde systeem te
exploiteren, de goede naam van het systeem hoog te houden en zijn bureau
steeds duidelijk als "X B.V." herkenbaar te doen zijn. De door
de franchisenemer op schrift gestelde informatie en gerealiseerde
research blijft eigendom van de franchisenemer, maar deze machtigt de
franchisegever onherroepelijk tot het gebruik hiervan, zowel gedurende
als na eventuele beëindiging van de overeenkomst.
Van deze overeenkomst maken deel uit de "X training
franchise-instructies" die gelden voor elke franchisenemer en die
het gehele in licentie gegeven systeem in kaart brengen. De
franchisegever kan deze instructies eenzijdig wijzigen dan wel
uitbreiden. Het aan de rechtbank overgelegde exemplaar van deze
instructies van maart 1993, dat 33 bladzijden beslaat, bevat
gedetailleerde regels en voorschriften.
De franchisenemer is verplicht alle voorschriften, omschreven in deze
instructies en alle aanwijzingen ter uitvoering daarvan door de
franchisegever te geven, stipt op te volgen. Hij verplicht zich onder
meer de aangewezen materialen, naslagteksten, films of oefeningen te
gebruiken, volgens een bepaalde methodiek te werken en mee te werken aan
het internationale systeem van "X Quality Control."
Het cursusprogramma wordt opgesteld in overleg met de klant en mede op
basis van diens wensen. Er wordt gebruik gemaakt van gestandaardiseerde
teksten en programma's. Indien de franchisenemer nieuwe teksten
schrijft, dan moeten deze vóór gebruik aan eiseres worden voorgelegd.
Eiseres heeft het recht om tussentijds steekproefsgewijs controle uit te
oefenen op deze nieuwe teksten. Eiseres levert voorts een pakket van
hulpmiddelen (agenda, tafelflipover, pen en papier, videoband,
tekstboek) dat tegen betaling per deelnemer beschikbaar wordt gesteld.
De franchisenemer mag de standaardproducten tegen de afgesproken
provisies doorverkopen.
Er zijn acht programma's of productgroepen, drie niveaus van trainingen
en drie niveaus van trainers. Een franchisenemer kan, door zelf bepaalde
trainingen te volgen, certificaten verkrijgen op grond waarvan hij
trainingen in de acht programma's en op de drie niveaus kan geven. Het
is de franchisenemer verboden om zonder de vereiste certificaten een
Door-programma toe te passen. De franchisenemers zijn verplicht deel te
nemen aan sessies gericht op kwaliteitsverbetering. Ook ervaren trainers
zijn verplicht jaarlijks een aantal sessies bij te wonen. In het kader
van kwaliteitsmeting kan eiseres als overkoepelende organisatie direct
over de hoofden van de eindverantwoordelijken heen de klanten benaderen.
Minimaal tweemaal per jaar kan eiseres een de franchisenemer onbekende
deelnemer bij de training laten bijzitten ter toetsing van de kwaliteit.
De prestaties van de trainers worden voorts permanent gemeten door
middel van een "Tevreden Klanten Index" en een "deelnemersperfomancemeting".
Wanneer een franchisenemer voortschrijdend onder de gewenste norm
scoort, heeft dit tot gevolg dat de betrokken trainingscertificaten
worden ingetrokken. Dit kan resulteren in opzegging van de
franchiseovereenkomst.
In de instructies zijn tarieven en productienormen opgenomen, welke door
eiseres worden vastgesteld. Een trainer kan in onderhandeling met zijn
rechtstreeks geworven klanten van deze richtlijnen afwijken.
De franchisenemer kan een door hem verworven opdracht door een
collega-trainer, tevens franchisenemer van eiseres, laten uitvoeren. Bij
ziekte of andere plotselinge verhindering meldt de franchisenemer zich
tijdig af bij eiseres. Deze beschikt over de agenda van alle trainers en
kan voor vervanging door een collega zorgen. In overleg met eiseres kan
de franchisenemer ook zelf een collega bellen die de training overneemt.
Vervanging komt in de praktijk sporadisch voor en dan alleen door een
collega-trainer franchisenemer. De kosten zijn voor rekening van de
franchisenemer.
Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande accommodaties van eiseres of
van lesruimten van de klant, of elders door de franchisenemer gehuurde
ruimten. De franchisenemer is verantwoordelijk voor de reservering.
