|
Uitspraak
99/1868
ALGEM, 99/1873 ALGEM, 00/4525 ALGEM, 01/5967 ALGEM en 02/546 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[U.] C.V., gevestigd te [V.], appellante 1,
[W.] C.V., gevestigd te [X.], appellante 2, en
[Y.] C.V., gevestigd te '[Z.], appellante 3,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit
geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en
Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen.
Gedaagde heeft ten aanzien van appellanten 1 en 2 op 26 november 1996
besluiten afgegeven, waarbij hun bezwaren tegen de aan hen opgelegde
correctie- en boetenota's over de jaren 1990 tot en met 1994 ongegrond
zijn verklaard.
Ten aanzien van appellante 3 heeft gedaagde op 23 juni 1999 een besluit
afgegeven, waarbij haar bezwaren tegen de aan haar opgelegde
correctienota's over de jaren 1990 tot en met 1993 en 1995 gedeeltelijk
gegrond zijn verklaard en waarbij de aan haar opgelegde boete,
betrekking hebbend op de jaren 1990 tot en met 1993, is gematigd en
vastgesteld op 5% van de ambtshalve vastgestelde premie.
De beroepen van appellanten 1 en 2 zijn in eerste aanleg behandeld door
de Rechtbank Amsterdam. Bij uitspraken van 9 januari 1999 zijn de beroepen gegrond verklaard, de bestreden
besluiten vernietigd en is bepaald dat gedaagde nieuwe besluiten dient
te nemen.
Het beroep van appellante 3 is in eerste aanleg behandeld door de
Rechtbank 's-Gravenhage. Bij uitspraak van 4 juli 2000 is het beroep van
appellante 3 ongegrond verklaard.
Namens appellanten is tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld.
Van de zijde van gedaagde zijn verweerschriften ingediend.
Ter uitvoering van de uitspraken van de rechtbank Amsterdam heeft
gedaagde op 9 augustus 1999 ten aanzien van appellanten 1 en 2 nieuwe
besluiten afgegeven, waarbij de bezwaren van appellanten 1 en 2 tegen de
correctienota's wederom ongegrond zijn verklaard en waarbij de opgelegde
boetes zijn gematigd en vastgesteld op 10% van de ambtshalve
vastgestelde premie.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
24 januari 2002, waar appellanten zijn verschenen bij hun gemachtigden
mr. M.A. van der Zande en mr. S.C. Brasz, belastingadviseurs te
Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
F.L.M. Schütz, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In 1995 zijn bij appellanten 1 en 2 looncontroles uitgevoerd, waarbij is
gebleken dat zij in het kader van administratieve dienstverlening aan
klanten behalve eigen personeelsleden ook zelfstandigen en freelancers
inzetten, die niet in de loonadministratie zijn verantwoord. Met deze
zelfstandigen en freelancers, die worden aangeduid als
interimadministrateurs, worden standaard overeenkomsten gesloten waarin
onder meer het bedrag per gewerkt uur, de wijze van declareren en een
geheimhoudingsplicht zijn opgenomen. Vervolgens worden er, bij de
aanvaarding van een opdracht door een interimadministrateur,
zogenaamde werkovereenkomsten en inzetovereenkomsten opgemaakt waarin
onder meer de periode van de te verrichten arbeid, de werkzaamheden,
verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de interimadministrateur en
een ziekmeldingsprocedure staan vermeld.
In 1995 en 1996 is een looncontrole uitgevoerd bij appellante 3, waarbij
eveneens is gebleken dat een aantal interimadministrateurs niet in de
loonadministratie is verantwoord. Aangezien appellante 3 geen gevolg
heeft gegeven aan het verzoek inzage te verlenen in de contracten tussen
haar, de opdrachtgevers en de interimadministrateurs, is het onderzoek
naar de verzekeringsplicht gebaseerd op gegevens uit de administratie.
Bij de bestreden besluiten van 26 november 1996 en 23 juni 1999 heeft
gedaagde zich primair op het standpunt gesteld dat de
arbeidsverhoudingen tussen appellanten en de interimadministrateurs
dienen te worden aangemerkt als privaatrechtelijke dienstbetrekkingen,
zodat sprake is van verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten. Subsidiair heeft gedaagde de
arbeidsverhoudingen aangemerkt als fictieve dienstbetrekkingen als
bedoeld in artikel 5, onder d, van de sociale
werknemersverzekeringswetten, juncto artikel 3 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655 (hierna: het Besluit).
Aan de oplegging van de boete ligt het standpunt van gedaagde ten
grondslag dat het niet juist of niet volledig voldoen aan de in artikel
10 van de CSV bedoelde verplichting tot het doen van loonopgave, in de
onderhavige gevallen het gevolg is van opzet en/of grove schuld.
