|
Uitspraak
00/4666
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 april 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft
appellant het bezwaar van gedaagde tegen zijn besluit van 21 september
1998 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft appellant aan
gedaagde medegedeeld dat hij met ingang van 1 juli 1998 niet meer
verzekerd is ingevolge de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Ziekenfondswet (Zfw),
hierna te noemen: de werknemersverzekeringen.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 18
april 2000 het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw
besluit te nemen, met veroordeling van appellant in de proceskosten en
tot vergoeding van het griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 april
2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. N.
Ridder en mr. E. Kuipers, beiden werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie
Sociale Verzekeringen N.V., en waar namens gedaagde is verschenen mr.
Van den Brom, voornoemd.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Gedaagde heeft de Turkse nationaliteit en verblijft sedert 1989 in
Nederland. In 1990 is zijn echtgenote ook naar Nederland gekomen, waarna
zij hier te lande het leven heeft geschonken aan twee kinderen, geboren
in 1992 en 1994. Gedaagde heeft vanaf 1989 gewerkt in loondienst,
laatstelijk bij [X.] B.V. te [Y.]. In 1996 en 1997 heeft gedaagde
verzocht om verlening van een vergunning tot verblijf, op welke
verzoeken afwijzend is beslist. Door de Staatssecretaris van Justitie is
aan gedaagde toestemming wel verleend om hangende de procedures tegen
deze afwijzende beslissingen in Nederland te verblijven. Op 1 juli 1998
was nog geen beslissing genomen in deze procedures. Inmiddels is aan
gedaagde een verblijfsvergunning verleend op grond van de zogenoemde
witte illegalenregeling.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 september 1998 heeft
appellant aan gedaagde medegedeeld dat hij ingaande 1 juli 1998 niet
langer verzekerd is op grond van de werknemersverzekeringen. Appellant
heeft dit besluit gebaseerd op artikel 3, derde lid, van de ZW, WW en
WAO, in welke artikelen is bepaald dat niet als werknemer in de zin van
deze wetten wordt beschouwd de vreemdeling die niet rechtmatig in
Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1
van de Vreemdelingenwet (Vw) en artikel 2 van de Zfw waarin is bepaald
dat vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf genieten in
de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1 van de Vw niet verzekerd zijn
ingevolge de Zfw.
Artikel 1b van de Vw luidt als volgt:
"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig
verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond
van toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf
houdt in strijd met de beperking op grond van een regeling krachtens het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen;
2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
3. in afwachting op een beslissing op een aanvraag om
toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge
deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van
de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is
besloten;
4. binnen de termijn bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits
voldaan is aan de daar omschreven voorwaarden;
5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan vastgesteld
bij beschikking ingevolge deze wet."
Voorts is in artikel 3 van de ZW, WAO, WW en Zfw bepaald dat bij
algemene maatregel van bestuur afgeweken kan worden van artikel 3, derde
lid, van de ZW, WAO en WW en van artikel 2 van de Zfw ten aanzien van,
onder meer, vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten,
dan wel hebben verricht. In de, onder meer, op deze artikelen gebaseerde
algemene maatregel van bestuur (Besluit uitbreiding en beperking kring
verzekerden werknemersverzekeringen 1990, hierna: het Besluit) is in
artikel 4a bepaald dat als werknemer in de zin van de
werknemersverzekeringen wordt beschouwd de vreemdeling die rechtmatig in
Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 2, 3,
4 en 5 Vw, indien hij in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen
(Wav) arbeid in dienstbetrekking verricht.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat er vanuit, dat
gedaagde ingevolge dit samenstel van Nederlandse nationale formele en
materiële rechtsregels op de in dit geding relevante datum 1 juli 1998,
niet verzekerd was ingevolge de werknemersverzekeringen, aangezien hij
in afwachting was van een beslissing op zijn beroepen tegen de weigering
hem een verblijfsvergunning te verlenen, welke beslissing hij in
Nederland mocht afwachten, en hij nimmer in overeenstemming met de Wav
arbeid in dienstbetrekking heeft verricht. De rechtmatigheid van zijn
verblijf in Nederland was daarmee gebaseerd op artikel 1b, aanhef en
onder 3 Vw, terwijl aan de voorwaarden van artikel 4a van het Besluit
niet was voldaan.
