|
Uitspraak
99/4482
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], te [B.], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Haven- en aanverwante bedrijven,
Binnenscheepvaart en Visserij. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 17 maart 1997 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 2 juli 1996, waarbij
appellant ter zake van de werkzaamheden welke hij als scheepskapitein
voor [X.] B.V. heeft verricht, verplicht verzekerd is geacht ingevolge
de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW), de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en, voorzover van toepassing, de
Ziekenfondswet (Zfw).
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 7 juli
1999 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 25 oktober 1999, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 mei 2001,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. van
Dam voornoemd als zijn raadsvrouw en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. R.P. Bourne, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Appellant heeft zich als voormalige kapitein op de grote vaart in 1983
als zelfstandig ondernemer met een eenmanszaak te land gevestigd om niet
langer alleen van de scheepvaart afhankelijk te zijn. In dat kader heeft
hij opdrachten aanvaard van binnenlandse en buitenlandse ondernemingen.
In de loop van de jaren tachtig is hij ook een eigen sleepboot gaan
exploiteren. In de eerste helft van de jaren negentig is hij tevens
medevennoot van een vennootschap onder firma geweest, waarvoor hij als
kapitein op een schip zou gaan varen, maar dit is uiteindelijk niet
gelukt. Tegen 1994 is hij niet zonder succes een eigen praktijk voor
psychotherapie en communicatietrainingen begonnen, waarvoor hij de
nodige investeringen in praktijkruimte e.d. heeft gedaan en workshops is
gaan organiseren. Daarnaast is appellant in het verlengde van zijn
kapiteinswerkzaamheden als nautisch technisch adviseur gaan werken.
Aanvullend doch in afnemende mate is hij zijn inkomsten blijven
betrekken uit de zeevaart. Als zodanig is hij op gezette tijden voor
circa 12 weken per jaar vanaf 1993 als kapitein gaan varen voor [X.].
Bij een reguliere looncontrole heeft gedaagde ter zake van de laatste
arbeid verzekeringsplicht van appellant geconstateerd en zulks met
betrekking tot de periode vanaf 1 januari 1993 op grond van artikel 3
van de sociale werknemersverzekeringswetten verankerd in het bestreden
besluit op bezwaar van 17 maart 1997.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich op het standpunt
gesteld dat wanneer appellant bij aanvaarding en uitvoering van een
specifieke opdracht als kapitein voor [X.] gedurende circa 12 weken per
jaar op een van zijn schepen voer hij in een gezagsrelatie werkzaam is
geweest en, waar het overigens om persoonlijke arbeid als deskundig
gezagvoerder met de vereiste papieren en kennis ging en hiervoor een
dagtarief met reiskosten werd vergoed, hij artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten op zich van toepassing heeft doen worden.
De rechtbank heeft daarbij als zijn oordeel uitgesproken dat de
omstandigheid dat op basis van de bepalingen van het Wetboek van
Koophandel een stilzwijgend overeengekomen privaatrechtelijke
dienstbetrekking nietig is omdat deze rechtshandeling niet in de
voorgeschreven vorm is verricht, niet eraan in de weg staat om in het
kader van artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten niettemin
verzekeringsplicht aan te nemen, waar de tekst van dit artikel niet tot
de uitleg dwingt dat het gevolg van die nietigheid in het kader van de
verzekeringsplicht aan het uitvoeringsorgaan kan worden tegengeworpen.
In hoger beroep heeft appellants gemachtigde andermaal een beroep gedaan
op het bepaalde in artikel 376, eerste lid, van het Wetboek van
Koophandel, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst tussen reder en
kapitein op straffe van nietigheid schriftelijk moet worden aangegaan.
