|
Uitspraak
99/5538
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[X.] B.V., gevestigd te [Y.], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is mr. M.C. van Rijn, advocaat te Utrecht, op bij
aanvullend beroepschrift van 25 januari 2000 aangevoerde gronden, bij de
Raad in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te
Utrecht onder dagtekening 28 september 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Van de kant van gedaagde is bij schrijven van 2 mei 2000 een
verweerschrift ingediend.
Bij brief van 2 mei 2001 heeft mr. J.H. Vegter, kantoorgenoot van mr.
Van Rijn, voornoemd, een aantal stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 mei
2001. Daar heeft appellante zich doen vertegenwoordigen door mr. Vegter
voornoemd, terwijl gedaagde is verschenen bij zijn gemachtigde mr. P.G.J.
Reurings, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Appellante exploiteert een horecabedrijf en verstrekte blijkens de
gedingstukken kledingvergoedingen aan haar werknemers op declaratiebasis
teneinde per jaar twee blauwe broeken of rokken, alsmede vier witte
overhemden of blouses aan te schaffen, waarvan appellante het
noodzakelijk vindt dat deze kledingstukken tijdens het werk worden
gedragen. Deze vergoedingen bedroegen maximaal f 300,-- per jaar voor de
mannelijke werknemers en f 330,-- voor de vrouwelijke werknemers.
Gedaagde heeft onder dagtekening 14 augustus 1997 besluiten bevattende
correctienota's voor de premieheffing ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten genomen voor de jaren 1992 tot en met 1996,
zich hierbij op het standpunt stellend dat deze vergoedingen tot het
premieloon behoren, omdat geen sprake is van werkkleding. Tevens is,
omdat de kledingvergoedingen niet in de loonadministratie waren
verantwoord als loon, een eerste verzuim geregistreerd. Bij het
bestreden besluit van 25 mei 1998 heeft gedaagde zijn standpunt
onverkort gehandhaafd, onder ongegrondverklaring van appellantes
bezwaar.
De rechtbank heeft - kort samengevat - onder verwijzing naar de
relevante wet - en regelgeving, waarvan in het bijzonder artikel 1,
aanhef en onder c, van het Besluit Vergoedingen voor gemengde kosten van
22 december 1989 (Stcrt. 1989, 252) en de hierbij behorende toelichting,
alsmede onder verwijzing naar artikel 15 van de Wet op de Loonbelasting,
zoals dit op 1 januari 1997 is komen te luiden, geoordeeld dat de
onderhavige kleding, te weten de combinatie van een blauwe broek met wit
overhemd, dan wel een blauwe broek of rok met een witte blouse, zeer wel
buiten werktijd in het dagelijkse leven kan worden gedragen, zonder dat
de drager als geüniformeerd opvalt, waarbij de rechtbank dit temeer
vond gelden nu de werknemers - binnen zekere grenzen - de vrijheid
hadden bij de keuze van het model. Van loon in natura is door de
rechtbank geen sprake geacht. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel werd
door de rechtbank verworpen, terwijl ook de verzuimregistratie de
rechterlijke toetsing kon doorstaan.
In hoger beroep heeft appellante zich primair op het standpunt gesteld
dat sprake is van de verstrekking van loon in natura, hetgeen in dit
geval niet tot premieheffing dient te leiden. Subsidiair heeft
appellante haar betoog gehandhaafd dat sprake is van een
onkostenvergoeding die niet tot het premieloon behoort. Ook het beroep
op het gelijkheidsbeginsel is in hoger beroep herhaald. Tenslotte is een
beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan.
Gedaagde heeft volhard in haar zienswijze dat geen sprake is van loon in
natura, doch van een tot het premieloon behorende kostenvergoeding,
terwijl schending van het gelijkheidsbeginsel zich niet voordoet.
De Raad overweegt als volgt.
Allereerst dient de Raad de vraag te beantwoorden of appellante terecht
en op goede gronden stelt dat sprake is van verstrekking van loon in
natura.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat die vraag ontkennend
beantwoord dient te worden. Appellante betaalde aan haar werknemers een
bedrag in geld ter vergoeding van de aanschaf van kleding die tijdens
het werk gedragen dient te worden. Hetgeen van de kant van appellante te
dien aanzien is aangevoerd om aan te geven dat materieel gesproken
sprake is van loon in natura kan hieraan niet afdoen. Hetgeen appellante
ter zake verder heeft aangevoerd kan derhalve buiten bespreking blijven.
Vervolgens ligt de vraag voor of gedaagde de verstrekte
kostenvergoedingen terecht tot het premieloon heeft gerekend.
Met de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Kleding valt
uitsluitend als werkkleding aan te merken indien deze uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het verwerven van loon te dragen
of is voorzien van zodanige kenmerken dat daaruit blijkt dat deze
bestemd is om bij het verwerven van loon te dragen. Van de onderhavige
kleding kan dit naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden. De
stelling dat de werknemers de aangeschafte kleding niet buiten het werk
zouden dragen, kan hieraan niet afdoen. In dit verband acht de Raad de
van de kant van appellante ter zitting geponeerde stelling dat de
werknemers de kleding niet mee naar huis mochten nemen als tardief
ingebracht, nog daargelaten welke gevolgen hieraan verbonden zouden
moeten worden.
Het in hoger beroep herhaalde beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt
evenzeer. De gevallen waarop appellante zich beroept, zijn niet gelijk.
De kleding van beroepssporters, trainers en leraren lichamelijke
opvoeding is reeds niet te vergelijken met de door appellante vergoede
kleding, omdat het in casu om kleding gaat die ook buiten het werk
gedragen kan worden, zonder dat dit buiten het algemeen gebruikelijke
kledingspatroon valt.
Ook de stelling dat gedaagde het vertrouwensbeginsel heeft geschonden
door niet eerder te wijzen op de mogelijke consequenties van de
verstrekking van de onderhavige kostenvergoeding kan niet tot het door
appellante beoogde resultaat leiden. Vaste jurisprudentie van de Raad
laat zien dat een dergelijk beroep slechts kan slagen indien van de kant
van gedaagde ondubbelzinnige schriftelijke uitlatingen zijn gedaan ten
aanzien van de kledingvergoedingen, die inhouden dat deze vergoedingen
niet tot het premieloon behoren. Dat is evenwel noch gesteld noch
gebleken.
Ook overigens ziet de Raad geen aanknopingspunten om het bestreden
besluit niet in stand te laten.
De Raad ziet, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, en beslist als
volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G.J. van Muijen als leden, in tegenwoordigheid van N.J.
Stolten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) N.J. Stolten.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7, en 8 van die
wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|