|
Uitspraak
99/5714
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
VOF Koffiehuis [X.], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 23 oktober 1998 heeft appellant de bezwaren van gedaagde
gericht tegen de premienota van 6 mei 1998, waarbij aan gedaagde over
het jaar 1995 premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringen
werden opgelegd ter zake van betalingen door gedaagde aan het personeel
dat zich bezig hield met de verkoop van softdrugs in een door haar geëxploiteerde
coffeeshop.
De Rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 19 oktober 1999 het namens
gedaagde tegen het besluit van 23 oktober 1998 ingestelde beroep gegrond
verklaard.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 20 december 1999
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Steijn, bij
schrijven van 14 januari 2000 een verweerschrift ingediend.
Het geding is - gevoegd met de zaak 99/5322 ALGEM - behandeld ter
zitting van de Raad, gehouden op 29 november 2001, waar namens appellant
is verschenen mr. J.E. Visser, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen te Amsterdam. Gedaagde heeft zich bij die
gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. drs. G.A.C. Beckers,
voornoemd.
II. MOTIVERING
In geschil is het antwoord op de vraag of appellant terecht en op goede
gronden verzekeringsplicht ingevolge de sociale werknemersverzekeringen
heeft vastgesteld ten aanzien van het bij gedaagde in dienst zijnde
personeel dat zich bezig houdt met de verkoop van softdrugs.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van het personeel van
gedaagde is voldaan aan de voorwaarden voor een privaatrechtelijke
dienstbetrekking, zijnde het persoonlijk verrichten van de arbeid, de
betaling van loon en de aanwezigheid van een gezagsverhouding.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gedaagde in haar
standpunt gevolgd dat ten aanzien van deze werknemers geen
verzekeringsplicht kan bestaan. De rechtbank is tot het oordeel gekomen
dat de arbeidsovereenkomsten wegens strijd met artikel 3:40 van het
Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) nietig zijn, omdat deze
overeenkomsten de werknemers verplichten tot een bij artikel 3 van de
Opiumwet verboden prestatie. Naar het oordeel van de rechtbank ontneemt
de omstandigheid dat het OM een gedoogbeleid hanteert, dat pas leidt tot
afzien van strafrechtelijke vervolging als er ook sprake is van een
plaatselijk gedogen, niet het strafrechtelijk karakter aan de verkoop
van softdrugs. Volgens de rechtbank is in het onderhavige geval geen
sprake van een situatie, zoals in het arrest van de Hoge Raad van 2
februari 1990, gepubliceerd in NJ 1991/266, wordt besproken, omdat de
handel in softdrugs en de aanwezigheid van coffeeshops maatschappelijk
gezien naar het oordeel van de rechtbank niet onomstreden zijn. Volgens
de rechtbank blijkt dit onder meer uit het plaatselijk beleid dat in
diverse gemeenten wordt gevoerd en de discussie met betrekking tot de
vraag of dient te worden gekomen tot verhoging van de strafmaat in het
geval van handel in softdrugs.
Voorts overweegt de rechtbank dat blijkens het arrest van de Hoge Raad
van 15 oktober 1996, gepubliceerd in NJ 1997/320, het gedoogbeleid van
het OM niet als landelijk geldende regelgeving kan worden aangemerkt,
omdat de vraag of het OM in concreto gedoogt, mede afhankelijk is van
het eventuele plaatselijke gedoogbeleid.
Appellant voert in hoger beroep - samengevat - aan dat op basis van de
Tica-mededeling M 95.73, de Richtlijn opsporingsbeleid inzake
coffeeshops, Stcrt. 1994/203 en de Richtlijn Opsporings- en
strafvorderingsbeleid strafbare feiten Opiumwet, Stcrt. 1996/187 een
normale beoordeling van verzekerings- en premieplicht kan plaatsvinden,
indien sprake is van een coffeeshop, die zich op grond van het lokale
beleid mag vestigen en zich houdt aan de AHOJ-G criteria. Op dat moment
is geen sprake meer van een arbeidsovereenkomst, die op grond van
artikel 3:40 BW nietig is in verband met strijd met de openbare orde.
Hierbij stelt appellant zich op het standpunt dat een overeenkomst
immers in strijd is met de openbare orde, indien zij in strijd komt met
de fundamentele beginselen van de huidige maatschappelijke organisatie.
Gelet op de arresten van de Hoge Raad, gepubliceerd in NJ 1991/265 en
266, dient volgens appellant te worden geconcludeerd dat, ook al is
artikel 3, eerste lid, onder b, van de Opiumwet niet afgeschaft, het
stelselmatig gedogen van overtreding haar werking zozeer verzwakt dat
zij niet meer een deugdelijke basis is voor civielrechtelijke
nietigheid. Blijkens deze arresten kan het stelselmatig gedogen
voortvloeien uit een op handen zijnde afschaffing van een strafbepaling
maar ook door gewijzigde maatschappelijke inzichten. Volgens appellant
zijn de maatschappelijke inzichten dusdanig gewijzigd dat een
arbeidsovereenkomst tot verkoop van softdrugs in - gedoogde -
coffeeshops niet meer in strijd komt met de fundamentele beginselen van
de huidige maatschappelijke organisatie. In ieder geval is naar het
oordeel van appellant geen sprake van een gebied waar van een 'heersende
moraal' kan worden gesproken.
