|
Uitspraak
98/5466
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[X.] B.V., gevestigd te [Y.], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet sociale
verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuw
Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij brief van 30 januari 1997 heeft gedaagde aan appellante bericht op
welke wijze het aantal loondagen voor de premieheffing ingevolge de
sociale werknemersverzekeringen van een bepaalde groep bij haar werkzame
werknemers dient te worden berekend. Onder dagtekening 11 februari 1997
heeft gedaagde overeenkomstig haar zienswijze de afrekeningsnota over
1996 vastgesteld. Appellante heeft het zowel tegen de brief van 30
januari 1997 als tegen de premienota van 11 februari 1997 gemaakte
bezwaar, ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van 30 juli 1997.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 10 juni
1998 het namens appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit
gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voorzover appellante het
bezwaar van appellante tegen de brief van 10 januari 1997 ontvankelijk
heeft verklaard onder alsnog niet-ontvankelijkverklaring van appellante
in haar bezwaar tegen die brief. Voor het overige heeft de rechtbank het
beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft gelast dat gedaagde het griffierecht aan appellante
vergoedt en voorts heeft de rechtbank gedaagde veroordeeld in de
proceskosten van appellante.
In een aanvullend beroepschrift van 11 januari 1999, heeft mr. R.
Mulder, advocaat te Haarlem, als gemachtigde van appellante uiteengezet,
waarom appellante zich niet met de aangevallen uitspraak kan verenigen.
Gedaagde heeft onder dagtekening 5 februari 1999 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21
september 2000, waar voor appellante is verschenen mr. Mulder,
voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
T.E.D.M. Zijlmans, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
De Raad heeft het onderzoek heropend, op de grond dat het onderzoek niet
volledig is geweest.
Desverzocht heeft gedaagde bij brief van 2 februari 2001 een aantal
vragen van de kant van de Raad beantwoord.
Mr. Mulder voornoemd heeft hierop bij brief van 14 februari 2001
gereageerd.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19
april 2001. Appellante is daar verschenen bij haar gemachtigde mr.
Mulder, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. M.P. Romijn, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Appellante drijft blijkens het tot de gedingstukken behorende uittreksel
uit het handelsregister een onderneming die zich bezig houdt met het
aannemen en uitvoeren van werken op het gebied van industriële
dienstverlening, inclusief personeel en gereedschappen, in het bijzonder
aan ondernemingen welke zich bezighouden met de winning van delfstoffen.
Appellante heeft zich in 1996 tot gedaagde gewend met het verzoek een
besluit te nemen over het door haar in aanmerking te nemen aantal
loondagen voor werknemers die offshore en onshore werken op 14
aaneengesloten dagen per 4 weken en die op die dagen 12 uren werken en
12 uren rusten, terwijl de loonbetaling eens per 4 weken plaatsvindt.
Bij brief van 30 januari 1997 heeft gedaagde kennisgegeven van haar
besluit dat het aantal loondagen voor de premieheffing
werknemersverzekeringen ingevolge artikel 9, vijfde lid , van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) juncto artikel 9, zesde lid aanhef en onder b,
van de CSV op 20 dient te worden vastgesteld.
In aansluiting op en in overeenstemming met dit standpunt heeft gedaagde
de afrekeningsnota over 1996 d.d. 11 februari 1997 vastgesteld. Hiertoe
is in het bestreden besluit, na bezwaar tegen zowel gedaagdes brief van
30 januari 1997 als tegen voormelde afrekeningsnota, overwogen dat in
dit soort situaties sprake is van een bestendig arbeidspatroon, waarin
uitsluitend als gevolg van ploegendienst in bepaalde weken minder dan
vijf dagen per week wordt gewerkt, waarbij er dan ook van moet worden
uitgegaan dat de aan de in ploegendienst werkzame werknemers verrichte
loonbetalingen betrekking hebben op alle dagen in het
loonbetalingstijdvak, ongeacht of op alle dagen daadwerkelijk is
gewerkt.