Annuleringen zijn voor rekening van de franchisenemer. Dit geldt ook
voor eigen Door-accommodaties.
De franchisenemer houdt kantoor aan huis. Aanschaf van benodigde
apparatuur is voor zijn eigen rekening waarbij eiseres een pakket voor
een efficiënte inrichting van het kantoor ter beschikking stelt. Op
briefpapier e.d. vermeldt de franchisenemer als correspondentieadres
het adres van X Training te K.
De franchisenemer is verplicht bedrijfsaansprakelijkheids-,
arbeidsongeschiktheids-, ziektekosten-, en autoverzekeringen af te
sluiten bij door eiseres aan te wijzen verzekeraars.
In de instructies zijn tevens regels betreffende promotieactiviteiten
en -materiaal, huisstijl, marketing, administratie, betalingen,
telebankieren, huur of aanschaf van apparatuur, boekhouding,
deelnemersregistratie, en werkwijze en gedrag van de franchisenemer
opgenomen. De regels hebben, naar ter zitting van de zijde van eiseres
is verklaard, mede tot doel te voorkomen dat de franchisenemer met een
partij aankomt die de naam en de identiteit van een franchisegever op
de markt schaadt.
De belastingdienst te Amersfoort heeft geaccepteerd dat de trainers als
ondernemers worden aangemerkt. De inspecties waaronder de trainers
vallen zijn daaraan echter niet gebonden en kunnen een afwijkend
standpunt innemen."
In hoger beroep vormt deze weergave van de feiten en omstandigheden
tussen partijen geen punt van geschil, zodat ook de Raad daarvan zal
uitgaan. Punt van geschil is wel hoe deze feiten en omstandigheden
gekwalificeerd en gewaardeerd moeten worden.
In het bestreden besluit heeft gedaagde de grondslag voor de verplichte
verzekering beperkt tot het bestaan van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking in de zin van de artikelen 3 van de WW, de ZW, de WAO
en de Zfw. Daarbij is vooral in geschil of voldaan is aan het vereiste
van het bestaan van een gezagsverhouding tussen appellante en de
betrokken franchisenemers.
De Raad overweegt als volgt.
In casu is sprake van een verhouding tussen appellante en de
franchisenemers die door hen wordt aangeduid als een franchiseverhouding
op basis van een franchiseovereenkomst. Een dergelijke
franchiseverhouding wordt volgens appellante in toenemende mate
gebruikelijk in het bedrijfsleven. Doorgaans bestaat de bedrijfsvoering
van een franchisegever uit het verstrekken van een aantal diensten en/of
producten aan de franchisenemers, zoals bijvoorbeeld het ontwikkelen en
verschaffen van knowhow en adviezen, het scheppen van een positief
imago, het voeren van gezamenlijke reclame en dergelijke. Deze
faciliteiten vormen het product van een franchisegever.
In casu bestaat het product van appellante onder andere uit het ter
beschikking stellen van een door appellante ontwikkeld en - voor zover
daarvoor vatbaar - onder haar intellectuele eigendom vallend, in
schriftelijk materiaal neergelegd systeem van trainingen, begeleiding en
advisering van bedrijven en (overheids)instellingen volgens de zogeheten
DOOR-formule, met de bijbehorende parafernalia, uit het opleiden van de
franchisenemers via een 30-daagse initiële opleiding tot trainers
volgens deze X-formule, uit het via evaluatieformulieren, visitaties en
nascholing permanent bewaken van de kwaliteit van de trainers, en
daarmee van de X-formule, voorts uit het organiseren van zogeheten
Outdoor-trainingen, waarmee de franchisenemers/trainers een deel van hun
inkomen kunnen verdienen, en verder uit het voeren van een gezamenlijke
marketing. De franchisenemers betalen voor de verschillende faciliteiten
vergoedingen aan appellante.
Aan de samenwerking tussen appellante en de franchisenemers is juridisch
vorm gegeven in een door partijen als franchiseovereenkomst aangeduide
overeenkomst. De overeenkomst zoals deze gold ten tijde in geding, en de
daarop gebaseerde "Doortraining franchise-instructies"
bevatten een groot aantal gedetailleerde regels en voorschriften, deels
met ver gaande verplichtingen voor de franchisenemers, en daarnaast nog
een algemene aanwijzingsbevoegdheid van appellante. Ook is in de
franchiseovereenkomst een ver reikend concurrentiebeding opgenomen.