Gedaagde stelt zich in hoger beroep - samengevat - op het standpunt dat
uit voornoemde arresten van de Hoge Raad blijkt dat een strafbepaling
zijn civiele werking kan verliezen, indien de wetgever die bepaling wil
afschaffen en daartoe concrete (aantoonbare) stappen heeft ondernomen.
Voorts stelt de Hoge Raad volgens gedaagde de voorwaarde dat in de
uitvoeringspraktijk moet zijn gebleken dat deze strafbepaling niet meer
wordt gehandhaafd. Deze specifieke omstandigheden in combinatie met een
acceptatie in brede lagen van de samenleving van het plegen van de
desbetreffende strafbare handelingen kan er volgens gedaagde toe leiden
dat een strafbepaling haar civiele werking verliest. Aan deze
voorwaarden wordt volgens gedaagde in het onderhavige geval niet
voldaan. Gedaagde wijst er op dat het beleid van de overheid gericht is
op het terugdringen van het aantal gedoogde coffeeshops en dat van
maatschappelijke acceptatie van de verkoop van softdrugs geen sprake is.
Verder blijkt volgens gedaagde (onder andere) uit de uitspraken van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 1997,
gepubliceerd in AB 1997/299, van 12 augustus 1999, gepubliceerd in AB
2001/139, en van 15 januari 2001, gepubliceerd in AB 2001/155, en uit
het arrest van de Hoge Raad van 7 november 2000, gepubliceerd in NJ
2000/738, dat het gedoogbeleid de Opiumwet niet tot een dode letter
maakt.
Tenslotte herhaalt gedaagde haar standpunt dat het beleid van gedaagde
ertoe leidt dat het de burgemeester is, die feitelijk bepaalt of in een
bepaalde coffeeshop sprake kan zijn van verzekeringsplicht. Zulks is
naar mening van appellant in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens de Memorie van Toelichting (13 407, Tweede Kamer, zitting
1974-1975, nr. 3) ziet de Opiumwet zowel op de volksgezondheid (de
schade van de gezondheid van de gebruiker) als op de openbare orde
(schade voor de samenleving). Uit de Memorie van Toelichting blijken -
voor zover hier van belang - als doelstellingen van de Opiumwet het
scheiden van de handel in hennepproducten en de handel in drugs met een
onaanvaardbaar risico (harddrugs), en het terugbrengen van misdrijf tot
overtreding van het aanwezig hebben (bezitten) voor eigen gebruik van
hennepproducten. Hiermee wordt blijkens de Memorie van Toelichting
beoogd de softdruggebruiker uit het harddrugmilieu te houden en (onder
andere) de geloofwaardigheid van de beoordeling van de onderscheidende
risico's tussen harddrugs en softdrugs te vergroten. Onder handhaving
van het verbod op het gebruik en de verkoop van softdrugs wordt beoogd
het voor de gezondheid en de samenleving schadelijker gebruik van
harddrugs tegen te gaan door decriminalisering van het softdruggebruik.
De Raad stelt vast dat in het onderhavige geval de verzekeringsplicht
ten aanzien van de verkopers ingaande het premiejaar 1995 ter discussie
staat. Derhalve is voor de beoordeling van het onderhavige geval de
Richtlijn opsporingsbeleid inzake coffeeshops, Stcrt. 1994, 203 (hierna:
de Richtlijn 1994) van belang. Evenals de Opiumwet ziet het in de
Richtlijn 1994 opgenomen gedoogbeleid op het tegengaan van het gebruik
van harddrugs en het uit het criminele circuit houden van de
softdruggebruiker. Met het in de Richtlijn 1994 opgenomen beleid wordt
aldus uitvoering gegeven aan het doel van de Opiumwet. Overigens is met
de Richtlijnen Opsporings- en strafvorderingsbeleid strafbare feiten
Opiumwet, Stcrt. 1996, 187, het in de Richtlijn 1994 opgenomen
gedoogbeleid voortgezet. Voorts wordt ook met de 'Aanwijzing Opiumwet',
Strct. 2000, 250, welke voornoemde Richtlijnen per 1 januari 2001 heeft
vervangen, geen wijziging voorgestaan van het geldende gedoogbeleid.
Aangezien de verkoop van softdrugs in een gedoogde coffeeshop is
toegestaan althans niet kan leiden tot strafvervolging, is de verkoop
van softdrugs in een gedoogde coffeeshop naar het oordeel van de Raad
niet in strijd met de openbare orde. Derhalve is de Raad van oordeel dat
ook de arbeidsovereenkomst tussen de houder van een gedoogde coffeeshop
en de verkoper van softdrugs in een gedoogde coffeeshop naar inhoud noch
naar strekking in strijd is met de openbare orde, zodat van een nietige
overeenkomst op grond van artikel 3:40, eerste lid, van het BW geen
sprake is.
Nu alle elementen voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking in het
onderhavige geval aanwezig zijn, heeft gedaagde naar het oordeel van de
Raad terecht en op goede gronden verzekeringsplicht aangenomen ten
aanzien van de verkopers van softdrugs in de coffeeshops van appellant.
Het standpunt van gedaagde dat het gedoogbeleid in het onderhavige geval
rechtsongelijkheid oplevert, kan de Raad niet volgen. Het beleid van een
burgemeester inzake de verkoop van softdrugs in coffeeshops in zijn
gemeente regardeert appellant niet. Indien en voor zover gedaagde hier
een vergelijking maakt tussen een gedoogde coffeeshop en een niet
gedoogde coffeeshop, moet de Raad vaststellen dat dit geen gelijke
gevallen zijn.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te
worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te
worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|