De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde het bezwaar van appellante
tegen de brief van 30 januari 1997 ten onrechte ontvankelijk heeft
verklaard, op de grond dat geen sprake is van een besluit in de zin van
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten aanzien van het
materiële punt van geschil heeft de rechtbank het beroep ongegrond
verklaard, waartoe het standpunt van gedaagde is onderschreven, mede
onder verwijzing naar de regelgeving in de Nadere regelen maximumdagloon
en franchise WAO, zoals deze ten tijde hier van belang gold.
De Raad dient in het onderhavige geding primair de vraag te beantwoorden
of de rechtbank de brief van gedaagde van 30 januari 1997 terecht niet
als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb heeft aangemerkt.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Gedaagde heeft in voormelde
brief namelijk een standpunt ingenomen met betrekking tot de vraag
hoeveel loondagen in de onderhavige situatie in aanmerking moeten worden
genomen. Dit standpunt was definitief en anders dan de rechtbank heeft
geoordeeld wel gericht op rechtsgevolg, in die zin dat gedaagde de
inhouding en heffing van de premies werknemersverzekeringen voor de
onderhavige groep werknemers diende te doen plaatsvinden als door
gedaagde aangegeven.
Aangaande het materiële punt van geschil overweegt de Raad het
volgende.
Artikel 9, eerste lid, van de CSV, voorzover hier van belang luidt als
volgt:
'Bij de berekening van het loon, waarnaar de premies ingevolge de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet worden
geheven, blijft het loon, dat bij dezelfde werkgever meer heeft bedragen
dan het bedrag, dat wordt verkregen door vermenigvuldiging van een
bedrag van f…. met het aantal dagen van het premiebetalingstijdvak,
waarover de werknemer loon heeft genoten, voor dat meerdere buiten
aanmerking gelaten'.
Aan de orde is derhalve primair de vraag wat verstaan moet worden onder
'het aantal dagen ……….., waarover de werknemer loon heeft
genoten'.
Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld, de Raad verwijst hiertoe
naar zijn uitspraken van 15 maart 1976, RSV 1976/219 en 6 december 1985,
RSV 1986/162, kunnen de onderhavige woorden geen andere betekenis hebben
dan 'dagen waarop de werknemer tegen loon heeft gewerkt'.
De omstandigheid dat de onderhavige groep werknemers een loon genieten,
dat zoals van de kant van gedaagde is gesteld ook betrekking heeft op de
weken waarin niet wordt gewerkt, kan hieraan niet afdoen. In dit verband
gaat de verwijzing naar 's Raads uitspraak van 24 december 1985, RSV
1986/124 niet op, nu in deze uitspraak een andere rechtsvraag, namelijk
een vraag van verzekeringsplicht aan de orde was en niet een de
premieheffing betreffende.
Het standpunt van gedaagde dat artikel 9, vijfde lid, van de CSV noopt
tot zijn standpunt gaat naar het oordeel van de Raad niet op. De Raad is
van oordeel dat bedoeld artikellid gezien moet worden vanuit de
systematiek van premieheffing zoals die is neergelegd in het eerste lid
van artikel 9 CSV, namelijk een systeem van premieheffing per gewerkte
dag. Tegen die achtergrond en de omstandigheid dat het zich bij
ploegendienst kan voordoen dat op meer dan 5 dagen per week wordt
gewerkt, dient naar het oordeel van de Raad het vijfde lid en ook het
zesde lid aanhef en onder b, van de CSV geïnterpreteerd te worden. Dit
betekent dat die bepalingen in het bijzonder ten doel hebben om het
aantal loon- en derhalve ook werkdagen af te toppen tot op 5, terwijl
het loon dan aan maximaal 5 dagen kan worden toegerekend.
Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit een deugdelijke
grondslag ontbeert en wegens strijd met de wet voor vernietiging in
aanmerking komt.
Ook de aangevallen uitspraak kan het gelet op het vorenstaande niet in
stand blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 2.130,-- voor verleende
rechtsbijstand.
De Raad stelt tot slot vast dat het door appellante zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 1.420,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot
f 2.130,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 1.050,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr.
L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|