|
Uitspraak
00/639 ALGEM,00/653 CSV, 00/642 CSV, 00/657 ALGEM, 00/644 CSV, 00/660 WAO, 00/646
CSV,
00/666 ALGEM en 00/651 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[bedrijf I], gevestigd te [vestigingsplaats I] (Polen), (verder: [bedrijf I]);
[bedrijf II], gevestigd te Nuenen (verder: [bedrijf II]);
Th. W. [naam directeur], wonende te [vestigingsplaats I] (Polen) (verder:
[naam directeur]), appellanten,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 13 januari 1997 is ongegrond verklaard het bezwaar van [bedrijf I] tegen het besluit van 26 juli 1997, waarbij aan haar is
medegedeeld dat de voor [bedrijf I] werkzame Poolse arbeidskrachten in
een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot haar staan en dat zij
derhalve premieplichtig is (besluit 1).
Bij besluit van 9 juni 1997 is ongegrond verklaard het bezwaar van [bedrijf II] tegen het besluit van 14 november 1996, waarbij
[bedrijf
II] primair onder toepassing van artikel 16c, eerste lid onder a, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en subsidiair onder toepassing van artikel 16c, eerste lid onder
b, van de CSV,
aansprakelijk is gesteld voor de door [bedrijf I] onbetaald gelaten
(voorschot)premies over de jaren 1995 en 1996 ten bedrage van f
744.236,28 (besluit 2).
Bij een tweede besluit van 9 juni 1997 is ongegrond verklaard het
bezwaar van [bedrijf II] tegen het besluit van 14 januari 1997, waarbij
gedaagde heeft geweigerd aan [bedrijf II] uitstel van betaling te
verlenen voor betaling van de premie van f 744.236,28 (besluit 3).
Bij het derde besluit van 9 juni 1997 is [naam directeur] subsidiair op
grond van artikel 16c, eerste lid onder b, van de CSV, aansprakelijk
gesteld voor de door [bedrijf I] onbetaald gelaten (voorschot)premies
over de jaren 1995 en 1996 ten bedrage van f 744.236,28.
Bij een vierde besluit van 9 juni 1997 is ongegrond verklaard het
bezwaar van [naam directeur] tegen het besluit van 14 januari 1997,
waarbij gedaagde heeft geweigerd aan [naam directeur] uitstel van
betaling te verlenen voor betaling van de premie van f 744.236,28
(besluit 5).
Bij besluit van 18 december 1998 is ongegrond verklaard het bezwaar van
[bedrijf I] tegen het besluit van 27 mei 1998, waarbij de voor [bedrijf
I] geldende gedifferentieerde premie over het premiejaar 1998 is
vastgesteld op 0,09% (besluit 6).
Bij een tweede besluit van 18 december 1998 is ongegrond verklaard het
bezwaar van [bedrijf I] tegen het besluit van 3 maart 1998, waarbij [bedrijf I] er van in kennis is gesteld dat ten onrechte is medegedeeld
dat zij geen verzekeringsplichtig personeel in dienst heeft en dat de
aansluiting bij de sector Groothandel II abusievelijk is geannuleerd
(besluit 7).
Bij een derde besluit van 18 december 1998 is ongegrond verklaard het
bezwaar van [bedrijf II] tegen het voormelde besluit van 3 maart 1998
(besluit 8).
Bij een vierde besluit van 18 december 1998 is ongegrond verklaard het
bezwaar van [naam directeur] tegen het voormelde besluit van 3 maart
1998 (besluit 9).
Namens appellanten is tegen de aan hen gerichte besluiten beroep
ingesteld bij de Rechtbank Amsterdam.
De rechtbank heeft op 3 december 1999 een zestal uitspraken gedaan,
waarbij de namens [bedrijf I] tegen de besluiten 1, 6 en 7 ingestelde
beroepen ongegrond zijn verklaard, de namens [bedrijf II] tegen de
besluiten 2, 3 en 8 ingestelde beroepen ongegrond zijn verklaard en de
namens [naam directeur] tegen de besluiten 4, 5 en 9 ingestelde beroepen
ongegrond zijn verklaard.
Namens appellanten is tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld.
Van de zijde van gedaagde zijn verweerschriften, alle gedateerd 27 maart
2000, ingediend.
De gronden van het beroep zijn nader toegelicht in aanvullende
beroepschriften (met bijlagen), alle bij de Raad binnengekomen op 13
juni 2000.
Bij schrijven van 24 juli 2000 is van de zijde van appellanten een nader
stuk overgelegd.
Bij schrijven van 25 juli 2001 is van de zijde van [bedrijf II] en [naam
directeur], onder overlegging van een arrest van de Hoge Raad, een
nadere toelichting gegeven op één van de door hen ingenomen
standpunten.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brieven (met bijlagen) van 8 en 17 mei
2002 nader gereageerd op een aantal stellingen in de aanvullende
beroepschriften.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
30 mei 2002, waar appellanten zijn verschenen bij hun gemachtigde mr.
F.A. Piek, advocaat te Hoofddorp, en waar tevens [naam directeur]
aanwezig was. Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen
door mr. A. van Eck, mr. F.W.M. Keunen en mr. M. Mulder, allen werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In 1995 en in 1996 zijn door de Inspectiedienst Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (I-SZW) controles verricht bij een aantal tuinders. Op
de percelen van de tuinders werden Poolse werknemers aangetroffen die
niet over de vereiste tewerkstellingsvergunning beschikten.
Uit het onderzoek van I-SZW en uit een vervolgens in 1996 door de I-SZW
en de Opsporingsdienst van Gak Nederland B.V. gezamenlijk verricht
onderzoek, zijn onder meer de volgende feiten naar voren gekomen.
