|
Uitspraak
98/8488
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 november 1995 heeft gedaagde afwijzend beslist op het
verzoek van appellante om voor een zevental van haar werknemers vanaf 1
januari 1995 een overeenkomst te sluiten met Duitsland als bedoeld in
artikel 17 van EEG-Verordening 1408/71 (hierna: de Verordening),
teneinde de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving op hen van
toepassing te laten blijven. Ten aanzien van vijf van deze werknemers
heeft gedaagde daarbij overwogen dat aan Duitsland zal worden verzocht
voor hen een zodanige overeenkomst te sluiten dat hun overgang naar het
Duitse socialeverzekeringsstelsel niet eerder dan per 1 januari 1997
zal plaatsvinden.
Bij beslissing op bezwaar van 13 maart 1996 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 23 november
1995 gegrond verklaard voor zover gericht tegen de weigering van
gedaagde voor twee werknemers een overeenkomst op grond van artikel 17
van de Verordening te sluiten. Ook ten aanzien van deze werknemers heeft
gedaagde overwogen dat aan Duitsland zal worden verzocht een zodanige
overeenkomst te sluiten dat hun overgang naar het Duitse socialeverzekeringsstelsel eerst met ingang van 1 januari 1997 plaatsvindt.
Voor het overige heeft gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond
verklaard.
De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 26 oktober 1998 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is prof. dr. P. Kavelaars, werkzaam bij Deloitte &
Touche te Rotterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens hebben partijen naar aanleiding van een daartoe strekkend
verzoek van de Raad nog enige nadere stukken in het geding gebracht-
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 maart
2002, waar namens appellante is verschenen prof. dr. Kavelaars,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
C.A.J. Mastenbroek, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante is een in Nederland gevestigde onderneming welke onder meer
baggerwerkzaamheden verricht in Nederland en Duitsland. Twee
baggerschepen van appellante, de [baggerschip 1] en de [baggerschip 2],
zijn al vele tientallen jaren uitsluitend werkzaam in of nabij havens in
Noord-Duitsland. De aan boord van deze twee baggerschepen werkzame
werknemers van appellante zijn alle woonachtig in Nederland. Zij werken
gedurende één week continu op het baggerschip, zonder naar hun
woonplaats terug te keren, en wonen gedurende die week ook aan boord van
het baggerschip. De daarop volgende week hebben zij verlof en verblijven
dan in Nederland bij hun gezin. Deze werknemers beschikken allen over
een monsterboekje.
De aan boord van voornoemde twee baggerschepen werkzame werknemers zijn
in ieder geval vanaf 1982 tot 31 maart 1990 op grond van met Duitsland
gesloten overeenkomsten in het kader van artikel 17 van de Verordening
verzekerd geweest ingevolge de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving.
Vervolgens is voor deze werknemers vanaf 31 maart 1990 tot 1 januari
1995 de verplichte verzekering ingevolge de Nederlandse wetgeving
gehandhaafd, omdat aangenomen werd dat zij werkzaam waren op onder
Nederlandse vlag varende zeeschepen, zodat op hen op grond van artikel
13, tweede lid, onder c van de Verordening de Nederlandse wetgeving van
toepassing was.
Bij brief van 25 juli 1995 heeft appellante aan gedaagde verzocht om
voor een zevental werknemers, die allen voortdurend in Noord-Duitsland
werkzaam zijn op voornoemde twee baggerschepen, een overeenkomst te
sluiten met Duitsland als bedoeld in artikel 17 van de Verordening,
teneinde de Nederlandse wetgeving op hen van toepassing te doen zijn.