Daarbij is een beroep gedaan op een uitspraak van deze Raad van 15
oktober 1968, WW 1967/36, RSV 1968/208, waarin is geoordeeld dat nu de
onderwerpelijke overeenkomst mondeling is gesloten, niet kan worden
gezegd dat de kapitein zijn werkzaamheden als uitvloeisel van een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht heeft verricht. Daarbij heeft
appellants gemachtigde beklemtoond dat het te ver gaat om een
overeenkomst welke civielrechtelijk nietig is, bestuursrechtelijk voor
de toepassing van de sociale werknemersverzekeringswetten als bestaande
privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst en dienstbetrekking aan te
merken. Daarenboven is in geschrift en ter zitting door appellant zelf
nader uiteengezet dat de kapitein in alles de baas op het schip is en
dat dit ook in feite geldt wanneer de reder aan boord komt, weshalve
alsdan van een gezagsrelatie van deze tot de kapitein geen sprake is.
Bezien in het totaal van zijn werkzaamheden moet appellant overigens in
elk opzicht als zelfstandig ondernemer worden beschouwd.
Gedaagde is hiertegen een benadering enkel vanuit artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten blijven benadrukken, aan de hand
van een analyse van de feitelijke arbeidssituatie tussen reder/werkgever
en kapitein/appellant voor circa 12 weken per jaar, waarbij er geen
verschil zou bestaan met een kapitein die in loondienst werkzaam is
aangezien betrokkene ook als oproepkracht gevolg moest geven aan een op
gezag gebaseerde vaaropdracht.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt vast dat in casu metterdaad de specifieke arbeidsrelatie
aan de orde is tussen zeewerkgever en kapitein, waaromtrent in art. 376
van het Wetboek van Koophandel dwingend is voorgeschreven dat de
arbeidsovereenkomst tussen die partijen op straffe van nietigheid
schriftelijk moet worden aangegaan. Blijkens art. 375 prevaleren de
bepalingen van dit Wetboek inzake de arbeidsovereenkomst tussen
zeewerkgever en kapitein bij afwijking ook boven die van het Burgerlijk
Wetboek, en kunnen blijkens artikel 392 partijen eveneens bij
overeenkomst niet afwijken van het bepaalde in artikel 376 van
meerbedoeld Wetboek.
De Raad is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden, ook in het
kader van de toepassing van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten, doorslaggevend derogerend gewicht moet
worden toegekend aan de speciale, nauw omschreven dwingende regeling
voor de totstandkoming van de onderhavige specifieke arbeidsrelatie in
het Wetboek van Koophandel, waaraan ook bij eerdere uitspraak van deze
Raad van 15 oktober 1968, WW 1967/36, RSV 1968, nr. 208 beslissende
betekenis is gehecht.
Zulks brengt mee, dat, nu naar tussen partijen en voor de rechter
vaststaat dat de onderwerpelijke overeenkomst tussen reder en appellant
als kapitein niet schriftelijk, doch mondeling is gesloten, appellant
zijn arbeid als kapitein voor [X.] als zodanig niet geacht kan worden te
hebben verricht als uitvloeisel van een geldige arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht.
Voor een separate toepassing van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten vanuit de feitelijke arbeidssituatie, onder
voorbijzien aan de genoemde speciale regeling van het Wetboek van
Koophandel, acht de Raad, anders dan gedaagde en de rechtbank, in casu
geen toereikende rechtsgrond aanwezig in het licht van de door de
formele wetgever te dezen voorziene duidelijke afbakening tussen
toepasselijke publiek- en privaatrechtelijke regelingen, waarbij de
laatste exclusief de - niet - totstandkoming van de onderhavige
specifieke arbeidsrelatie zonder enig concreet aanknopingspunt voor het
tegendeel regelt.
Op grond van het vorenoverwogene kunnen de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit van gedaagde geen stand houden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep, met name voor verleende
rechtsbijstand, zoals hierna is aangegeven.
De Raad stelt tenslotte vast dat het door appellante in beroep en in
hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden
vergoed.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag van in totaal f 2.840,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht ten bedrage van in
totaal f 225,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.F.M. Brenninkmeijer als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|