|
Uitspraak
00/2729
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[bedrijfsnaam] BA, gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 15 maart 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen de besluiten van 30 november 1998 en 14
december 1998, inhoudende een correctienota over het jaar 1997,
onderscheidenlijk de registratie van een administratief verzuim over de
jaren 1993 tot en met 1996.
De Rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 23 maart 2000 het
namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard
voorzover dit is gericht tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren
tegen de verzuimregistratie, dat besluit in zoverre vernietigd,
vorenbedoelde bezwaren alsnog gegrond verklaard, het primaire besluit
van 14 december 1998 vernietigd, gelast dat gedaagde het door appellante
gestorte griffierecht vergoedt en het beroep voor het overige ongegrond
verklaard.
Namens appellante is mr. H. Klomp, werkzaam bij het Directoraat
Juridische en Fiscale Zaken van [bedrijfsnaam 2] te [vestigingsplaats
2], op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden van die
uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 28 augustus 2000,
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 mei 2002,
waar voor appellante is verschenen mr. Klomp, voornoemd, en waar voor
gedaagde is verschenen mr. M.P. Romijn, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De [bedrijfsnaam 2]organisatie, waartoe appellante behoort, kent een
collectieve ongevallenverzekering voor personeelsleden. Blijkens de op
deze verzekering betrekking hebbende gedingstukken is verzekeringnemer
de Stichting Hulp Personeel [bedrijfsnaam 2]organisatie ([naam
stichting]). Verzekerden zijn de werknemers van de bij de [naam
stichting] aangesloten rechtspersonen. De verzekerde periode vangt aan
op 00.00 uur van de datum van indiensttreding en eindigt om 24.00 uur
van de datum waarop het dienstverband wordt beëindigd. Van de
verzekerde periode is uitgesloten de tijd waarin een werknemer betaalde
arbeid verricht anders dan in het kader van de dienstbetrekking met
appellante. In de jaren 1993 tot en met 1996 bedroegen de verzekerde
bedragen van deze 24-uurs ongevallenverzekering:
a. bij overlijden ten gevolge van een ongeval: eenmaal het bruto
jaarsalaris met een minimum van f 10.000,--;
b. bij blijvende algehele invaliditeit ten gevolge van een ongeval:
viermaal het bruto jaarsalaris met een minimum van f 40.000,--;
c. bij blijvende gedeeltelijke invaliditeit ten gevolge van een ongeval:
een percentage van het onder b genoemde bruto jaarsalaris dan wel
minimumbedrag, afhankelijk van de mate van invaliditeit.
Indien recht bestaat op uitkering, keert appellante het bedrag uit aan
de betrokken werknemer of zijn nabestaanden. In feite zorgt de [naam
stichting] voor doorbetaling aan appellante, die op haar beurt de
uitkering in de salarisadministratie verwerkt. De verzekering is
ondergebracht bij een tot de [bedrijfsnaam 2]organisatie behorende
verzekeringsmaatschappij. Appellante betaalt de premie.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde gehandhaafd zijn besluiten van
30 november 1998, inhoudende correctienota's over de jaren 1993 tot en
met 1996, waarbij premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten
zijn nageheven over de in deze jaren op grond van de
ongevallenverzekering aan werknemers van appellante uitgekeerde
bedragen. De nota's zien niet op uitkeringen bij overlijden. Tevens
heeft gedaagde bij het bestreden besluit gehandhaafd zijn besluit van 14
december 1998 tot registratie van een administratief verzuim.
In eerste aanleg heeft gedaagde de registratie van een administratief
verzuim niet gehandhaafd. Hierin heeft de rechtbank grond gezien om het
bestreden besluit in zoverre te vernietigen. Met betrekking tot de
gehandhaafde correctienota's heeft de rechtbank bij de aangevallen
uitspraak, waarin gedaagde is aangeduid als verweerder, het volgende
overwogen:
"Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekeringen (CSV) wordt als loon aangemerkt al hetgeen uit een
dienstbetrekking wordt genoten. Het tweede lid van dat artikel bepaalt
dat tot het loon behoren aanspraken om na verloop van tijd onder een
voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, sub f van de CSV behoren onder meer
niet tot het loon aanspraken op uitkeringen wegens invaliditeit ten
gevolge van een ongeval.
