|
Uitspraak
99/5605
ALGEM en 99/5608 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (hierna: [gedaagde]),
en
[onderneming] B.V., gevestigd te
[vestigingsplaats], (hierna: [onderneming]),
gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift d.d. 24 maart 2000
aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
rechtbank Haarlem onder dagtekening 7 oktober 1999 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens [onderneming] heeft mr. B.J.W. Geraads, belastingadviseur bij
PricewaterhouseCoopers N.V. te Eindhoven, als haar gemachtigde d.d. 21
april 2000 een verweerschrift ingediend, en is namens [gedaagde] door
mr. H.G. Hilgevoord, advocaat te Rotterdam, als haar gemachtigde een
verweerschrift van 22 mei 2000 ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 november
2001. Daar is appellant verschenen bij zijn gemachtigde mr. D.B.
Smaalders, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Gedaagde 1 is in persoon verschenen, bijgestaan
door mr. Hilgevoord, voornoemd, als zijn raadsman, en voor gedaagde 2 is
verschenen haar gemachtigde mr. D.R.H.P. van Proosdij, eveneens
belastingadviseur bij PricewaterhouseCoopers N.V. te Eindhoven, en
[werknemer], destijds Hoofd financiële administratie bij [onderneming].
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de feiten en
omstandigheden zoals die in het bestreden besluit op bezwaar en de
aangevallen uitspraak zijn weergegeven.
In dit geding is de vraag aan de orde of voor [gedaagde], directeur en
enig aandeelhouder van de op 27 oktober 1995 opgerichte [onderneming I]
B.V. (hierna: [onderneming I]), ter zake van het begeleiden van de
reorganisatie en het verbeteren van het kennisniveau van de afdeling
informatievoorziening van [onderneming], welke werkzaamheden hij op
contractbasis voor [onderneming] heeft verricht in de periode van 1
oktober 1995 tot en met 31 december 1996, terecht verzekeringsplicht is
aangenomen op grond van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten, dan wel op grond van artikel 5 van
vorengenoemde wetten, juncto artikel 5 van het koninklijk besluit d.d.
24 december 1986, Stb. 1986, 655, en deswege over die periode terecht
premies zijn vastgesteld.
De rechtbank heeft deze vragen in ontkennende zin beantwoord,
gegrondvest op het oordeel dat er voldoende materiële indicaties uit
het dossier naar voren komen op grond waarvan het niet aannemelijk is
dat er sprake is geweest van een verplichting tot loonbetaling en tevens
dat er niet duidelijk sprake was van een gezagsverhouding.
De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige arbeidsverhouding eerder
de kenmerken heeft van een overeenkomst tot opdracht, welke het aannemen
van verzekeringsplicht op de subsidiaire grond in de weg staat.
In het hoger beroep heeft appellant benadrukt dat er naast de
verplichting tot loonbetaling met name sprake is geweest van een
gezagsverhouding tussen [gedaagde] en [onderneming] en heeft zich
daarbij beroepen op de tekst en de strekking van de bepalingen van de
betrokken samenwerkingsovereenkomst. Het element van gezagsverhouding
staat eveneens in de weg aan het aannemen van een overeenkomst tot
opdracht.
De Raad overweegt te dien aanzien het volgende.
Vooropgesteld wordt dat aan de duidelijke tekst en strekking van de
bepalingen van de betrokken samenwerkingsovereenkomst bij gemis van
genoegzame aanknopingspunten dat in de praktijk anders is gehandeld, in
beginsel zwaarwegende betekenis dient te worden toegekend. Indien
hiervan wordt uitgegaan, kan uit de overeenkomst de te ontvangen
vergoeding van f 1400,-- per dag op basis van 8 uur, welke op
maandelijkse basis wordt gefactureerd, voor het afhandelen van een
opdracht wel degelijk als beloning in de zin van een tegenprestatie voor
de ook steeds van [gedaagde] persoonlijk verlangde en ook metterdaad
verrichte werkzaamheden worden beschouwd.
Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is, naast
de verplichting van persoonlijke arbeidsverrichting en loonbetaling,
tevens vereist dat [[gedaagde] werkzaam is geweest onder gezag van
[onderneming].
Van de zijde van gedaagden is met name betoogd dat appellant bij zijn
oordeel dat sprake was van een gezagsrelatie tussen [gedaagde] en
[onderneming], de ter zake dienende feiten en omstandigheden heeft
miskend.
Daartoe is, samengevat weergegeven, naar voren gebracht dat de regels,
voorschriften en dergelijke waaraan [gedaagde] zich dient te houden, het
karakter hebben van organisatorische afspraken die een ieder die zich op
het bedrijfsterrein van [onderneming] begeeft, in acht zal moeten nemen;
dat hetzelfde gezegd kan worden ten aanzien van de voortgangsrapportage. Het is immers volstrekt normaal en usance van leveranciers
te verlangen dat een dergelijke rapportage periodiek wordt verstrekt
wanneer het gaat om projecten waarmee grote bedragen zijn gemoeid.
