|
Uitspraak
99/913
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[X.], Coöperatie voor het verzekeren en verzorgen van begrafenissen en
crematies U.A., gevestigd te [Y.], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije
Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 20 januari 1997 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen de correctienota’s over de jaren 1989
tot en met 1993, gedateerd 20 en 22 december 1994 en tegen de boetenota’s
over de jaren 1990, 1991 en 1993, gedateerd 8 mei 1995. Voorts is
ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1
mei 1995, waarbij aan appellante is medegedeeld dat een verzuim wordt
geregistreerd over alle gecorrigeerde jaren.
De Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak
van 21 december 1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard voor zover daarbij verzekeringsplicht wordt aangenomen op
grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten voor de
oproepkrachten en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. De
rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
Namens appellante is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De
gronden van het hoger beroep zijn uiteengezet in een aanvullend
beroepschrift, d.d. 13 april 1999.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 27 mei 1999, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 februari
2001, waar voor appellante is verschenen mr. B.J.W. Geraads,
belastingadviseur te Eindhoven, alsmede [A.], directeur van appellante,
en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.J.M.
Kluytmans, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van een in 1994 bij appellante uitgevoerde looncontrole
zijn de in rubriek I genoemde correctie- en boetenota’s opgelegd. Aan
de correcties liggen de volgende standpunten van gedaagde ten grondslag:
1. een aantal voor appellante werkzame oproepkrachten zijn
verzekeringsplichtig op grond van het bepaalde in artikel 5 van de
sociale werknemersverzekeringswetten, juncto artikel 5 van het
Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986/655 (verder: het KB);
2. een gedeelte van de onkostendeclaraties van uitvaartverzorgers
dient als loon te worden aangemerkt;
3. de provisie die uitvaartverzorgers ontvingen voor het plaatsen
van rouwadvertenties dient als loon te worden aangemerkt.
De boete is opgelegd ter zake van de onder 1 en 3 genoemde, ten onrechte
niet verantwoorde loonbedragen en is gesteld op 25%.
In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of gedaagde
terecht verzekeringsplicht heeft aangenomen ter zake van de door de
oproepkrachten verrichte werkzaamheden en op de vraag of gedaagde de
provisie van de uitvaartverzorgers terecht als loon heeft aangemerkt.
Voorts is nog in geschil of de daarmee samenhangende boetes terecht zijn
opgelegd.
1. De verzekeringsplicht van de oproepkrachten
De voor appellante werkzame oproepkrachten verrichten werkzaamheden als
het ontvangen van rouwbezoek, het assisteren bij het afleggen en hand-
en spandiensten zoals het schoonmaken van het gebouw.
Blijkens een Gak-rapport d.d. 23 september 1994 hield appellante geen
(systematische) registratie bij van de (aantallen) dagen waarop door de
oproepkrachten werd gewerkt. In verband daarmee is in overleg met en op
basis van door de werkgever aangedragen gegevens uitsluitend
verzekeringsplicht aangenomen voor de oproepkrachten die op jaarbasis
meer dan 40% van het minimumloon verdienden. Gedaagde heeft zich, in
navolging van zijn looninspecteur, op het standpunt gesteld dat in
redelijkheid kan worden aangenomen dat in die gevallen doorgaans ook op
ten minste twee dagen per week werd gewerkt.
In hoger beroep is namens appellante gesteld dat het bestreden besluit
op het punt van de verzekeringsplicht van de oproepkrachten onvoldoende
is gemotiveerd, nu niet is aangegeven welke werkzaamheden exact zijn
verricht.
De Raad overweegt dienaangaande dat voor de beoordeling van de vraag of
de betrokken oproepkrachten verzekeringsplichtig zijn ingevolge het
bepaalde in artikel 5 van de sociale werknemersverzekeringswetten,
juncto het bepaalde in artikel 5 van het KB, niet relevant is wat
precies de aard is van de werkzaamheden die worden verricht. Daarbij
heeft de Raad in aanmerking genomen dat de aard van de werkzaamheden met
name een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de vraag of al dan
niet sprake is van een gezagsverhouding.
Het bestaan van een gezagsverhouding, zoals is vereist indien de
verzekeringsplicht wordt gebaseerd op artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten, is echter geen voorwaarde voor het
aannemen van verzekeringsplicht op basis van de thans aan de orde zijnde
bepalingen.
Voorts heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat een
individuele toetsing had moeten plaatsvinden of doorgaans twee dagen per
week werkzaamheden zijn verricht.
De Raad kan appellante hierin niet volgen. Nu appellante geen
deugdelijke administratie heeft bijgehouden van de door de
oproepkrachten verrichte werkzaamheden, kon gedaagde niet anders dan
schattenderwijs vaststellen of de betrokken oproepkrachten voldeden aan
het vereiste dat op doorgaans ten minste twee dagen per week arbeid
wordt verricht. Door de door de looninspecteur gevolgde, hiervoor
beschreven handelwijze is appellante naar het oordeel van de Raad niet
benadeeld.
Tot slot treft ook appellantes grief dat niet voldaan is aan de
vereisten van een fictieve dienstbetrekking, omdat er geen verplichting
is de werkzaamheden te verrichten, geen doel. Voor het aannemen van een
fictieve dienstbetrekking is voldoende dat de arbeid feitelijk
persoonlijk is verricht. Aan die voorwaarde is in het onderhavige geval
voldaan.
2. De provisie van de uitvaartverzorgers
De voor appellante op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking
werkzame uitvaartverzorgers plaatsten op verzoek van betrokkenen
overlijdensadvertenties in dagbladen. Bij die dagbladen ontvingen zij
een korting van 15% op het advertentietarief. De kosten van de
advertentie werden door appellante in rekening gebracht bij de
betrokkenen en vervolgens volledig uitbetaald aan de uitvaartverzorger.