Bij het primaire besluit van 23 november 1995 heeft gedaagde afwijzend
op dit verzoek beslist, omdat sprake is van werkzaamheden voor
onbepaalde tijd in Duitsland. Ten aanzien van vijf van de werknemers,
voor wie al eerder overeenkomsten als bedoeld in artikel 17 van de
Verordening waren gesloten, heeft gedaagde - vanuit overwegingen inzake
algemene beginselen van behoorlijk bestuur - besloten om tot 1 januari
1997 nog wel een overeenkomst met Duitsland te sluiten, ten einde
appellante in de gelegenheid te stellen de noodzakelijke maatregelen te
treffen in het kader van de overgang van die werknemers naar de Duitse
wetgeving.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar van appellante
gegrond verklaard, voor zover dat was gericht tegen de weigering voor
twee van de werknemers vanaf 1 januari 1995 een overeenkomst op grond
van artikel 17 van de Verordening te sluiten. Ook ten aanzien van deze
werknemers heeft gedaagde aangegeven dat in samenspraak met de Duitse
autoriteiten, alsnog een zodanige overeenkomst zal worden gesloten dat
hun overgang naar het Duitse verzekeringsstelsel eerst met ingang van 1
januari 1997 zal plaatsvinden. Voor het overige heeft gedaagde het
bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Namens appellante is in beroep - onder meer - aangevoerd dat gedaagde er
ten onrechte van uitgaat dat ten aanzien van de zeven werknemers van
appellante de Duitse wetgeving van toepassing is, omdat de baggerschepen
waarop zij werkzaam zijn aan te merken zijn als zeeschepen, zodat op
grond van artikel 13, tweede lid, onder c, van de Verordening de
Nederlandse wetgeving op hen van toepassing is. Daarbij is aangevoerd
dat nu in de Verordening het begrip zeeschip niet nader is gedefinieerd
de nationale Nederlandse wetgeving bepalend is voor de uitleg van dit
begrip. Appellante is van oordeel dat de [baggerschip 1] en de
[baggerschip 2] op grond van het Nederlandse recht zeeschepen zijn.
Namens appellante is voorts in beroep een brief van de Duitse
See-Krankenkasse van 13 september 1996 overgelegd, waarin deze instantie
aangeeft van oordeel te zijn dat op de werknemers van appellante niet de
Duitse wetgeving van toepassing is. Gedaagde heeft na kennisneming van
deze brief aan appellante medegedeeld dat de zeven werknemers van
appellante als verplicht verzekerd krachtens de Nederlandse wetgeving
zullen worden beschouwd tot het moment waarop over deze kwestie in
hoogste rechterlijke instantie is beslist.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard,
overwegende dat voor de uitleg van het begrip zeeschip niet de
Nederlandse wetgeving bepalend is. Nu in de Verordening dit begrip niet
nader is omschreven moet volgens de rechtbank uitgegaan worden van de
feitelijke situatie. De rechtbank is vervolgens tot de conclusie gekomen
dat een baggerschip uit de aard van zijn functie, het uitbaggeren van
ondiepe wateren, niet aangemerkt kan worden als een zeeschip.
