|
Uitspraak
99/3189
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [B.], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische
Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Namens appellante is, mr. D.J. de Korte Fb, werkzaam bij WEA
Belastingsadviseurs Zeeland, op bij aanvullend beroepschrift (met
bijlage) van 13 juli 1999 aangegeven gronden bij de Raad in hoger beroep
gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg onder
dagtekening 20 mei 1999 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij brief van 16 december 1999 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 augustus
2001, waar namens appellante is verschenen mr. De Korte, voornoemd.
Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid laten vertegenwoordigen door mr.
H.C.F. Bollen, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de
volgende feiten en omstandigheden.
Appellante exploiteert een fruitteelt- en akkerbouwbedrijf. In het kader
van het plukken van het fruit heeft appellante in de jaren 1991 en 1992
in de maand oktober gebruik gemaakt van de diensten [X.] (hierna: [X.]).
Appellante was ten tijde in geding met [X.] overeengekomen dat hij met
een ploeg arbeiders op een overeengekomen tijdstip in de boomgaard van
appellante zou verschijnen teneinde het fruit te plukken. Terzake van
deze werkzaamheden heeft [X.] onder de aanduiding "voor U verricht
loonwerk" aan appellante in het jaar 1991 een bedrag van f
16.331,-- en in het jaar 1992 een bedrag van f 9.956,-- gefactureerd.
Deze bedragen waren afgestemd op de aard en omvang van de verrichte
werkzaamheden.
Gedaagde heeft bij besluit op bezwaar van 16 augustus 1995 de
arbeidsverhouding tussen enerzijds [X.] en zijn ploeg arbeiders en
anderzijds appellante aangemerkt als een privaatrechtelijke
dienstbetrekking, die verplichte verzekering ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten meebrengt en waardoor appellante uit dien
hoofde over de betalingen verricht aan [X.] premies verschuldigd is.
Gedaagde heeft bij het bestreden besluit de betalingen die appellante
aan [X.] heeft gedaan, gebruteerd.
De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak het beroep tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank
overwogen dat [X.] en de zijnen gelet op de aard van de werkzaamheden
zich hadden te gedragen naar de instructies, hoe eenvoudig ook, die
appellante aan hen had gegeven. Het feit dat de samenstelling van de
werkploeg wisselde, door niet aan een verzoek om te werken gehoor te
geven, doet aan het bestaan van een dienstbetrekking niet af. Voorts
heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde op juist gronden heeft
gebruteerd.
In hoger beroep wordt namens appellante aangevoerd dat tijdens de
behandeling van de bezwaarschriftprocedure appellante nimmer gehoord is,
zodat om deze reden het besluit van gedaagde reeds vernietigd dient te
worden.
Voorts is betwist dat er sprake was van een dienstbetrekking. De
rechtbank gaat volledig voorbij aan het feit dat tussen appellante en [X.]
een overeenkomst is gesloten, waarbij [X.] met hulp van een werkploeg
voor de pluk bij appellante zou zorgdragen. Het resultaat was hierbij
maatgevend. Afgesproken was slechts dat de pluk binnen bepaalde weken
zou plaatsvinden. Instructies werden door [X.] gegeven en de voortgang
werd door hem gecontroleerd. Aan [X.] vond de betaling op grond van de
door hem opgemaakte en verstrekte facturen plaats. Hij zorgde op zijn
beurt voor de betaling aan de arbeiders. Voorts regelde [X.] het vervoer
van en naar de werkplek bij appellante. Gelet op deze feiten en
omstandigheden kan niet gesproken worden van werkgeversgezag, aangezien
appellante geen instructies gaf, noch controle uitoefende.
Het gaat in dit geding primair om de vraag of [X.] met zijn werkploeg
die in de jaren 1991 en 1992 voor appellante werkzaam zijn geweest, deze
plukwerkzaamheden hebben verricht op basis van een arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht, zodat zij verplicht verzekerd waren ingevolge
artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en dat appellante
uit dien hoofde premies ingevolge die wetten verschuldigd was.
De Raad is met de rechtbank van oordeel, dat bovenvermelde vraag
bevestigend moet worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt.
Ten aanzien van de grief dat appellante tijdens de
bezwaarschriftprocedure niet is gehoord en dat reeds hierom het besluit
vernietigd dient te worden, wijst de Raad op artikel 18a van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (hierna: CSV). In dit artikel is bepaald dat in
afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
de belanghebbende in een bezwaarschriftprocedure ten aanzien van een
besluit ingevolge deze wet, gehoord wordt op zijn verzoek. Gelet op het
bestreden besluit concludeert de Raad dat het bestreden besluit een
besluit is in de zin van artikel 11 van de CSV, zodat artikel 18a van de
CSV in dit geval van toepassing is. Uit de gedingstukken, met name
gedaagdes brief van 24 april 1995 aan appellante, is gebleken dat
appellante erop is gewezen dat tijdens de bezwaarschriftprocedure de
mogelijkheid bestond tot het houden van een hoorzitting indien
appellante daar prijs op stelde. Appellante diende hiertoe een verzoek
dat een hoorzitting wenselijk werd geacht bij gedaagde in te dienen.