In hoger beroep is primair aan de orde de vraag of de uitsluiting van de
verzekering ingevolge de werknemersverzekeringen van een vreemdeling die
valt onder de werking van artikel 3, derde lid, van de ZW, WAO en WW en
artikel 2 van de Zfw en die niet verzekerd kan worden geacht op grond
van het Besluit, maar die nochtans rechtmatig in Nederland verblijft
omdat hij onder de categorie valt als omschreven in artikel 1b, aanhef
en onder 3 van de Vw, kan worden aangetast door de
non-discriminatiebepalingen als neergelegd in artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel door het
voorschrift van gelijke behandeling naar nationaliteit van artikel 3,
eerste lid, van Besluit 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije van 19
september 1980 (nader: Besluit 3/80).
De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daarbij heeft de
rechtbank overwogen dat "het hierboven weergegeven samenstel van
bepalingen (lees: van de koppelingswetgeving) een direct onderscheid
naar nationaliteit in het leven roept". Appellant heeft dit
bestreden en gesteld dat van een onderscheid naar verblijfsstatus moet
worden gesproken.
De Raad is, evenals in zijn heden gewezen uitspraken betreffende de
toepassing van de Koppelingswet in het kader van de Algemene
Kinderbijslagwet en de Algemene bijstandswet, van oordeel dat bij
wetgeving als de onderhavige, waarbij aan vreemdelingen onder bepaalde
voorwaarden rechten worden verleend, c.q. onthouden, welke aan
Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair
een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat als zodanig binnen
de werkingssfeer van artikel 26 IVBPR valt. Het gaat hier immers steeds
om de vraag onder welke omstandigheden en in welke mate het
gerechtvaardigd is een niet-Nederlander anders te behandelen dan een
Nederlander. Dat uit de toepassing van de regeling voortvloeit dat
bepaalde categorieën vreemdelingen niet anders worden behandeld dan
Nederlanders, doet niet af aan het nationaliteitgebonden karakter van
het onderscheid.
De koppelingswetgeving introduceert in de werknemersverzekeringen
ingaande 1 juli 1998, kort gezegd, het vereiste van een toegekende
verblijfstitel om als verzekerde te worden aangemerkt. Voor deze vorm
van onderscheid op zich (tussen Nederlanders en vreemdelingen met
verblijfstitel enerzijds en vreemdelingen zonder zodanige titel
anderzijds) acht de Raad een toereikende rechtvaardiging aanwezig.
Daarbij stelt de Raad voorop dat een staat, binnen de grenzen van zijn
verplichtingen die uit de op dit punt geldende supra- en internationale
regelingen voortvloeien, vrij is in het vaststellen van de voorwaarden
waaronder vreemdelingen tot zijn grondgebied worden toegelaten. Evenzeer
is aanvaardbaar dat gelegaliseerde toelating als vereiste geldt voor
deelname aan het stelsel van sociale verzekering, zoals in casu de
werknemersverzekeringen, welke immers kan worden gezien als een element
van de deelname aan het maatschappelijk leven van de staat tot welks
grondgebied de betrokkene wenst te worden toegelaten.
Hierbij sluit aan de doelstelling van de koppelingswetgeving zoals deze
in de wetsgeschiedenis is neergelegd, te weten het wegnemen van de
mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak
te maken op uitkeringen en verstrekkingen, hetgeen immers een aanzet kan
vormen tot de voortzetting van, in beginsel, wederrechtelijk verblijf en
uiteindelijk kan leiden tot een vorm van schijnlegaliteit wat de
verblijfspositie betreft; dit mede ter ondersteuning van een consistent
vreemdelingenbeleid, dat mede tot doel heeft degenen die geen toelating
verkrijgen het land te doen verlaten. Het uitgangspunt van de
koppelingswetgeving stuit wat zijn doelstelling en gehanteerd middel
betreft bij de Raad dan ook in het algemeen niet op bedenkingen.
Dit geldt ook voor de toepassing van het koppelingsbeginsel op de
categorie vreemdelingen als bedoeld onder 3 van artikel 1b van de Vw,
hierboven geciteerd. Ook binnen het hierboven omschreven kader is het
goed denkbaar, en onder zekere omstandigheden uit humanitaire
overwegingen wellicht geboden, dat een vreemdeling in staat wordt
gesteld de beslissing op zijn verzoek om toelating in Nederland af te
wachten, zonder dat noodzakelijkerwijs aan dat rechtmatige verblijf de
rechtsposities worden gekoppeld die aan een volkomen gelegaliseerd
verblijf zijn verbonden. De alsdan ontstane frictie tussen rechtmatig
verblijf en de belemmering om bestaansmiddelen te verwerven, kan worden
opgelost door op die situatie toegesneden maatregelen te treffen, zoals
bijvoorbeeld omschreven in artikel 8c Vw.
