|
Uitspraak
99/4412
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[X.] B.V., gevestigd te [Y.], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is mr. J.F. van Duin, advocaat te Ridderkerk, op bij
beroepschrift van 18 augustus 1999 (met bijlagen) aangevoerde gronden
bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 2 juli 1999
tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.
Gedaagde heeft op 8 december 1999 een verweerschrift (met bijlagen)
ingediend.
Bij schrijven van 10 september 2001 heeft appellante nadere stukken de
Raad doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20
september 2001, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. Van Duin, voornoemd, en [A.], directeur van appellante. Gedaagde
heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij
Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak waarin appellante is aangeduid als eiseres
en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad het volgende:
"Bij managementovereenkomst d.d. 4 januari 1993 heeft B.V. [Z.],
gevestigd te [Y.], (hierna: [Z.] B.V.) zich verbonden om managementtaken
te verrichten voor onder [W.] B.V. ressorterende werkmaatschappijen, met
name voor de rechtspersoon waarin de handelsactiviteiten waren
ondergebracht die voorheen werden uitgevoerd door [Z.] B.V. zelf. De
bedrijfsactiva en goodwill van [Z.] B.V. zijn namelijk bij
koopovereenkomst van 4 januari 1993 verkocht aan [V.] B.V., een
werkmaatschappij van [W.] B.V. Naar aanleiding hiervan is de naam [V.]
B.V. gewijzigd in [X.] B.V., de naam van eiseres.
De heer [A.], in dienst bij [Z.] B.V., is statutair-directeur van
eiseres. De aandelen van eiseres zijn in bezit van [W.] B.V. De aandelen
van laatstgenoemde vennootschap zijn in handen van de Coöperatieve [U.]
([U.]) U.A. te [T.].
Op 22 en 30 mei 1997 heeft verweerder bij eiseres een looncontrole
uitgevoerd, waarvan een looncontrolerapport d.d. 5 november 1997 is opgesteld.
De conclusie van dit rapport is - onder meer - dat de verhouding tussen
de heer [A.] en eiseres aangemerkt dient te worden als een
privaatrechtelijke dienstbetrekking, op grond waarvan sprake is van
verzekeringsplicht ingevolge de sociale werknemersverzekeringen. Daar
eiseres geen premies voor de heer [A.] heeft afgedragen, heeft
verweerder haar op 12 en 13 februari 1998 correctienota's opgelegd over
de jaren 1993 tot en met 1996 van in totaal fl. 40.859,--. Daarnaast is
op 12 februari 1998 ter zake van deze correcties een eerste verzuim
geregistreerd."
Partijen zijn in dit geding verdeeld over het antwoord op de vraag of
[A.] vanaf 1 januari 1993 tot appellante in een privaatrechtelijke
dienstbetrekking staat als bedoeld in de artikelen 3 van de
Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. In het bijzonder spitst het geding
zich toe op de vraag of [A.] onder gezag van appellante staat.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gelet op de stukken en
het verhandelde ter zitting deze vraag bevestigend beantwoord. Naar het
oordeel van de rechtbank is voldaan aan alle elementen van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking en heeft gedaagde [A.] terecht
aangemerkt als werknemer van appellante en voor hem verzekeringsplicht
op grond van de sociale werknemersverzekeringswetten aangenomen.
De Raad komt evenwel tot een andere afweging van de feiten en
omstandigheden zoals die naar voren komen, en overweegt daartoe het
volgende.
De Raad is van oordeel dat de looninspecteur, blijkens zijn
looncontrolerapport van 5 november 1997, zich in onvoldoende mate de
wederzijdse afhankelijkheid en het belang van de ligging van het
bedrijfsterrein heeft gerealiseerd. Benevens een aanzienlijke lening die
[A.] aan appellante had verstrekt, is hij tevens eigenaar van het
bedrijfsterrein, inclusief de zich daarop bevindende bedrijfsgebouwen en
bedrijfsmiddelen. De benodigde vergunningen voor de uitoefening van de
bedrijfsactiviteiten staan eveneens op naam van [A.]. Gelet op de
bedrijfsactiviteit van appellante, bestaande uit de opslag, aan- en
afvoer van onder meer zand en grind, is de ligging van het
bedrijfsterrein aan het water van essentieel belang voor de
bedrijfsvoering van appellante en zorgt er tevens voor dat het bedrijf
niet direct verplaatsbaar is. De Raad is derhalve van oordeel dat
gedaagde de aard en ligging van de onderneming, alsmede de mogelijk
aanmerkelijke greep van [A.] op het bedrijf, waardoor er een situatie zou
kunnen zijn ontstaan van wederzijdse afhankelijkheid die een reële
gezagsuitoefening van de zijde van appellante in de weg staat, bij zijn
onderzoek onvoldoende heeft belicht om daaruit reeds thans de conclusie
te kunnen trekken dat er in dit geval sprake is van een
gezagsverhouding. Op grond hiervan kan het bestreden besluit om redenen
van een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding op voornoemd punt geen
stand houden.
Het vorenoverwogene leidt er toe dat de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de aan de kant van
appellante gevallen proceskosten. Die kosten worden begroot op f
1.420,-- wegens in eerste aanleg en op f 1.420,-- wegens in hoger beroep
verleende rechtsbijstand, totaal derhalve f 2.840,--. Van andere te
vergoeden kosten is de Raad niet gebleken.
Tenslotte gelast de Raad, gelet op artikel 24 en 25, eerste lid van de
Beroepswet, dat het in beide instanties door appellante betaalde
griffierecht van totaal f 1.125,-- aan appellante wordt vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante begroot op f
2.840,--;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante gestorte griffierecht ad f
1.125,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 november 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|