Blijkens het vorenstaande is de Raad van oordeel dat door gedaagde
overeenkomstig de van toepassing zijnde bepalingen is gehandeld en dat,
nu daartoe van de zijde van appellante geen verzoek is gekomen, door
gedaagde op juiste wijze de bezwaarschriftprocedure is afgehandeld,
zonder dat er een hoorzitting heeft plaatsgevonden.
Het vorenstaande leidt er toe dat deze grief niet kan slagen.
Met betrekking tot de verzekeringsplicht van [X.] en de werkploeg en de
daaruit voortvloeiende plicht van appellante om premies af te dragen
overweegt de Raad als volgt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval
sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van [X.] en de
arbeiders, met appellante. In dit verband wijst de Raad op de ten
aanzien van gelegenheidsarbeid gevormde jurisprudentie, waaruit blijkt
dat van belang is dat het werk van de gelegenheidsarbeiders een vast en
wezenlijk onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering. De Raad
is van oordeel dat dit bij appellante het geval is. Immers, appellante
heeft een fruitteeltbedrijf waarbij appellante in de jaren 1991 en 1992,
in ongeveer dezelfde periode, gebruik heeft gemaakt van de diensten van
gelegenheidsarbeiders, zijnde [X.] en een ploeg arbeiders, teneinde zorg
te dragen voor de oogst van het fruit. Zij dienden de plukwerkzaamheden
te verrichten in een daartoe van tevoren afgesproken periode tegen een
vooraf vastgesteld uurloon. Hoewel instructies tijdens de uitvoering van
de werkzaamheden, vanwege het feit dat deze eenvoudig van aard waren,
niet direct noodzakelijk waren, zijn deze instructies tevoren via [X.]
aan de arbeiders gegeven. Overigens is volgens vaste jurisprudentie van
de Raad het niet noodzakelijk dat er aanwijzingen gegeven worden, maar
dat de mogelijkheid bestaat om deze te geven. De Raad acht deze
mogelijkheid aanwezig. Immers, appellante had aan en via [X.] deze
kunnen geven, dan wel had appellante, zoals ter zitting ook is
aangegeven, deze elke dag kunnen geven bij oplevering van het fruit,
waarbij tevens de voortgang van de werkzaamheden tussen appellante en [X.]
werd besproken. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de
mogelijkheid tot het geven van aanwijzingen met het oog op de aard en
het belang van de werkzaamheden, aanwezig was. Het feit dat appellante
de samenstelling van de ploeg arbeiders niet kende noch daar enig zicht
op had, doet aan het vorenstaande niet af.
Het werk van [X.] en de arbeiders vormt derhalve een vast en wezenlijk
onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering van appellante.
Tevens staat vast dat sprake is geweest van betaling van loon als
tegenprestatie voor de verrichte diensten en van persoonlijke
dienstverrichting.
Alles overziende, dient onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel
van de Raad in casu het bestaan van werkgeversgezag te worden aangenomen
en wordt daarmede aan alle eisen leidende tot een arbeidsovereenkomst en
verzekeringsplicht op basis van artikel 3 van de desbetreffende wetten
voor de jaren 1991 en 1992 voldaan, zodat gedaagde zich terecht op het
standpunt heeft gesteld dat sprake is van premieplichtige arbeid.
Gedaagde was dan ook bevoegd tot premievaststelling over de jaren 1991
en 1992 over te gaan.
Inzake de toepassing van het anoniementarief deelt de Raad het oordeel
van de rechtbank. De Hoge Raad heeft in het arrest van 5 februari 1997,
nr. 291, gepubliceerd in RSV 1997/173, geoordeeld dat dit tarief ook in
het kader van de vaststelling van de premie werknemersverzekeringen
toegepast dient te worden, uiteraard slechts dan indien de
omstandigheden daartoe nopen. Aangezien uit de gedingstukken naar voren
komt dat appellante de personen van de arbeiders niet kende en daarvan
geen administratie heeft bijgehouden, is de Raad van oordeel dat
appellante betalingen heeft gedaan aan (anonieme) arbeiders onder
omstandigheden die verhaal op de arbeiders van de ten onrechte
achterwege gebleven inhoudingen bij voorbaat uitsluiten. Derhalve is
gedaagde terecht tot brutering met het anoniementarief overgegaan.
Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr.
L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober
2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|