Uitgaande van de hierboven geschetste benadering ziet de Raad ook geen
plaats voor het oordeel dat de op 1 juli 1998 in werking getreden regels
in strijd zouden zijn met het voorschrift van gelijke behandeling naar
nationaliteit van Besluit 3/80, al aangenomen dat deze regeling van
toepassing zou zijn op niet door middel van een verblijfstitel
toegelaten Turkse onderdanen. Aan deze regeling op zich kunnen deze
onderdanen immers geen recht op verblijf ontlenen, en in de rechtspraak
van het Hof van Justitie van de EG vindt de Raad geen aanknopingspunten
voor het oordeel dat de in Nederland verblijvende Turk die enkel om
toelating heeft verzocht, reeds op die grond aanspraak op gelijke
behandeling met Nederlanders zou kunnen maken.
Thans mede in ogenschouw nemend de feiten en omstandigheden van het
onderhavige geding moet de Raad constateren dat de gerechtvaardigdheid
van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de
werknemersverzekeringen, in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen
waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt, maar
niet, althans in de visie van de Raad niet in toereikende mate, voor
diegenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling op reguliere
wijze hun verzekeringspositie hebben verworven.
Anders dan door appellant is betoogd, is de Raad van oordeel dat het
hier niet louter gaat om een overgangsrechtelijk punt, maar meent hij
dat bij de beoordeling of het onderhavige onderscheid gerechtvaardigd
is, mede in het licht van de hierboven - kort - geschetste motieven van de
wetgever, betekenis toekomt aan de feitelijke en juridische positie
waarin (een deel van) de groep die door de regeling wordt getroffen, ten
tijde van de inwerkingtreding van die regeling verkeert.
Ten aanzien van gedaagde moet aan de hand van de hiervoor vermelde
feitelijke gegevens worden vastgesteld dat hij, met passieve dan wel
actieve instemming van de Nederlandse overheid, in staat is gesteld een
zekere mate van inburgering te verwerven, in casu tot uiting komend in
het langdurig verrichten van werkzaamheden in loondienst hier te lande,
met daaraan verbonden de verzekering ingevolge de
werknemersverzekeringen, en zodanige sociale en economische banden met
Nederland dat hij als ingezetene aangemerkt moet worden. De gevolgen van
niet-gelegaliseerd verblijf welke de koppelingswetgeving bedoelt te
voorkomen, zijn hier reeds ingetreden, zodat hier van een in betekenend
opzicht andere situatie moet worden gesproken dan die de wetgever
kennelijk op het oog heeft gehad. Voorts blijkt uit de feiten van
rubriek I dat van een geschikt en noodzakelijk middel om het gestelde
doel te bereiken moeilijk kan worden gesproken, nu inmiddels aan
gedaagde juist op grond van de in het verleden opgebouwde positie alsnog
een verblijfstitel is verstrekt.
Naar het de Raad voorkomt, bestaat ten aanzien van gedaagde onvoldoende
grond om de verworven rechtspositie op andere wijze te beëindigen dan
als voorzien in artikel 1b sub 3 Vw, te weten eerst wanneer sprake is
van een (definitieve) negatieve beslissing op het verzoek om toelating.
De Raad merkt ten slotte op dat zijn oordeel niet anders zou luiden bij
toepasselijkheid van artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1, eerste
lid, van het Eerste Protocol bij dat Verdrag.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet kan
slagen en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden. Aan
een bespreking van de overige namens gedaagde in beroep en in hoger
beroep aangevoerde gronden komt de Raad derhalve niet meer toe.
De Raad acht voorts termen aanwezig appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep, te begroten op f 1.420,- aan
kosten van rechtsbijstand.
Ten slotte stelt de Raad vast dat van appellant een recht van f 675,-
geheven dient te worden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant tot betaling van de proceskosten van gedaagde in
hoger beroep ad f. 1.420,-;
Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van f. 675,--.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der
Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) J.J.B.
v an der Putten.
|
|