|
Uitspraak
99/5473
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[X.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft bij aanvullend beroepschrift van 15 februari 2000 hoger
beroep doen instellen tegen een uitspraak van de Rechtbank Dordrecht van
17 september 1999, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Mr. drs. R.A.J. Joore, belastingadviseur te Soesterberg, heeft als
gemachtigde van gedaagde bij schrijven (met bijlagen) van 12 juli 2000
van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 februari 2002,
waar voor appellant is verschenen mr. R.P. Bourne, terwijl gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. Joore, voornoemd.
II. MOTIVERING
Appellant heeft bij het bestreden besluit van 19 maart 1997 de aan
gedaagde uitgereikte correctienota's over de jaren 1991 tot en met 1994
met betrekking tot de aan haar werknemers ten titel van
reiskostenvergoeding uitbetaalde overuren onverkort gehandhaafd. Het
bezwaar tegen de boetenota's van 100% over die jaren is bij dat besluit
gegrond verklaard in dier voege dat de boete is kwijtgescholden tot 25%
van de ambtshalve vastgestelde premie.
Aan de correctienota's ligt ten grondslag een looncontrolerapport van 30
oktober 1995 van een onderzoek waarin appellant heeft geparticipeerd,
naar aanleiding van de inbeslagname van de administratie van gedaagde
door de FIOD op 30 maart 1995. Hierbij is uitgegaan van de door de FIOD
en de belastingdienst Gorinchem aangeleverde bescheiden. Bij dit
onderzoek is geconstateerd dat overuren als reiskostenvergoedingen zijn
uitbetaald. Door de werknemers is een overurenweekstaat bijgehouden,
welke overuren in geld aan het eind van de week zijn teruggerekend naar
kilometers. Blijkens het rapport van de belastingdienst werden deze
overurenweekstaten vervolgens vernietigd.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het
bestreden besluit vernietigd.
Daartoe is wat de correctienota's betreft door de rechtbank - kort
samengevat - geoordeeld dat de omstandigheid dat de door gedaagde voor
haar bewijslevering noodzakelijk geachte gegevens namelijk de
overwerkstaten en weekplanningstaten, die door de FIOD cq de
belastingdienst niet konden worden geretourneerd omdat deze stukken in
het ongerede waren geraakt, een schending oplevert van het 'equality of
arms'-beginsel, zodat het bestreden besluit in dit opzicht wegens strijd
met de eisen van een goede procesorde vernietigd dient te worden. Verder
heeft de rechtbank gemeend dat bij de vaststelling van de
correctienota's ten onrechte is uitgegaan van een steekproef.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de boetenota's geen stand kunnen
houden omdat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is
voorbereid en gemotiveerd, zodat dit wegens strijd met de artikelen 3:3,
3:46 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in
aanmerking komt. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat bij een
boeteoplegging aan de werkgever (de vennootschap), terwijl de directeur
van de vennootschap, grootaandeelhouder, van die vennootschap een
onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling heeft ondergaan, een
belangenafweging vergt die niet heeft plaatsgevonden. In dit verband
heeft de rechtbank gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 20 juni
1990, onder andere gepubliceerd in AB 1991/67.
Voorts heeft de rechtbank het beroep van gedaagde op overschrijding van
de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM terecht
geacht gelet op het feit dat sedert de dagtekening van de primaire
boetebesluiten van 29 december 1995 sindsdien ruim 3,5 jaren zijn
verstreken zonder dat voor deze termijn voldoende rechtvaardiging kan
worden gevonden in de complexiteit van de zaak en/of de opstelling van
partijen.
Appellant heeft zich wat de correctienota's betreft tegen het oordeel
van de rechtbank gekeerd dat gedaagde door het in het ongerede raken van
een deel van de in beslag genomen administratie in haar processuele
belangen is geschaad. Voorts heeft appellant bestreden dat aan de
correctienota's een steekproef ten grondslag ligt.
Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat de rechtbank door te
overwegen dat een strafrechtelijke vervolging en veroordeling van de
bestuurder en grootaandeelhouder, in beginsel niet met zich behoeft te
brengen dat het hem niet meer vrij zou staan aan gedaagde, als
werkgever, een administratieve boete op te leggen, dan wel dat een
eenmaal opgelegde boete zou behoren te vervallen, geoordeeld heeft dat
een ne bis in idem-situatie zich niet voordoet, zodat een (verdere)
afweging van de omstandigheden niet meer noodzakelijk is.
De Raad stelt voorop dat de Co๖rdinatie Sociale Verzekering (CSV) in
artikel 4 bepaalt dat al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten loon
vormt.
Op dit loonbegrip worden in artikel 6 CSV een aantal uitzonderingen
gemaakt, waaronder die voor vergoedingen voor zover zij geacht kunnen
worden te strekken tot bestrijding van kosten tot verwerving van loon.
Gelet op het uitzonderingskarakter van deze laatste bepaling, ligt het
op de weg van de werkgever om aannemelijk te maken dat sprake is van re๋le
onkostenvergoedingen. In het onderhavige geschil is onbetwist dat de
verrichte overwerkuren werden herrekend tot kilometervergoedingen. Vast
staat voorts dat de werknemers van gedaagde de door hen eventueel
zakelijk gereden kilometers niet op declaratiebasis vergoed kregen. Dit
brengt mee dat de administratie van gedaagde onvoldoende op juistheid
verifieerbare gegevens bevatte om aan de op gedaagde rustende bewijslast
te voldoen.
In de omstandigheid dat van de bij gedaagde in beslag genomen
administratie door de belastingdienst een bundel overwerkstaten en
weekplanningsstaten vanaf 1991 niet werden geretourneerd aan gedaagde,
kan de Raad geen grond zien voor het oordeel dat gedaagde in haar
processuele belangen is geschaad. Immers, in het rapport van de
belastingdienst is duidelijk vermeld dat de overwerkstaten na omrekening
tot kilometers door gedaagde zijn vernietigd. Dat zich in de
administratie van gedaagde wellicht nog wel enkele overwerkstaten en
weekplanningsstaten bevonden, mag een feit zijn, doch bezien in het
licht van het voorgaande kan hieraan toch niet de betekenis toekomen die
gedaagde hieraan gehecht wenst te zien.
Bovendien heeft de Raad, anders dan de rechtbank, uit voormeld
looncontrolerapport in samenhang beschouwd met voormeld rapport van de
belastingdienst moeten vaststellen dat appellant de correctienota's niet
heeft berekend op basis van een steekproef, doch aan de hand van een
(volledig) onderzoek van de in beslag genomen administratie van gedaagde.
Deze constatering is in hoger beroep ook telefonisch aan appellant als
juist bevestigd.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak op dit onderdeel geen stand
kan houden.
Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank, gelet op
vorenvermeld arrest van de Hoge Raad terecht en op goede gronden heeft
geoordeeld dat in een situatie als de onderhavige, waarin de
directeur-grootaandeelhouder van gedaagde onherroepelijk strafrechtelijk
is veroordeeld onder meer tot betaling van een geldsom, appellant een
afweging van alle betrokken belangen zal moeten maken omtrent de vraag
of boetenota's moeten worden opgelegd aan de vennootschap waarvan de
directeur grootaandeelhouder is en zo ja, tot op welke hoogte. Bij deze
belangenafweging zal in ieder geval bezien moeten worden of en in
hoeverre de vennootschap wegens dezelfde feiten als waarvoor de
directeur-grootaandeelhouder strafrechtelijk is veroordeeld en of
hierdoor die directeur tweemaal in zijn vermogen wordt getroffen.
Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat in casu de redelijke
termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is geschonden. De
Raad ziet hierin grond gelegen om de opgelegde boetenota's in ieder
geval met 10% te matigen.
Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak wat de boetenota's betreft
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde. Deze worden
begroot op 644,--. Van andere te vergoeden kosten is de Raad niet
gebleken.
Ten slotte stelt de Raad op grond van artikel 22, derde lid, van de
Beroepswet vast dat van appellant een griffierecht van 327,-- dient
te worden geheven.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze een vernietiging
inhoudt van het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op de
correctienota's;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag van 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht wordt geheven van 327,--.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|