Ter zitting van de Raad is vanwege [[gedaagde] daarbij tevens naar
voren gebracht dat [onderneming I] in principe zijn eigen contracten
opstelt, maar dat op verzoek van [onderneming] voor de periode hier in
geding dit werd vervangen door een bijzonder contract. Per 1 januari
1997 heeft [ge[gedaagde] met [onderneming] een beter contract gesloten
en appellant heeft met de premiebeslissing van 1 juli 1998 inmiddels ook
erkend dat [gedaagde] sinds 1 januari 1997 als zelfstandige zijn
activiteiten verricht, terwijl in de feitelijke situatie met
[onderneming] geen veranderingen zijn opgetreden.
Met betrekking tot het ontbreken van iedere vorm van toezicht en gezag
is voorts vanwege [gedaagde] gewezen op een derde rapport van de
looninspecteur J. van Middelkoop d.d. 24 februari 1998, waaruit ook naar
voren komt dat de activiteiten van [gedaagde] namens [onderneming I] in
feite vanaf 1996 dezelfde zijn gebleven, maar dat alleen inmiddels het
contract tussen [onderneming I] en [onderneming] enigszins is aangepast.
De looninspecteur verbindt hieraan zijn conclusie dat de artikelen 3 tot
en met 5 van de sociale werknemersverzekeringswetten niet zijn te
stellen en dat [onderneming I] in ieder geval vanaf 1 januari 1997 als
een zelfstandige onderneming moet worden gezien.
Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel, daarbij
doorslaggevende betekenis toekennend aan de omstandigheid dat de
activiteiten van [gedaagde] voor [onderneming] vanaf 1996 niet zijn
veranderd, maar alleen de inhoud van het nieuwe contract, en dat op
grond daarvan per 1 januari 1997 wel van een zelfstandige onderneming
wordt uitgegaan, dat in casu metterdaad onvoldoende is komen vast te
staan dat in de periode hier in geding sprake is geweest van
werkgeversgezag tegenover [gedaagde].
Hieruit volgt dat de Raad met de rechtbank tot de eindconclusie komt dat
verzekeringsplicht en premieplicht niet kunnen worden aangenomen op de
primair door appellant gehanteerde grond.
Evenmin kan de Raad doorslaggevende argumenten vinden voor het aanwezig
achten van een fictieve dienstbetrekking op grond waarvan
verzekeringsplicht zou kunnen worden aangenomen.
In dat verband is de vraag aan de orde of in casu sprake was van
duidelijke kenmerken van zelfstandigheid.
In de visie van appellant was hiervan geen sprake, omdat [gedaagde],
hoewel hij meerdere opdrachtgevers had, voor het grootste gedeelte van
zijn inkomsten afhankelijk was van de werkzaamheden die hij voor
[onderneming] verrichtte en derhalve economisch in grote mate
afhankelijk was van [onderneming]; dat [gedaagde] gebruik maakte van de
bedrijfsmiddelen van [onderneming] en tevens beschikte over een kamer in
het pand van [onderneming].
In dat kader overweegt de Raad dat de omstandigheid dat [[gedaagde] in
de periode in geding een belangrijk deel van zijn omzet genereerde bij
[onderneming], weliswaar tot op zekere hoogte enige aanwijzing vormt
voor het ontbreken van zelfstandigheid, doch dat daarbij tevens
betrokken moet worden dat [gedaagde] sinds eind oktober 1995
[onderneming I] heeft opgericht en dat het in dit geval te ver voert bij
een potentiële zelfstandige in het eerste jaar van het bestaan van de
B.V. geen zelfstandigheid aan te nemen bij slechts één grote
opdrachtgever. Het ondernemersrisico was enigermate beperkt, maar
afwezig was dat risico stellig niet.
Gelet op de aard en de inhoud van de werkzaamheden, kan [gedaagde] een
gebrek aan investeringen niet tegengeworpen worden, omdat voor de
uitvoering van die werkzaamheden het gebruik van de computers in het
pand van [onderneming] aangewezen was. Nu er voorts sprake is van
inschrijving bij de Kamer van Koophandel, van het voeren van een eigen
boekhouding en het maken van reclame, en nu [[gedaagde] een eigen
handelsnaam heeft en een beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft
afgesloten, komt de Raad, alles overziende tot de slotsom dat [gedaagde]
wel in de zelfstandige uitoefening van een bedrijf zijn werkzaamheden
voor [onderneming] heeft verricht.
Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep van appellant niet kan
slagen.
De Raad acht termen aanwezig op grond van artikel 8:75 van de Algemene
wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van
gedaagden. Deze worden begroot voor gedaagde 1 op € 644,-- en voor
gedaagde 2 eveneens op € 644,--.
Van andere te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken.
Ten slotte stelt de Raad op grond van artikel 22, derde lid, van de
Beroepswet vast dat van appellant een griffierecht van € 327,-- dient
te worden geheven.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep
tot een bedrag van elk € 644,-- te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht wordt geheven van € 327,--.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2002.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.H. Huls.
|
|