Gedaagde heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld
dat de korting/provisie dient te worden aangemerkt als loon.
In hoger beroep is namens appellante in de eerste plaats aangevoerd dat
de fiscus de provisie niet als loon heeft aangemerkt en dat gedaagde
slechts gemotiveerd van het standpunt van de fiscus mag afwijken.
De Raad onderschrijft dit standpunt niet. Het is vaste jurisprudentie
dat gedaagde wat betreft de vaststelling van het premieplichtige loon
een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet gebonden kan worden geacht
aan het oordeel van de fiscus, zodat deze grief niet kan slagen.
De grief dat het bestreden besluit op dit punt in strijd is met het
vertrouwensbeginsel, aangezien bij een eerdere looncontrole geen
correcties in verband met de provisies zijn opgelegd, treft evenmin
doel. Bij de eerdere looncontrole zijn de provisies niet uitdrukkelijk
aan de orde geweest, zodat appellante aan het uitblijven van een
correctie naar aanleiding van die controle niet het gerechtvaardigde
vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de provisies niet als loon zouden
worden aangemerkt.
Ten slotte heeft appellante doen aanvoeren dat de provisies loon van
derden vormen, waarover geen premie verschuldigd is.
De Raad overweegt het volgende.
Het plaatsen van rouwadvertenties past binnen de bedrijfsdoelstelling
van appellante en binnen de taken van de uitvaartverzorger. Deze
werkzaamheden kunnen derhalve worden beschouwd als te zijn verricht uit
hoofde van de dienstbetrekking bij appellante. Gelet op dit
onlosmakelijke verband tussen de vervulling van de dienstbetrekking en
het ontvangen van de provisies, en voorts gelet op het feit dat de
provisies werden betaald door appellante, is naar het oordeel van de
Raad geen sprake van loon van derden, maar van loon in de zin van
artikel 4 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).
3. De boete
Aan de oplegging van de boete ligt het standpunt van gedaagde ten
grondslag dat het niet juist of niet volledig voldoen aan de in artikel
10 van de CSV bedoelde verplichting tot het doen van loonopgave, in het
onderhavige geval het gevolg is van opzet en/of grove schuld. Aangezien
het een eerste verzuim betrof, is de boete overeenkomstig het bepaalde
in het Besluit Administratieve Boeten Coördinatiewet (ABC-besluit)
gematigd tot 25%.
Met betrekking tot de correcties ter zake van de provisies is namens
appellante de stelling betrokken dat zij een pleitbaar standpunt heeft
ingenomen, zodat geen sprake is van opzet en/of grove schuld.
Met gedaagde is de Raad van oordeel dat in casu sprake is van grove
schuld aan de zijde van appellante. In het algemeen zal een werkgever er
zich bewust van moeten zijn welke loonopgaven hij moet doen. In geval
van twijfel ligt bij hem de verantwoordelijkheid ter zake informatie in
te winnen bij gedaagde. Appellante heeft zulks niet gedaan. Gelet op
deze omstandigheid heeft gedaagde terecht grove schuld aangenomen.
De Raad is voorts van oordeel dat de opgelegde boete, gelet op de
kwalificatie van het verzuim, op de omstandigheid dat het een eerste
verzuim betrof en op het bepaalde in artikel 5 van het ABC-besluit,
terecht is vastgesteld op 25%.
Naar aanleiding van appellantes grief dat de handhaving van de opgelegde
boete wegens de lange afhandelingsduur van het tegen het bestreden
besluit gerichte beroep en hoger beroep, in strijd is met artikel 6 EVRM,
overweegt de Raad het volgende.
Nu de opgelegde boete moet worden beschouwd als een criminal charge in
de zin van artikel 6 EVRM, dient de Raad te onderzoeken of er sedert de
oplegging van de boete sprake is van een dusdanig langdurig tijdsverloop
dat geconcludeerd moet worden dat de behandeling van de zaak niet binnen
een redelijke termijn is geschied. Het antwoord op de vraag of sprake is
van overschrijding van de redelijke termijn is niet alleen afhankelijk
van de duur van de verschillende fasen van de procesgang afzonderlijk,
maar ook van die van de procesgang in haar geheel, waarbij mede van
betekenis zijn het processuele gedrag van belanghebbende gedurende de
hele procesgang, de ingewikkeldheid van de zaak, de hoogte van de
opgelegde verhoging, en de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan
en de rechter is behandeld.
Appellante heeft zich uitsluitend beklaagd over de vertraging ontstaan
tijdens de behandeling bij de rechtbank en bij de Raad. Vanaf het moment
dat namens appellante beroep werd ingesteld tegen het bestreden besluit
tot het moment waarop uitspraak in hoger beroep is gedaan, zijn vier
jaren verstreken. Toetsend aan de bovengenoemde criteria, is de Raad van
oordeel dat deze duur in casu geen overschrijding van de redelijke
termijn oplevert. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat
appellante zelf verschillende keren om uitstel voor het indienen van
gronden en voor het indienen van een conclusie van repliek heeft
verzocht, dat het een ingewikkelde zaak betreft en dat er geen
uitzonderlijk lange periode is verstreken, waarin geen enkele activiteit
door respectievelijk de rechtbank en de Raad heeft plaatsgevonden.
Gelet op vorenstaande overwegingen komt de aangevallen uitspraak, voor
zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. A.F.M. Brenninkmeijer als leden, in tegenwoordigheid
van N.J. Stolten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12
april 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) N.J. Stolten.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Coördinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in
cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde
toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6,
7 en 8 van die wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken
nadat dit afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd, een
beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|