|
Uitspraak
00/322
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[X. B.V.], gevestigd te [Y.], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 2 juni 1998 heeft gedaagde onder meer ongegrond
verklaard de bezwaren van appellante tegen correctienota's over 1995,
gedateerd 25 oktober 1996 en 8 april 1997.
De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van 28
december 1999 het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellante is drs. C. Overduin, belastingadviseur te Alphen aan
den Rijn, op bij aanvullend beroepschrift van 28 februari 2000
aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 26 april 2000, ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 26 juli 2001 enkele vanwege de
Raad gestelde vragen beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 november
2001, waar voor appellante is verschenen drs. Overduin, voornoemd, en
waar voor gedaagde is verschenen mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij Gak
Nederland B.V.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat, anders dan van de kant van appellante is
gesteld, uitsluitend in geschil zijn de hiervoor vermelde
correctienota's over 1995. Het bestreden besluit ziet niet op de nota,
gedateerd 8 april 1997, met betrekking tot het premiejaar 1996. Dit
besluit behoefde op die nota ook geen betrekking te hebben, nu daartegen
geen bezwaarschrift was ingediend.
De Raad overweegt voorts het volgende.
Bij appellante, die in 1995 Poolse arbeidskrachten uitleende in de
vleesbranche, is van 27 augustus 1996 tot 17 december 1996 een
looncontrole gehouden door een looninspecteur van gedaagde.
Vooruitlopend op de afronding van deze controle heeft gedaagde
appellante een correctienota, gedateerd 25 oktober 1996, over 1995 doen
toekomen. Na afronding van de controle heeft gedaagde appellante een
aanvullende correctienota, gedateerd 8 april 1997, over 1995 doen
toekomen. De bij deze nota's aangebrachte correcties hebben onder meer
betrekking op een onjuiste tariefgroepindeling van de Poolse
arbeidskrachten van appellante, overwerkvergoedingen en
reiskostenvergoedingen.
De rechtbank is bij de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat
de van de zijde van appellante aangevoerde bezwaren tegen het bestreden
besluit niet kunnen leiden tot vernietiging van dit besluit.
Van de zijde van appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de
gevolgen die gedaagde heeft verbonden aan de indeling van haar Poolse
werknemers in tariefgroep 1 in plaats van tariefgroep 2, in strijd zijn
met de zogeheten bruteringsarresten van de Hoge Raad van 4 mei 1994, nu
zij niet bereid was deze ongunstiger indeling voor de loonbelasting voor
haar rekening te nemen. Met betrekking tot de overwerkvergoedingen is
door appellante gesteld dat bij één bedrijf waaraan zij haar
werknemers uitleende, deze vergoedingen werden betaald door dat bedrijf,
en dat bij twee andere bedrijven gedaagde is uitgegaan van een te hoog
uurloon. Ter zitting van de Raad is hieraan toegevoegd dat ook de
hierbij toegepaste brutering zich niet verdraagt met evenbedoelde
arresten. Met betrekking tot de aangebrachte correcties ter zake van de
reiskostenvergoedingen is door appellante aangevoerd dat zij in haar
loonadministratie deze vergoedingen door middel van toepassing van het
reiskostenforfait op een juiste wijze heeft verantwoord en het daarbij
irrelevant is of er werkelijke kosten zijn gemaakt door de werknemers om
zich naar het werk te begeven. Voorts heeft appellante gesteld dat bij
de aangebrachte correcties is uitgegaan van een onjuist percentage voor
de Ziektewet, in het bijzonder voor wat betreft haar indeling in het
kader van de premiedifferentiatie.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
In de door appellante bedoelde arresten van de Hoge Raad, gepubliceerd
in RSV 1995/10 en 11, ligt naar het oordeel van de Raad niet besloten
dat, indien een werkgever het met zijn werknemer afgesproken nettoloon
zelf op een onjuiste wijze bruteert en wel naar een te laag brutoloon,
daarmee is gegeven dat de werkgever het verschil tussen dit brutoloon en
het brutoloon dat hij mede in aanmerking had moeten nemen voor het
afdragen van premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten,
niet voor zijn rekening heeft willen nemen. Evenmin ligt in deze
arresten besloten dat in het geval een werkgever slechts voor een
gedeelte de afgesproken nettolonen bruteert, daarmee is gegeven dat de
werkgever voor het resterende deel de inhouding niet voor zijn rekening
heeft willen nemen. Nu appellante zelf de afgesproken nettolonen heeft
gebruteerd, moet het ervoor worden gehouden dat zij de inhoudingen voor
de loonbelasting voor haar rekening zou nemen. Dat zij onjuist
(tariefgroepindeling) en onvolledig (overwerkvergoedingen) heeft
gebruteerd, maakt dit niet anders.
Mede gelet op de gebrekkige administratie van appellante inzake de
gemaakte overuren en de wijze waarop appellante omging met de
urenbriefjes (overschrijven/wijzigen), ziet de Raad geen grond om met
betrekking tot de gemaakte schatting van het aantal overuren tot een
ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De door haar
gebezigde overwegingen onderschrijft de Raad. De Raad voegt hier met
betrekking tot de stelling van appellante dat bij één bedrijf de
overuren werden uitbetaald door dat bedrijf, aan toe dat hij niet vermag
in te zien waarom de werknemers van appellante zodra zij bij dat bedrijf
overuren maakten, gedurende die uren bij dat bedrijf in dienst zouden
zijn. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat deze
betalingen namens appellante zijn geschied.
Met betrekking tot de reiskostenvergoedingen is de Raad van oordeel dat,
gelet op de verklaring, gedateerd 19 november 1996, van de directeur van
appellante, inhoudende dat de onder deze benaming verrichte betalingen
werden gedaan als tegemoetkoming in de reisduur van en naar het werk,
deze betalingen het karakter van reiskostenvergoedingen ontberen.
Met betrekking tot het toegepaste percentage voor de Ziektewet overweegt
de Raad dat partijen niet meer beschikken over het besluit waarbij
appellante voor 1995 is ingedeeld in een bepaalde
premiedifferentiatieklasse. Nu in deze procedure deze indeling niet in
geschil kan zijn, kan er slechts grond zijn voor het oordeel dat een
onjuist percentage is toegepast, indien bij de correctienota's een ander
percentage is gehanteerd dan appellante zelf had gehanteerd. Dit laatste
is evenwel gesteld, noch gebleken.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege
de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|