|
Uitspraak
00/5146
ALGEM en 00/5147 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[X.] B.V., gevestigd te [Y.], hierna: belanghebbende,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 19 februari 1999 heeft het bestuursorgaan ongegrond
verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen besluiten van 18 mei 1998
en 25 mei 1998, inhoudende correctie-, onderscheidenlijk boetenota's
over de jaren 1994 tot en met 1997.
De Rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 23 augustus 2000 het
namens belanghebbende tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het bestuursorgaan binnen
zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een nieuw
besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen, het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van
belanghebbende en bepaald dat het bestuursorgaan het door belanghebbende
betaalde griffierecht vergoedt.
Partijen zijn op bij aanvullende beroepschriften van 10 november 2000
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens belanghebbende heeft drs. R. Mars, belastingsadviseur te
Amsterdam, een verweerschrift, gedateerd 7 december 2000, ingediend
Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift (met bijlage), gedateerd 5
februari 2001, ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18
oktober 2001, waar voor belanghebbende zijn verschenen haar directeuren
[A.] en [B.], de partner van laatstgenoemde [C.], drs. Mars, voornoemd,
en mr. H.J. Hagen, advocaat te Amsterdam, en waar voor het
bestuursorgaan is verschenen mr. C.J.M. Kluytmans, ten tijde van de
zitting werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat, naar zijn gemachtigde ter zitting heeft
medegedeeld, het bestuursorgaan de aan belanghebbende opgelegde
boetenota's niet langer handhaaft. In hoger beroep is dan ook
uitsluitend nog in geschil het door de rechtbank gegeven oordeel inzake
de opgelegde correctienota's.
Belanghebbende exploiteerde in de jaren waarop het bestreden besluit
ziet, een discotheek/café in [Y.]. Haar directeur [A.] bezit 90% van
haar aandelen en haar directeur [B.] 10%. Laatstgenoemde was belast met
de dagelijkse leiding. Op basis van een ingesteld onderzoek, onder meer
bestaande uit waarnemingen en een controle ter plaatse, alsmede het
horen van betrokkenen, heeft het bestuursorgaan aangenomen dat in de
horecaonderneming van belanghebbende meer personen werkzaam zijn geweest
in de jaren 1994 tot en met 1997 dan belanghebbende in haar
loonadministratie had verantwoord. Het betreft hier:
- portiers;
- diskjockeys, garderobedames, caissières en
- overig (bar)personeel, waaronder [C.] waarmee [B.] samenwoont.
In een looncontrolerapport van 29 april 1998 is berekend het totaal van
het niet-verantwoorde loon in deze jaren. Op basis van dit rapport heeft
het bestuursorgaan belanghebbende (onder meer) correctienota's over
voormelde premiejaren doen toekomen, welke nota's hij bij het bestreden
besluit heeft gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
belanghebbende gegrond verklaard voor wat betreft [C.]. Naar het oordeel
van de rechtbank verkeert zij in een positie als waarop artikel 8,
eerste lid, aanhef en onder d, van het Koninklijk besluit van 24
december 1986, Stb. 655, ziet. Voor het overige heeft de rechtbank het
beroep ongegrond verklaard.
Het bestuursorgaan is in hoger beroep gekomen, omdat naar zijn mening
belanghebbende premies is verschuldigd over de betalingen aan [C.]
aangezien zij in zijn visie verplicht verzekerd was, primair op grond
van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, aan welke
grond de rechtbank is voorbijgegaan.
Belanghebbende is in hoger beroep gekomen omdat zij van mening is dat
zij geen premies is verschuldigd over de fooien die de portiers
ontvingen, niet alleen omdat zij geen betalingen verrichtte aan hen,
maar ook omdat de overige voorwaarden voor het aannemen van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking ontbraken. Ten aanzien van de
overige personen heeft zij gesteld dat er geen betalingen hebben
plaatsgevonden buiten haar loonadministratie om. Ten aanzien van de
diskjockeys, de garderobedames en de caissières heeft zij gesteld dat
deze personen niet bij haar in dienst zijn geweest. Deze personen werden
ingezet door bureaus aan wie belanghebbende haar horecagelegenheid ter
beschikking stelde. Deze bureaus ontvingen de entreegelden, terwijl de
baromzet belanghebbende ten goede kwam. Weliswaar heeft belanghebbende
geen administratie hiervan bijgehouden - het gebeurde tenslotte met
gesloten beurzen -, doch zij heeft wel gewezen op de zich onder de
gedingstukken bevindende folders die hiervan blijk geven.
