|
Uitspraak
99/6021
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], handelend onder de naam [X.], wonende te [B.], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 november 1997 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen de weigering hem een
zelfstandigheidsverklaring te verstrekken.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 18
oktober 1999 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep
gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat deze uitspraak in
de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval
inhoudt dat het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard,
gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant en bepaald dat
gedaagde het door appellant betaalde griffierecht vergoedt.
Appellant is bij gemachtigde mr. H. Bedee, advocaat te Barendrecht, op
bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in
hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 19 juni 2000, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 juni
2001, waar voor appellant is verschenen mr. W. Hovingh, advocaat te Barendrecht, en waar voor gedaagde is
verschenen mr. J.M. van Bezu, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat hij in navolging van het door partijen in
eerste aanleg ingenomen standpunt daarover en in navolging van de
rechtbank het bestreden besluit van 4 november 1997 opvat op een wijze
als hiervoor vermeld.
Hiervan uitgaande moet in hoger beroep de vraag worden beantwoord of de
rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld, dat een
zelfstandigheidsverklaring, als waarom appellant heeft verzocht, geen
besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) en deswege gedaagde appellant niet-ontvankelijk had
moeten verklaren in zijn bezwaren tegen de weigering de gevraagde
verklaring af te geven.
Appellant heeft verzocht om afgifte van een zelfstandigheidsverklaring,
nadat zijn werkzaamheden ten behoeve van [Y.] B.V. h/o [Z.] te [B.] als
weger en controleur in de [C.] haven waren aangemerkt als werkzaamheden
waarop artikel 5 van de sociale werknemersverzekeringswetten in
samenhang met artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986,
Stb.655, ziet. In plaats van het indienen van een bezwaarschrift tegen
het hierop betrekking hebbende besluit van gedaagde, heeft appellant
gedaagde verzocht om uitgaande van vijf door hem in zijn verzoek
genoemde omstandigheden te verklaren dat hij als zelfstandige dient te
worden aangemerkt.
Gedaagde heeft hierop afwijzend gereageerd, omdat de beoordeling of er
sprake is van en verzekeringsplichtige arbeidsrelatie uitsluitend kan
worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden waaronder
in een concrete arbeidsrelatie wordt gewerkt. Daarbij heeft gedaagde er
ook op gewezen dat voor het aannemen van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten in beginsel niet relevant is of iemand als
zelfstandige kan worden beschouwd.
Als vermeld is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat te dezen geen
sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de
Awb. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat een
zelfstandigheidsverklaring als waarom verzocht, niet kan worden
aangemerkt als een beslissing die rechten en/of plichten tussen
appellant en gedaagde doet ontstaan dan wel wijzigt. Tussen appellant en
gedaagde kunnen immers pas daadwerkelijk rechten en/of plichten jegens
elkaar ontstaan indien appellant verzekeringsplichtige werkzaamheden
gaat verrichten. Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank gezegd
worden dat het bestaan van rechten en/of plichten bindend wordt
vastgesteld. Van een dergelijke vaststelling kan slechts sprake zijn in
een concrete arbeidsrelatie omdat de feitelijke situatie waaronder wordt
gewerkt bepalend is voor de vraag of al dan niet sprake is van een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht dan wel een daarmee
gelijkgestelde arbeidsverhouding. Naar het oordeel van de rechtbank kan
een zelfstandigheidsverklaring ook niet op één lijn worden gesteld met
rechtvaststellingsbesluiten, omdat daarbij op grond van feitelijke
omstandigheden, terwijl nog geen sprake is van een uitkeringssituatie,
een definitieve vaststelling plaatsvindt ten aanzien van het al dan niet
verzekerd zijn in een concrete arbeidsrelatie die reeds enige tijd heeft
geduurd.
De Raad volgt de rechtbank in het oordeel waartoe zij is gekomen.
Verplichte verzekering op grond van de sociale
werknemersverzekeringswetten ontstaat van rechtswege, indien er sprake
is van een arbeidsrelatie als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5 van
deze wetten. Behoudens bijzondere gevallen brengt deze verzekering
tevens mee de plicht voor de opdracht/werkgever om hiervoor premies in
te houden. Het ontstaan van rechtswege van de verplichte verzekering
betekent dat een zelfstandigheidsverklaring, als waarom appellant heeft
verzocht, niet kan mee brengen dat ten aanzien van hem hiervan geen
sprake zal zijn als hij werkzaamheden gaat verrichten, en deze
verklaring evenmin kan mee brengen dat een eventuele
opdrachtgever/werkgever van hem ontheven is van de uit de verplichte
verzekering voortvloeiende premieplicht. In zoverre heeft de rechtbank
dan ook terecht geoordeeld dat pas in een concrete arbeidsrelatie valt
te beoordelen of er sprake is van verplichte verzekering. In het kader
van de verplichte verzekering van rechtswege kan derhalve aan een
zelfstandigheidverklaring los van een concrete arbeidsrelatie rechtens
geen betekenis worden toegekend. Dit zou slechts anders zijn indien de
wet zou voorzien in de mogelijkheid om voorafgaande aan een concrete
arbeidsrelatie al dan niet met betrekking tot bepaalde werkzaamheden,
een zelfstandigheidsverklaring af te geven. Daarvan is thans nog geen
sprake.
Aan een zelfstandigheidsverklaring komt wel betekenis toe in die
gevallen waarin gedaagde met betrekking tot bepaalde branches beleid
heeft ontwikkeld, veelal vastgelegd in convenanten, inhoudende dat onder
omstandigheden van premieheffing wordt afgezien. De Raad wijst hierbij
op zijn uitspraak van 22 februari 2001, RSV 2001/83. De door appellant
gevraagde verklaring betreft evenwel niet een verklaring als evenbedoeld.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege
de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van N.J.
Stolten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) N.J. Stolten.
|
|