|
Uitspraak
99/6272
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 23 mei 1997 zijn namens gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen de beslissing van 28 december 1995, onder
handhaving van aanneming van verzekeringsplicht op grond van artikel 3
van de sociale werknemersverzekeringswetten van voor appellant en drie andere maten op
hun hennepkwekerij werkzame personen en uit hun arbeid tegen betaling
voortvloeiende premieverschuldigdheid over de jaren 1990 en 1991 en
daaraan inherente hoofdelijke aansprakelijkheid voor elk van de maten
voor een vierde gedeelte van de totale becijferde premiebedragen.
De Rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 11 november 1999 het
tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. R.G.A. Luinstra, advocaat te Oude Pekela, op de
bij beroepschrift van 21 december 1999 aangevoerde gronden bij de Raad
in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde is in reactie hierop een op 18 mei 2000 gedateerd
verweerschrift bij de Raad ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 januari
2002, waar appellant, na zulks tevoren schriftelijk te hebben bericht,
zich niet heeft doen vertegenwoordigen, en waar namens gedaagde is
verschenen mr. H.C.F. Bollen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Op grond van tot de gedingstukken behorende verklaringen, waaronder die
van appellant zelf, heeft appellant met zijn maten [A.], [B.] en [C.]
geld, arbeid, know-how en materieel ingebracht om voor gezamenlijke
rekening en verantwoording en ter gelijke verdeling van de opbrengsten
een hennepkwekerij te [vestigingsplaats] te exploiteren, waarop in de
jaren 1990 en 1991 door verschillende werknemers in het bijzonder in
oogsttijd onder leiding tegen betaling persoonlijke arbeid is verricht,
bestaande in het knippen alsmede fijn afwerken van toppen met
marihuanagrondstoffen uit hennepplanten teneinde marihuanavoorraden
voor de handel aan te leggen. Gedaagde heeft bedoelde werknemers
verzekeringsplichtig geacht op grond van het bestaan van een
arbeidsovereenkomst uit hoofde van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten en over de becijferde loonsommen over de
jaren 1990 en 1991 een premieberekening uitgevoerd waarvoor appellant
met diens drie maten gelijkelijk premieschuldig en deswege met
toepassing van de desbetreffende sociale verzekeringswetgeving
hoofdelijk aansprakelijk is geacht.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de aangeduide arbeid
eveneens aangemerkt als verzekeringsplichtige arbeid in de zin van
artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en heeft gedaagdes
besluitvorming niet in strijd geacht met de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur, inzonderheid het gelijkheidsbeginsel en een
redelijke termijnstelling, waarop met name artikel 6, eerste lid, van
het EVRM ziet.
In hoger beroep is vanwege appellant het vervullen van een
leidinggevende rol zijnerzijds bij verzekeringsplichtige arbeid door op
de hennepkwekerij in geding werkzame werknemers op grond van artikel 3
van de sociale werknemersverzekeringswetten betwist, onder aantekening
dat geen adequaat en specifiek zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgehad
naar de gang van zaken en dat te zijnen aanzien het bestreden besluit
ondeugdelijk is gemotiveerd en ook overigens de toets aan het
gelijkheidsbeginsel niet kan doorstaan.
In verweer, nader toegelicht ter zitting van de Raad, heeft gedaagde
doen betogen dat het verrichte onderzoek en de afgelegde verklaringen in
voldoende mate uitwijzen dat er bij het kweken van verboden grondstoffen
op de hennepkwekerij sprake is geweest van een maatschap van vier
personen, waaronder ook appellant zelf, en dat genoegzaam zorgvuldig is
aangetoond dat de geschetste arbeid van werknemers in de jaren 1990 en
1991 verzekeringsplichtige arbeid in de zin van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten heeft betroffen, waaraan - desgevraagd -
gezien de ondernomen agrarische aard van de activiteiten de illegale
aspecten hiervan daaraan niet zouden hebben afgedaan en waarbij
overigens het beroep op het gelijkheidsbeginsel in verhouding tot de
maten die bewilligd hebben in een eerder overeengekomen schikking,
faalt.
De Raad overweegt het volgende.
Zowel de specifiek toepasselijke wetgeving, zoals die blijkt uit de
bepalingen en de strekking van de Opiumwet waar die beoogt schade voor
de gezondheid en voor de samenleving ter zake van strafrechtelijk
verboden teelt en handel in hennepproducten inzonderheid in casu
marihuana met onaanvaardbare risico's tegen te gaan, als de algemeen
vigerende wetgeving van het Burgerlijk wetboek inzake
arbeidsovereenkomsten als de onderhavige, waar deze zich keert tegen de
totstandkoming van naar doelstelling met de openbare orde strijdige
activiteiten, brengen de Raad, de desbetreffende wetgeving op zichzelf
en in onderling verband bezien, tot het oordeel dat te dezen tussen
appellant en de "henneptoppers" om reden van illegale
stelselmatige marihuanakweekactiviteiten en deswege wegens strijd met
de openbare orde geen rechtsgeldige arbeidsovereenkomsten tot stand
gekomen zijn. Deze arbeidsovereenkomsten, waarbij contractspartijen
immers kennelijk willens en wetens hebben beoogd uitvoering te geven aan
strafrechtelijk verboden en in casu ook metterdaad bestrafte
ondernemersactiviteiten gericht op het bevorderen van geregelde kweek en
daaruit voortvloeiende handel in marihuana en daarmede tevens een
evident ongeoorloofde oorzaak aan die overeenkomsten ten grondslag
gelegd hebben, acht de Raad dientengevolge nietig op basis van artikel
3:40, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij heeft de Raad
tevens in aanmerking genomen dat er ter zake van de desbetreffende
winningsactiviteiten van marihuana geen sprake is van overheidswege als
uitvloeisel van relevante maatschappelijke ontwikkelingen ontwikkeld
algemeen of specifiek geldend consistent gedoogbeleid.
Onder de gegeven omstandigheden behoeven de grieven van appellant geen
bespreking.
Op grond van het vorenoverwogene komen de aangevallen uitspraak en het
daarbij in stand gelaten bestreden besluit naar het oordeel van de Raad
voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant in - hoger - beroep voor verleende rechtsbijstand, als in
rubriek III is aangegeven.
Tenslotte stelt de Raad vast dat de door appellant in eerste aanleg en
in hoger beroep gestorte griffierechten door gedaagde dienen te worden
vergoed.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in - hoger -
beroep tot een bedrag groot € 966,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant de gestorte rechten van € 102,12,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|