Laatstgenoemde bepaling is met de inwerkingtreding van de Wet van 27
april 1989, houdende aanpassing …. (Wet aanpassing
uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies) in de CSV opgenomen.
Voordien was eenzelfde bepaling te vinden in onder meer het besluit d.d.
18 september 1969 van de voormalige Sociale Verzekeringsraad (SVR). Dat
besluit was gebaseerd op het destijds geldende tweede lid van artikel 6
CSV, waarin onder meer was neergelegd dat de SVR, onder ministeriële
goedkeuring, indien zulks tot vergemakkelijking van de heffing van de
premie kan leiden, kon bepalen welke (andere dan bepaalde in het eerste
lid genoemde) aanspraken en uitkeringen eveneens niet tot het loon
behoren.
De strekking van het bepaalde in artikel 6, tweede lid CSV was blijkens
de Memorie van Toelichting om dezelfde mogelijkheden tot het maken van
uitzonderingen te openen als voorzien in artikel 11, tweede lid, van de
Wet op de loonbelasting en, evenals dat voor de belastingheffing gold,
niet de aanspraken, maar de uitkeringen tot het loon te rekenen.
Het hiervoor overwogene heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat
het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest om niet de
aanspraken op een uitkering bij invaliditeit, maar de uit die aanspraken
voortvloeiende uitkeringen aan premie te onderwerpen. Gelet daarop kan
en zal de rechtbank niet alleen in het midden laten of die uitkeringen
loon uit tegenwoordige dan wel vroegere dienstbetrekking zijn, maar moet
tevens worden geconcludeerd dat verweerder op goede gronden de hier in
geding zijnde uitkeringen tot het premieplichtig loon heeft gerekend en
dat eiseres terzake premie is verschuldigd.
Hoewel premieschuld van rechtswege ontstaat en verweerder op die grond
steeds bevoegd is premies vast te stellen, brengen de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur mee dat een zodanige vaststelling in
beginsel slechts plaatsvindt wanneer verweerder voldoende waarborgen
heeft geschapen om ongelijkheid van de behandeling en willekeur te
voorkomen.
Dienaangaande is van belang dat verweerders gemachtigde ter zitting van
11 februari 2000 heeft medegedeeld dat de voormalige Bedrijfsvereniging
voor het Vervoer de bij haar aangesloten werkgevers geen premie oplegde
voor uitkeringen bij invaliditeit ten gevolge van een ongeval omdat de
werkgevers ingevolge het bepaalde in de betreffende CAO verplicht waren
een collectieve ongevallenverzekering ten behoeve van hun werknemers af
te sluiten. Verweerder heeft aan die handelwijze na 1 maart 1997, met
ingang van welke datum verweerder in de plaats is getreden van
voornoemde bedrijfsvereniging, geen einde gemaakt.
De rechtbank stelt voorop dat vorenomschreven uitvoeringspraktijk, gelet
op het door de rechtbank over het materiële geschilpunt overwogene,
onjuist is. Toepassing van het gelijkheidsbeginsel gaat evenwel niet
zover dat verweerder gehouden zou zijn die foute uitvoeringspraktijk te
herhalen bij andere werkgevers dan die in de vervoersbranche. Vervolgens
is de vraag aan de orde of de keuze om geen einde te maken aan de
gewraakte uitvoeringspraktijk meebrengt dat de oplegging van
premieplicht voor de onderhavige uitkeringen zozeer afhankelijk is van
toevallige factoren, dat sprake is van willekeur. Naar het oordeel van
de rechtbank is dat niet het geval.".