Deze verplichtingen lijken op zichzelf een voldoende grondslag te kunnen
vormen voor het aannemen van het - in elk geval contractueel - bestaan van
een gezagsverhouding.
Met de geschetste sterke contractuele binding van de franchisenemers aan
appellante is volgens appellante de mogelijkheid van de uitoefening van
werkgeversgezag echter nog niet zonder meer gegeven. Appellante stelt
dat sprake is van een echte franchiseovereenkomst die is gesloten op
basis van gelijkwaardigheid en waarin het streven van appellante en de
franchisenemers om op basis van die gelijkwaardigheid met een
gezamenlijke inspanning de gestelde doelen te bereiken, tot uitdrukking
is gebracht. De hiervoor vermelde verplichtingen dienen volgens
appellante om de knowhow, het concept, de kwaliteit en de uniformiteit
van de toepassing van de DOOR-formule te beschermen. Dergelijke ver
gaande verplichtingen van de franchisenemers zijn volgens appellante
gebruikelijk in algemeen geaccepteerde franchiseovereenkomsten zoals
die bij ondernemingen als de Hema, Blokker en McDonalds voorkomen.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn niet
gepubliceerde uitspraken van 15 juli 1996, in de zaak 96/379 ALGEM, en
van 17 april 1997, in de zaken 95/4135 ALGEM en 96/3384 ALGEM, is het
mogelijk dat ook binnen een verhouding die door, naar wordt gesteld,
zelfstandige en gelijkwaardige partijen als franchiseverhouding wordt
aangeduid, werkgeversgezag realiter aanwezig moet worden geacht.
In zijn niet gepubliceerde uitspraak van 20 mei 1996, in de zaak 94/1059
ALGEM, heeft de Raad een dergelijk werkgeversgezag ook daadwerkelijk
aanwezig geacht. Gezien de feiten en omstandigheden van dat geval droeg
de betrokken werknemer weliswaar zelf al het risico van de door hem
verrichte werkzaamheden en zelf alle kosten. Dit impliceerde echter naar
het oordeel van de Raad slechts dat de risico’s van de hoogte van het
loon door de betrokken werkgever op de werknemer werden afgewenteld.
Deze afwenteling van risico leidde er echter niet toe dat de werknemer
een einde zag komen aan zijn ondergeschiktheidsrelatie ten opzichte van
de werkgever.
De in een franchiseverhouding veronderstelde gelijkwaardigheid kan
derhalve onder omstandigheden zo ongeloofwaardig worden dat toch van
werkgeversgezag kan worden gesproken.
Naar het oordeel van de Raad moet de contractuele en feitelijke
verhouding tussen appellante en haar franchisenemers wezenlijk anders
worden gewaardeerd dan die van de gebruikelijke arbeidsverhouding op
basis van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst waarin een
werknemer zijn persoonlijke arbeidskracht tegen loon ter beschikking
stelt aan een werkgever.
In de verhouding tussen appellante en de franchisenemers ontbreken
ondanks de uiterst gedetailleerde en verreikende verplichtingen die aan
de franchisenemers contractueel worden opgelegd, duidelijke
contra-indicaties voor de gestelde gelijkwaardigheid die nodig zijn om
werkgeversgezag realiter aanwezig te kunnen achten, zoals wel het geval
was in voormelde zaak 94/1059 ALGEM.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden
besluit niet in stand kunnen blijven.
De Raad ziet aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante ten bedrage van f 1.420,-- voor kosten van rechtsbijstand
in eerste instantie en f 1.420,-- in hoger beroep. Van andere kosten is
de Raad niet gebleken.
Het vorenstaande betekent tevens dat gedaagde het door appellante in
eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht dient te
vergoeden.
Daarom moet als volgt worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante ten bedrage van
in totaal f 2.840,--;
Gelast dat gedaagde aan appellante het griffierecht ten bedrage van f
1.000,-- in totaal vergoedt.
Aldus gegeven door mr. A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en mr.
G.P.A.M.
Garvelink-Jonkers en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van
mr. L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26
februari 1998.
(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.
(get.) L.H. Vogt.
|
|