Aangezien het een eerste verzuim betrof, is de aan appellanten 1 en 2
opgelegde boete overeenkomstig het bepaalde in het Besluit
Administratieve Boeten Coördinatiewet (ABC-besluit) gematigd tot 25%
van de ambtshalve vastgestelde premies. De aan appellante 3 opgelegde
boete is onder toepassing van het evenredigheidsbeginsel gematigd tot
5% van de ambtshalve vastgestelde premies.
De Rechtbank Amsterdam heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraken van
9 januari 1999 geoordeeld dat de besluiten van 26 november 1996,
voorzover de verzekeringsplicht daarbij is gebaseerd op artikel 3 van
de sociale werknemersverzekeringswetten, niet voldoende zorgvuldig
zijn voorbereid. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de
arbeidsverhoudingen met de interimadministrateurs dienen te worden
beschouwd als verzekeringsplichtige arbeidsverhouding in de zin van
artikel 3 van het Besluit.
Wat betreft de opgelegde boetenota's heeft de rechtbank geoordeeld dat
gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is
van opzet dan wel grove schuld aan de zijde van appellanten 1 en 2. De
rechtbank is evenwel tot het oordeel gekomen dat gedaagde bij de
vaststelling van de hoogte van de boete onvoldoende oog heeft gehad voor
de omstandigheden van het geval. Een matiging tot 10% zou naar het
oordeel van de rechtbank meer voor de hand liggen.
De Rechtbank 's-Gravenhage heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak
van 4 juli 2000 geoordeeld dat ten aanzien van de interimadministrateurs
niet gesproken kan worden van werkgeversgezag, zodat van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten geen sprake is. Het subsidiaire
standpunt van gedaagde, inhoudend dat sprake is van een
arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 3 van het Besluit, heeft de
rechtbank onderschreven.
Met betrekking tot de opgelegde boete heeft de rechtbank geoordeeld dat
gedaagde terecht opzet dan wel grove schuld heeft aangenomen en dat alle
relevante feiten en omstandigheden voldoende zorgvuldig zijn getoetst.
De vaststelling van de boete op 5% is naar het oordeel van de rechtbank
niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Namens appellanten is tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld. Zij
kunnen zich niet verenigen met het oordeel van beide rechtbanken dat de
arbeidsverhoudingen met de interimadministrateurs zijn te beschouwen als
een fictieve dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van het Besluit.
Voorts is namens appellanten gesteld dat ten onrechte een boete is
opgelegd, onder meer omdat er geen sprake zou zijn van opzet of grove
schuld.
Bij de in rubriek I genoemde besluiten van 9 augustus 1999 heeft
gedaagde zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsverhoudingen tussen
de interimadministrateurs en appellanten 1 en 2 dienen te worden
aangemerkt als een fictieve dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3
van het Besluit. De aan appellanten 1 en 2 opgelegde boete is bij die
besluiten gematigd en vastgesteld op 10% van de ambtshalve vastgestelde
premie.
De besluiten van 9 augustus 1999, die in de plaats treden van de
besluiten van 26 november 1996, komen niet geheel tegemoet aan de
grieven die door appellanten 1 en 2 tegen de besluiten van 26 november
1996 zijn aangevoerd. De Raad heeft uit dien hoofde besloten de
besluiten van 9 augustus 1999 onder toepassing van artikel 6:18 en
artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling
te betrekken.
Aangezien de Raad niet is gebleken dat appellanten 1 en 2 nog enig
belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen
uitspraken, dienen zij om die reden daarin niet-ontvankelijk te worden
verklaard.
Voorzover de beroepen worden geacht mede te zijn gericht tegen de
besluiten van 9 augustus 1999 en met betrekking tot het hoger beroep van
appellante 3 tegen de uitspraak van 4 juli 2000 overweegt de Raad het
volgende.
1. Met betrekking tot de verzekeringsplicht
In deze gedingen dient de Raad in de eerste plaats de vraag te
beantwoorden of gedaagde terecht verzekeringsplicht op grond van artikel
3 van het Besluit heeft aangenomen ten aanzien van de
interimadministrateurs.
Namens appellanten is in de eerste plaats naar voren gebracht dat niet
voldaan is aan alle vereisten voor het bestaan van een arbeidsverhouding
in de zin van artikel 3 van het Besluit, aangezien de
interimadministrateurs niet verplicht waren de werkzaamheden persoonlijk
te verrichten en zij zich ook feitelijk hebben laten vervangen.