In hoger beroep hebben partijen hun standpunten herhaald. Op verzoek van
de Raad heeft appellante afschriften van de registratie van de
[baggerschip 1] en de [baggerschip 2] in het register als bedoeld in
artikel 8:193 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in het geding gebracht,
alsmede afschriften van de op grond van de Zeebrievenwet voor deze
schepen afgegeven zeebrieven.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat gedaagde bij het bestreden besluit heeft
geweigerd om vanaf 1 januari 1997 met toepassing van artikel 17 van de
Verordening voor zeven werknemers van appellante een overeenkomst te
sluiten met de Duitse autoriteiten ertoe strekkende dat de Nederlandse
wetgeving op hen van toepassing blijft. Zoals de Raad al eerder heeft
overwogen in zijn uitspraak van 24 januari 2001 (USZ 01/77 en RSV
01/139) moet een dergelijk besluit aangemerkt worden als een besluit in
de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Voorts stelt de Raad vast dat het geschil tussen partijen in deze
procedure niet zozeer betrekking heeft op de vraag of gedaagde terecht
afwijzend heeft beslist op het verzoek van appellante om een
overeenkomst als bedoeld in artikel 17 van de Verordening te sluiten,
maar veeleer op de (prealabele) vraag of gedaagde terecht heeft
aangenomen dat op voornoemde werknemers van appellante de Nederlandse
wetgeving niet van toepassing is. In het verlengde van zijn uitspraken
van 13 maart 1996 (RSV 96/139) en 19 maart 1997 (USZ 97/148) overweegt
de Raad dat in het algemeen ervan mag worden uitgegaan dat wanneer een
verzoek tot het sluiten van een overeenkomst ex artikel 17 van de
Verordening ten aanzien van bepaalde werknemers wordt ingediend ertoe
strekkende dat op die personen de Nederlandse wetgeving van toepassing
wordt, de betreffende werknemers door de aanvrager als niet verzekerd
krachtens het nationale recht moeten worden aangemerkt. Er kunnen zich
echter omstandigheden voordoen die het omtrent het sluiten van zo'n
overeenkomst bevoegde orgaan, en ook de rechter, nopen om in verband met
het verzoek en de daarop te geven beslissing de positie van de
werknemers in relatie tot de regelingen betreffende de verplichte
verzekering in ogenschouw te nemen. Dit kan onder meer aan de orde zijn
in het geval dat die positie niet zonder meer inzichtelijk is in verband
met de toepasselijkheid van supra- of internationale regelingen. Een
zodanige omstandigheid doet zich hier naar 's Raads oordeel voor, zodat
de Raad eerst de vraag zal bespreken of de betreffende werknemers van
appellante op grond van de Verordening verplicht verzekerd zijn
krachtens de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de zeven werknemers van
appellante die werkzaam zijn op de [baggerschip 1] en de [baggerschip 2]
op grond van artikel 13, tweede lid, onder c, van de Verordening
krachtens de Nederlandse wetgeving verzekerd zijn. In dit artikellid is
bepaald dat onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17 van de
Verordening op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord
van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, de wetgeving
van die staat van toepassing is. Het geschil tussen partijen spitst zich
derhalve toe op de vraag of de twee hiervoor genoemde baggerschepen
zeeschepen zijn als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder c, van de
Verordening.
Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EG heeft artikel 13 van de
Verordening tot doel aan te wijzen welke nationale regeling van
toepassing is en de betreffende werknemers onder de socialezekerheidsregeling van één lidstaat te brengen ten einde samenloop en
mogelijke complicaties te voorkomen. Daartoe bepaalt artikel 13, tweede
lid, sub a, van de Verordening dat op degene die op het grondgebied van
een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent in beginsel de
wetgeving van die staat van toepassing is. Artikel 13, tweede lid, sub c
bevat een bijzondere bepaling inhoudende dat op degene die zijn
beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de
vlag van een lidstaat vaart, de wetgeving van die staat van toepassing
is.
De Raad ziet zich derhalve geplaatst voor de vraag of in het onderhavige
geval gesproken moet worden van werknemers die aan boord van een
zeeschip dat onder de Nederlandse vlag vaart hun werkzaamheden
uitoefenden.
In artikel 8:2 BW is bepaald dat onder zeeschepen worden verstaan de
schepen, die te boek staan in het in artikel 8:193 BW genoemde register,
alsmede de schepen, die noch in dit register, noch in het in artikel
8:783 BW genoemde register te boek staan en blijkens hun constructie
uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd. Uit deze
bepaling vloeit voort dat een schip dat te boek is gesteld in het
zeeschepenregister als bedoeld in artikel 8:193 BW reeds op die grond
een zeeschip is. Blijkens het bepaalde in artikel 8:194 e.v. BW kunnen
slechts schepen die aan een aantal vereisten voldoen in dit register
worden geregistreerd. De kwalificatie als zeeschip leidt er voorts toe
dat op grond van het Wetboek van Koophandel de bepalingen van het
zeerecht op dergelijke schepen van toepassing zijn, waaronder bepalingen
omtrent de arbeidsverhouding met de kapitein en schepelingen en omtrent
de monsterrol en monsterboekjes.
