|
Uitspraak
00/4872
ALGEM
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant is in hoger beroep gekomen van een uitspraak van de rechtbank
Amsterdam d.d. 18 april 2000, waarbij het beroep van gedaagde tegen
appellants besluit van 2 juni 1999 gegrond is verklaard, dat besluit is
vernietigd en is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand
blijven met ingang van 24 oktober 1998.
De gronden van het hoger beroep zijn aangevoerd bij aanvullend
beroepschrift van appellant van 18 december 2000.
Gedaagde heeft bij gemachtigde mr. D.S. de Ploeg, advocaat te Amsterdam,
verweer gevoerd bij schrijven van 15 februari 2001.
Appellant heeft op dit verweer een reactie gegeven bij brief van 5 maart
2001.
Op verzoek van de Raad heeft appellant een stuk ingezonden bij brief van
6 februari 2002.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 12 juni 2002, waar
van partijen alleen appellant is verschenen, bij gemachtigde drs. N.
Ridder, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 23 oktober 1998 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld
dat hij, in verband met de invoering van de zogeheten Koppelingswet op 1
juli 1998, met ingang van die datum wegens het niet rechtmatig
verblijven in Nederland dan wel het verrichten van arbeid zonder dat aan
de voorwaarden van de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan, niet
verzekerd is ingevolge de Ziektewet, de Ziekenfondswet, de
Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar
van 2 juni 1999 ongegrond verklaard.
Op het beroep tegen dit laatstgenoemde besluit heeft de rechtbank
beslist als in rubriek I van deze uitspraak weergegeven. Daartoe heeft
de rechtbank overwogen, samengevat, dat het bestreden besluit op goede
gronden berust aangezien gedaagde op 1 juli 1998 niet kon worden
aangemerkt als een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verbleef in
de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1 van de Vreemdelingenwet (Vw) en
evenmin in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) arbeid
in dienstbetrekking verrichtte; dat gedaagde niet behoort tot de groep
personen die onder het overgangsrecht als neergelegd in de uitspraak van
de rechtbank van 4 augustus 1999 vallen (op wie de Koppelingswet niet
van toepassing wordt geacht), aangezien gedaagde op 1 juli 1998 niet
rechtmatig in Nederland verbleef in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 3 van de Vw; dat appellant echter de verzekeringsplicht ingevolge
de werknemersverzekeringen van gedaagde niet met ingang van een in het
verleden gelegen tijdstip kon beλindigen zonder in strijd te komen met
het rechtszekerheidsbeginsel, in welk verband de rechtbank, gegeven het
dwingendrechtelijk karakter van de Koppelingswet, hier een situatie
aanwezig acht waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke
voorschriften zozeer in strijd komt met het ongeschreven recht dat die
toepassing op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.
Het hoger beroep richt zich tegen het laatst weergegeven gedeelte van de
overwegingen van de aangevallen uitspraak, op grond waarvan de rechtbank
heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden besluit, onder
instandlating van de rechtsgevolgen daarvan ingaande 24 oktober 1998.
Naar het oordeel van de Raad moet het hoger beroep slagen. Op grond van
de inwerkingtreding van de koppelingswetgeving op 1 juli 1998 was
appellant gehouden de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen ingaande die
datum ook daadwerkelijk te doen intreden. Van handelen jegens gedaagde
in strijd met het ongeschreven recht kan pas sprake zijn als zou blijken
dat gedaagde als gevolg van het eerst bij besluit van 23 oktober 1998
vernomen hebben van de wijziging van zijn rechtspositie ingaande 1 juli
1998, (ernstig) in zijn belangen is geschaad; daarbij valt bijvoorbeeld
te denken aan het intreden van een door de werknemersverzekeringen
gedekt risico tussen de twee genoemde data. Daarvan, of van enige andere
aantasting van gedaagdes belangen als gevolg van handelen van appellant,
is echter niet gebleken. Onder die omstandigheden behoeft - en behoort -
de rechter zich niet te begeven in de vraag of strikte wetstoepassing
wegens strijd met het ongeschreven recht achterwege moet blijven.
Gedaagde heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen
uitspraak. Daarom komt de Raad niet toe aan een beoordeling van de
bezwaren tegen die uitspraak welke bij verweerschrift van 15 februari
2001 zijn ingebracht. Daarbij acht de Raad van belang, dat gedaagde
gerede aanleiding had hoger beroep in te stellen, aangezien de
gegrondverklaring van zijn inleidende beroep door de rechtbank slechts
effect sorteerde over het tijdvak van 1 juli tot 24 oktober 1998.
De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover in
hoger beroep aangevochten, hetgeen ertoe leidt dat het inleidend beroep
ongegrond verklaard dient te worden.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een
vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als hieronder aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|