De Raad stelt, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 augustus
2000, gepubliceerd in USZ 2000/264, voorop dat voor de toepasselijkheid
van de zogenaamde tussenkomstbepaling een contractuele verplichting tot
persoonlijke arbeidsverrichting niet is vereist, doch dat voor het
aannemen van verzekeringsplicht op grond van deze bepaling het feitelijk
persoonlijk verrichten van arbeid volstaat. Naar het oordeel van de Raad
is in casu aan dit criterium voldaan. Ten aanzien van appellanten 1 en 2
is uit de beschikbare gegevens gebleken dat, indien een
interimadministrateur een opdracht eenmaal aanvaardde, aan de
opdrachtgever een zogenaamde inzetovereenkomst werd gezonden, waarin de
naam van de betrokken interimadministrateur werd vermeld. Aan de
opdrachtgever werd derhalve de persoonlijke arbeidsverrichting van een
bepaalde interimadministrateur toegezegd. Onder deze omstandigheden en
mede gelet op het feit dat de aard en het niveau van de te verrichten
werkzaamheden het onaannemelijk doen zijn dat vervanging door
willekeurige derden werd toegestaan, acht de Raad het van ondergeschikt
belang dat, zoals namens appellanten is gesteld, in een - overigens zeer
beperkt - aantal gevallen daadwerkelijk vervanging heeft plaatsgevonden.
Het op incidentele basis vervangen van een interimadministrateur door
een andere, gekwalificeerde medewerker brengt niet mee dat niet langer
is voldaan aan het vereiste van feitelijke persoonlijke
dienstverrichting.
Wat betreft appellante 3 stelt de Raad vast dat er geen contracten
voorhanden zijn op grond waarvan kan worden beoordeeld of er sprake was
van persoonlijke dienstverrichting. Uit het door looninspecteur L. van
Ruiten opgestelde looncontrolerapport van 19 juli 1996 blijkt echter dat
de facturen die de interimadministrateurs aan appellante 3 zonden waren
voorzien van een door de opdrachtgever afgetekend urenbriefje. Gedaagde
mocht hieruit afleiden dat de werkzaamheden persoonlijk werden verricht.
De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat het niet beschikbaar
zijn van de toepasselijke contracten niet aan gedaagde kan worden
tegengeworpen, nu appellante 3 geweigerd heeft inzage te geven in deze
contracten.
Namens appellanten is voorts aangevoerd dat de contractuele relatie
tussen de interimadministrateurs, de opdrachtgevers en appellanten
onvoldoende is onderzocht. Onder verwijzing naar eerdere, niet
gepubliceerde jurisprudentie van de Raad stellen zij zich op het
standpunt dat de interimadministrateurs persoonlijk bezocht hadden
dienen te worden en dat de verzekeringsplicht per individueel geval
beoordeeld had dienen te worden.
De Raad kan appellanten hierin niet volgen en overweegt daartoe het
volgende. In het onderzoek naar de verzekeringsplicht van de via
appellanten 1 en 2 werkzame interimadministrateurs heeft gedaagde zowel
de standaard overeenkomsten, als de overeenkomsten waarin de
daadwerkelijke tewerkstelling en de daarbij gehanteerde voorwaarden zijn
beschreven betrokken. Op grond van deze contracten kon gedaagde zich een
voldoende duidelijk beeld vormen van de voorwaarden en omstandigheden
waaronder de interimadministrateurs werkzaamheden hebben verricht.
Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat van de zijde van
appellanten 1 en 2 niet is gesteld, en dat noch anderszins is gebleken,
dat de interimadministrateurs onder van de contracten afwijkende
voorwaarden of omstandigheden werkzaam waren. Er was - anders dan in de
namens appellanten genoemde zaken waarin partijen van mening verschilden
over de voorwaarden en omstandigheden waaronder de werkzaamheden werden
verricht - dan ook geen noodzaak aanwezig de interimadministrateurs
persoonlijk te bezoeken.
Wat betreft het onderzoek naar de verzekeringsplicht van de via
appellante 3 werkzame interimadministrateurs stelt de Raad voorop dat
appellante 3, door slechts in zeer beperkte mate medewerking te verlenen
aan het door gedaagde ingestelde onderzoek, er in overwegende mate zelf
de oorzaak van is geweest dat geen uitgebreider onderzoek heeft plaats
gevonden. Gegeven deze situatie kon gedaagde volstaan met het door hem
verrichte onderzoek, zoals beschreven in het looncontrolerapport van 19
juli 1996. Uit de in het rapport genoemde feiten en omstandigheden, die
van de zijde van appellante 3 niet zijn betwist, blijkt genoegzaam dat
aan de voorwaarden voor het aannemen van een arbeidsverhouding als
bedoeld in artikel 3 van het Besluit was voldaan.
Subsidiair is namens appellanten aangevoerd dat het aannemen van
verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van het Besluit in strijd is
met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe is aangevoerd dat twee tussen
gedaagde en de Raad voor Interim Management gesloten convenanten, op
grond waarvan over de periode voor 1 januari 1996 geen premies worden
geheven over de werkzaamheden van via tussenkomst werkzame
interimmanagers en over de periode van 1 januari 1996 tot en met 1
september 1998 50% van de premies over die werkzaamheden wordt geheven,
eveneens moeten worden toegepast op de interimadministrateurs, aangezien
er geen duidelijke scheidslijn is aan te brengen tussen interimmanagers
en interimadministrateurs. Ter zitting is deze stelling aan de hand van
een voorbeeld geadstrueerd.