De [baggerschip 1] en de [baggerschip 2] zijn blijkens de namens
appellante overgelegde uittreksels uit het zeeschepenregister in dat
register ingeschreven en voorts zijn voor deze schepen zeebrieven
afgegeven op grond van de Zeebrievenwet. Hieruit volgt naar 's Raads
oordeel reeds dat deze twee baggerschepen, gelet op het hiervoor
overwogene, zeeschepen zijn naar Nederlands recht. Voor dit oordeel
vindt de Raad steun in de door appellante overgelegde brief van het
Ministerie van Verkeer en Waterstaat van 16 augustus 1995, waarin is
aangegeven dat een baggerschip dat in het bezit is van een zeebrief een
Nederlands zeeschip is. Verder blijkt uit het feit dat de op voornoemde
schepen werkzame werknemers beschikken over een monsterboekje dat zij
als bemanningsleden van een zeeschip worden behandeld. De door gedaagde
overgelegde nota aan de Commissie Verzekeringsaangelegenheden heeft de
Raad ten slotte niet tot een ander oordeel kunnen brengen, nu in die
nota geen onderscheid wordt gemaakt tussen baggerschepen die op grond
van artikel 8:2 BW wel een zeeschip zijn naar Nederlands recht en
baggerschepen die niet aan de in dat artikel gestelde voorwaarden
voldoen.
Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het naar Nederlands
recht geen twijfel lijdt dat in het onderhavige geval van zeeschepen die
onder Nederlandse vlag varen moeten worden gesproken. Bij gebreke van
elke aanwijzing in de Verordening in tegengestelde zin, ziet de Raad
geen enkel aanknopingspunt om in het kader van de toepassing van de
Verordening een andere uitleg aan de term (onder Nederlandse vlag
varend) zeeschip te gegeven dan uit bovenstaande overwegingen
voortvloeit. In dat verband merkt de Raad nog op dat partijen zich op
het standpunt hebben gesteld dat de hen verdeeld houdende vraag door het
Nederlandse recht dient te worden beslist. De Raad acht zich echter
gelet op het voorgaande niet gehouden de in dit geding aan de orde
zijnde vraag van gemeenschapsrecht te verwijzen naar het Hof van
Justitie EG, nu immers redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan aan de
uitleg van het gemeenschapsrecht in deze.
Dit alles leidt tot de slotsom dat de [baggerschip 1] en de [baggerschip
2] zeeschepen zijn als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder c, van
de Verordening, zodat op de op deze baggerschepen werkzame werknemers
van appellante de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van
toepassing is. Dit oordeel brengt mee dat gedaagde terecht, zij het op
onjuiste gronden, heeft geweigerd een overeenkomst als bedoeld in
artikel 17 van de Verordening met de Duitse autoriteiten te sluiten met
betrekking tot deze werknemers ertoe strekkende dat de Nederlandse
wetgeving op hen van toepassing blijft. De aangevallen uitspraak dient
derhalve te worden bevestigd, zij het met wijziging van gronden.
De Raad acht gelet op het hiervoor overwogene termen aanwezig om op
grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Hierbij merkt
de Raad met het oog op het Besluit proceskosten bestuursrecht nog op dat
gelet op de complexiteit van het onderhavige geding een waardering als
"zwaar" gerechtvaardigd is. De proceskosten worden derhalve
begroot op € 1.207,50 voor verleende rechtsbijstand in beroep en €
1.207,50 in hoger beroep, te betalen door gedaagde.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, ziet de Raad voorts aanleiding
te bepalen dat gedaagde aan appellante het in eerste aanleg en in hoger
beroep betaalde griffierecht van in totaal € 467,39 (voorheen f
1.030,-) dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag groot € 2.415,- te betalen door gedaagde;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde recht van € 467,39
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17
april 2002.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|