Appellante kan zich hiermede niet verenigen. Primair is zij van mening
dat de rechtbank niet in het midden had mogen laten of de uitkeringen
loon uit tegenwoordige dan wel uit vroegere dienstbetrekking zijn. Aldus
heeft de rechtbank een belangrijk verschil tussen het fiscale loonbegrip
en het loonbegrip voor de sociale werknemersverzekeringswetten
genegeerd. Naar haar mening vormen de uitkeringen loon uit vroegere
dienstbetrekking, omdat deze uitkeringen geen enkel verband houden met
bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte
arbeid. Appellante heeft daarbij gewezen op twee arresten van de Hoge
Raad (BNB 1968/169 en BNB 1986/357). Voorts heeft appellante erop
gewezen dat er geen sprake is van een loongerelateerde uitkering of een
aanvulling op het loon. Onder verwijzing naar de regeling met betrekking
tot de zogeheten stamrechtvrijstelling heeft appellante betoogd dat bij
toepassing van de omkeerregeling niet altijd sprake is van loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking. Dat het te dezen gaat om loon uit
vroegere dienstbetrekking blijkt naar de mening van appellante ook uit
het feit dat deze uitkeringen in de loonbelasting tegen een bijzonder
tarief worden belast.
Subsidiair meent appellante dat de rechtbank haar beroep op het
gelijkheidsbeginsel en haar beroep op het verbod van willekeur had
moeten honoreren.
Gedaagde heeft erop gewezen dat het uitdrukkelijk de bedoeling van de
wetgever is geweest om uitkeringen als de onderwerpelijke onder het
premieplichtig loon in de zin van de CSV te brengen. Gelet hierop vormen
deze uitkeringen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Het nog
bestaan van een dienstbetrekking is in het geval van appellante hiervoor
ook een aanwijzing. In dat kader is door gedaagde ook opgemerkt dat de
uitkeringen direct voortvloeien uit het dienstverband. De uitkering
wordt immers genoten op grond van de dienstbetrekking van de
uitkeringsgerechtigde tot appellante. Voorts worden de uitkeringen ook
verstrekt tijdens het dienstverband.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Terecht heeft de rechtbank in aanmerking genomen en ook gedaagde heeft
daarop gewezen dat de wetgever met artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder f, van de CSV uitdrukkelijk heeft beoogd niet langer de aanspraken
op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een
ongeval tot het premieplichtig loon te rekenen, maar de uitkeringen
zelf. Dat het in dit geval ook gaat om loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking blijkt uit de voorwaarden die de voor personeelsleden
van appellante geldende collectieve ongevallenverzekering kent. Vereist
is een dienstverband met appellante, terwijl er geen verzekering is voor
zover de werknemer betaalde arbeid verricht buiten de dienstbetrekking
met appellante. Tevens moet het ervoor worden gehouden dat de
uitkeringen ook tot uitbetaling komen, terwijl er nog een dienstverband
bestaat. In ieder geval is beëindiging van het dienstverband geen
voorwaarde. Dat de uitkeringen geen verband houden met bepaalde
verrichte arbeid, dan wel in een bepaald tijdvak verrichte arbeid, maakt
dit niet anders. De uitkeringen worden uit dienstbetrekking genoten en
zijn dan ook ingevolge de hoofdregel van artikel 4, eerste lid, van de
CSV loon. Overigens zijn de uitkeringen wel gerelateerd aan de hoogte
van het bruto jaarsalaris. In de door appellante genoemde arresten ziet
de Raad derhalve geen steun voor de opvatting dat sprake is van loon uit
vroegere dienstbetrekking. Ook de wijze waarop de uitkeringen voor de
loonbelasting worden belast, kan niet leiden tot een ander oordeel.
Met betrekking tot het door appellante gedane beroep op het
gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur, sluit de Raad zich aan
bij hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. De Raad voegt hier
nog aan toe dat gesteld noch gebleken is dat appellante in
concurrentiepositie verkeert met werkgevers die voorheen waren
aangesloten bij de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege
de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift van
de uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|