De Raad overweegt met betrekking tot het door het bestuursorgaan
ingestelde hoger beroep dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld,
[C.] in de betrokken jaren werkzaam is geweest in een
verzekeringsplichtige arbeidsverhouding en wel op basis van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking. Telkens wanneer zij werkzaam was
ging het om haar arbeidsinzet. Voorts was zij werkzaam onder gezag, in
het bijzonder onder gezag van de directeur/meerderheidsaandeelhouder.
Dat zij een relatie heeft met de directeur/-minderheidsaandeelhouder
maakt dit niet anders, te minder nu deze directeur in verband met de
aandelenverhouding ook onder gezag werkzaam is en wel onder het gezag
van de algemene aandeelhoudersvergadering, waarin hij een
minderheidspositie inneemt. De fooien die [C.] vanaf 1 juni 1995 nog
uitsluitend ontving en die zij vervolgens in de fooienpot deed, maken
niet dat gezegd kan worden dat zij geen loon voor haar werkzaamheden
vanaf die datum meer ontving. Het betreft hier loon, waarop de
waarderingsregel van artikel 3 van het besluit van de Sociale
Verzekeringsraad van 21 december 1989 ziet. De omstandigheid dat [C.] na
ontvangst daarvan de fooien ter beschikking stelde aan de andere
personeelsleden, ontneemt aan de fooien niet het karakter van loon.
De Raad overweegt met betrekking tot het door belanghebbende ingestelde
hoger beroep dat hij zich verenigt met hetgeen de rechtbank heeft
overwogen ten aanzien van de portiers. Ook ten aanzien van hen geldt
voor wat betreft de berekening van het premieplichtig loon de hiervoor
bedoelde waarderingsregeling.
De Raad verenigt zich evenzeer met hetgeen de rechtbank heeft overwogen
ten aanzien van het door de looninspecteur opgestelde rooster en het op
basis daarvan berekende premieloon, althans voor wat betreft het
barpersoneel waartoe ook moet worden gerekend [C.]. De waarnemingen ter
plaatse bieden naar het oordeel van de Raad hiervoor voldoende steun.
Ten aanzien van de caissières, de garderobedames en de diskjockeys
overweegt de Raad dat hij op grond van de stukken, in het bijzonder de
hiervoor vermelde folders, en het verhandelde ter zitting voldoende
aannemelijk acht dat in de betrokken jaren sprake is geweest van het ter
beschikking stellen van de horecagelegenheid aan derden, zoals van de
zijde van belanghebbende is uiteengezet. De Raad moet voorts vaststellen
dat belanghebbende hiervan geen administratie heeft bijgehouden. Van
haar kant is evenmin getracht bij de organiserende bureaus nog te
achterhalen het aantal avonden waarbij zij haar bedrijf ter beschikking
stelde, en het aantal door deze bureaus ingezette personen. Hier staat
tegenover dat het bestuursorgaan naar het oordeel van de Raad aan de van
meet af aan door belanghebbende betrokken stelling op dit punt nogal
lichtvaardig voorbij is gegaan. De Raad moet dan ook constateren dat nog
slechts schattenderwijs valt te bepalen in hoeverre er personeel van
derden is ingezet.
Gelet op dit laatste en gelet op hetgeen de Raad hiervoor heeft
overwogen, acht de Raad in de specifieke situatie van belanghebbende
termen aanwezig om onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) de door belanghebbende op grond van de
aan haar opgelegde correctienota's verschuldigde bedragen te verlagen
tot 80% van het totaal van deze bedragen.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Awb het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten van
belanghebbende in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,--
voor verleende rechtsbijstand.
De Raad stelt tot slot vast dat het door belanghebbende in hoger beroep
gestorte griffierecht door het bestuursorgaan dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het
bestuursorgaan is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming
van het in die uitspraak overwogene;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat belanghebbende over de jaren 1994 tot en met 1997
aanvullende premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten
verschuldigd is tot een bedrag gelijk aan 80% van het totaal van de in
de premienota's van 18 mei 1998 vermelde bedragen;
Veroordeelt het bestuursorgaan in de proceskosten van belanghebbende in
hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
belanghebbende het gestorte recht van € 306,30 (voorheen f 675,--)
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|