De Raad overweegt het volgende. Hoewel niet uit te sluiten valt dat de
werkzaamheden van interimmanagers en interimadministrateurs elkaar
kunnen overlappen, kan naar het oordeel van de Raad in het algemeen niet
worden gesteld dat er sprake is van zodanige overeenkomsten tussen de
werkzaamheden van interimmanagers en
interimadministrateurs dat de laatsten voor de toepassing van
evenvermelde convenanten met interimmanagers gelijkgesteld moeten
worden. Met betrekking tot het namens appellanten ter zitting genoemde
voorbeeld waaruit de gestelde overeenkomst in werkzaamheden zou moeten
blijken overweegt de Raad dat, nog daargelaten wat de bewijskracht van
een dergelijk op zichzelf staand, niet nader onderbouwd voorbeeld zou
kunnen zijn, uit dat voorbeeld slechts volgt dat de betrokken
interimadministrateur als hoofd van een financiële administratie
leiding gaf aan een aantal werknemers van de desbetreffende
opdrachtgever. Naar het oordeel van de Raad dient echter niet het
leidinggeven aan werknemers, doch veeleer het leiden van de organisatie
van een (deel van een) onderneming als de kerntaak van een
interimmanager te worden beschouwd. Het beroep op het
gelijkheidsbeginsel kan dan ook geen doel treffen.
2. Met betrekking tot de boete
Namens appellanten is de stelling betrokken dat zij ten aanzien van de
verzekeringsplicht van de interimadministrateurs een pleitbaar standpunt
hebben ingenomen, zodat geen sprake is van opzet en/of grove schuld.
De Raad onderschrijft echter het oordeel van de rechtbanken dat in casu
sprake is van grove schuld aan de zijde van appellanten en maakt de
overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid tot de zijne. Daaraan
voegt de Raad nog toe dat een werkgever zich er in het algemeen bewust
van zal moeten zijn welke loonopgaven hij moet doen. In geval van
twijfel ligt bij de werkgeefster echter de verantwoordelijkheid ter zake
informatie in te winnen bij gedaagde. Appellanten hebben zulks niet
gedaan. Gelet op deze omstandigheid heeft gedaagde terecht grove schuld
aangenomen.
Wat betreft de hoogte van de opgelegde boete overweegt de Raad dat
gedaagde ter zitting heeft medegedeeld dat de bij de besluiten van 9
augustus 1999 opgelegde boete van 10% van de ambtshalve vastgestelde
premie niet wordt gehandhaafd. De aan appellanten 1 en 2 opgelegde boete
dient, in verband met de aan appellante 3 opgelegde boete, nader te
worden gematigd tot 5% van de ambtshalve vastgestelde premie.
Gelet op dit nadere standpunt van gedaagde kunnen de besluiten van 9
augustus 1999 voor zover de boete daarbij is vastgesteld op 10% van de
ambtshalve vastgestelde premie geen stand houden, zodat deze besluiten
in zoverre voor vernietiging in aanmerking komen. Gelet op artikel 8:72,
vierde lid, van de Awb zal de Raad zelf in de zaak voorzien.
De Raad is van oordeel dat de oplegging van een boete van 5% aan
appellanten de rechterlijke toets kan doorstaan. Daarbij heeft de Raad
in aanmerking genomen dat vaststelling van de boete op basis van het
Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering van 29 mei
2000, Stb. 2000, 247 niet tot een lagere boete zou hebben geleid.
De Raad acht termen aanwezig gedaagde op grond van artikel 8:75 van de
Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten 1 en 2 in hoger
beroep en in beroep tegen de besluiten van 9 augustus 1999. Deze kosten
worden begroot op € 644,--.
De Raad stelt tot slot vast dat het door appellanten 1 en 2 in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak van 4 juli 2000;
Verklaart de hoger beroepen tegen de uitspraken van 9 januari 1999
niet-ontvankelijk;
Verklaart de beroepen voor zover deze geacht moet worden te zijn gericht
tegen de besluiten van 9 augustus 1999 gegrond voor zover betrekking
hebbend op de hoogte van de opgelegde boete en vernietigt deze besluiten
in zoverre;
Verklaart deze beroepen voor het overige ongegrond;
Bepaalt dat de boete ten aanzien van appellanten 1 en 2 wordt
vastgesteld op 5% van de ambtshalve vastgestelde premie;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten 1 en 2 tot een
bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uwv;
Verstaat dat het Uwv aan appellanten 1 en 2 het gestorte recht van €
306,30 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|