De Poolse arbeidskrachten waren werknemers van [bedrijf I], een op 20
februari 1995 in Polen door [naam directeur] opgericht bedrijf. [Bedrijf
I] sloot in Nederland koopovereenkomsten met tuinders waarbij te velde
staande gewassen werden opgekocht. De gewassen werden verder bewerkt en
geoogst door werknemers van [bedrijf I], waarna [bedrijf I] de gewassen
op veilingen verkocht. Deze werkwijze wordt ook wel aangeduid als de
oogst-op-stamconstructie.
[Naam directeur], destijds woonachtig in Nederland, stond in het Poolse
Handelsregister geregistreerd als de directeur en enig aandeelhouder van
[bedrijf I].
In verband met de organisatie van de werkzaamheden die in Nederland
werden verricht, had [bedrijf I] een overeenkomst gesloten met [bedrijf
II], op grond waarvan [bedrijf II] onder meer bemiddelde voor [bedrijf
I]. [Naam directeur] was directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf
II].
Naar aanleiding van het onderzoek zijn de in rubriek I vermelde
besluiten afgegeven. In deze gedingen moet worden beoordeeld of de
aangevallen uitspraken waarbij het beroep tegen deze besluiten ongegrond
is verklaard, in rechte stand kunnen houden.
Besluit 1
Aan besluit 1 ligt het standpunt van gedaagde ten grondslag dat de ten
behoeve van [bedrijf I] werkzame Poolse arbeidskrachten in een
privaatrechtelijke dienstbetrekking tot [bedrijf I] staan en voorts dat
[bedrijf I] feitelijk in Nederland is gevestigd, zodat artikel 14 van
het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
werknemersverzekeringen 1990 (verder: het Besluit) toepassing mist.
Van de zijde van [bedrijf I] is niet betwist dat de Poolse
arbeidskrachten in een privaatrechtelijke dienstbetrekking staan tot [bedrijf I].
[Bedrijf I] stelt zich echter op het standpunt dat zij niet
in Nederland maar in Polen is gevestigd, zodat op grond van artikel 14
van het Besluit voor de Poolse arbeidskrachten geen verzekeringsplicht
bestaat voor de Nederlandse werknemersverzekeringen. Voorts is - kort
samengevat - aangevoerd dat er sprake is van schending van het
vertrouwensbeginsel en van strijd met de Europaovereenkomst.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [bedrijf I] een buitenlandse
vennootschap is, maar dat feitelijk sprake was van een in Nederland
gevestigde onderneming. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat
beleid en bestuur van de onderneming en de daaraan verbonden
beslissingen en activiteiten werden bepaald door haar oprichter en
meerderheidsaandeelhouder [naam directeur] en dat de rol van [naam
aandeelhouder vennootschap] (verder: [naam aandeelhouder vennootschap]),
die in Polen enige activiteiten ten behoeve van [bedrijf I] verrichtte,
slechts marginaal was.
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de ten behoeve van [bedrijf
I] werkzame Poolse arbeidskrachten tot haar in een privaatrechtelijke
dienstbetrekking staan. Door [bedrijf I] wordt dit ook niet betwist.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of de Poolse arbeidskrachten, gelet
op artikel 14, eerste lid, van het Besluit, al dan niet als werknemer in
de zin van de werknemersverzekeringen dienen te worden beschouwd.
Partijen verschillen in dit verband van mening over de vraag of [bedrijf
I] als buiten Nederland gevestigde werkgever is aan te merken. De Raad
beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank heeft gedaan, ontkennend en
overweegt daartoe als volgt.
Waar een lichaam is gevestigd wordt blijkens artikel 2 van de sociale
werknemersverzekeringswetten beoordeeld naar de omstandigheden.
Op grond van de beschikbare gegevens staat vast dat [bedrijf I] in
februari 1995 door [naam directeur] is opgericht in Polen. Uit de
gedingstukken, waaronder een rapport (met bijlagen) van de
opsporingsdienst van Gak Nederland B.V. d.d. 27 januari 1997, een kort
gedingvonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 1 oktober 1996, een
uitspraak op bezwaar van de Belastingdienst d.d. 2 september 1997, en
een vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 12 december 1997,
blijkt echter dat de bedrijfsactiviteiten in Polen marginaal waren en
dat vrijwel alle voor een bedrijf als [bedrijf I] relevante activiteiten
in Nederland werden ontplooid door [naam directeur]. Hij legde de
contacten tussen [bedrijf I] en de tuinders, was aanspreekpunt in geval
van problemen tussen de tuinders en de Poolse werknemers en was bevoegd
werknemers die niet goed functioneerden weg te sturen. [naam directeur]
onderhield tevens de contacten met de veilingen. Daarnaast werden ook de
financiële zaken door [naam directeur] uitgevoerd. Hij opende op 1 juni
1995 bij de Rabobank te Son en Breugel een bankrekening op naam van [bedrijf I]. In de
rekeningcourantovereenkomst werd hij aangeduid als
de directeur van [bedrijf I] en hij was als enige tekeningsbevoegd ten
aanzien van de bankrekening. Afschriften werden uitsluitend naar zijn
(Nederlandse) adres gezonden. Op deze bankrekening werd de gehele omzet
van [bedrijf I] gestort en van deze rekening werden door [naam
directeur] geldbedragen opgenomen om de tuinders en de Poolse werknemers
te betalen.
Tegenover deze activiteiten van [naam directeur] in Nederland stonden de
activiteiten van [naam aandeelhouder vennootschap] in Polen. Zij trad in
mei 1995 in dienst van [bedrijf I]. Bij een aandeelhoudersbesluit van
14 juni 1995 zou [naam aandeelhouder vennootschap] als bestuurder zijn
benoemd en voorts zou zij 39 van de 80 aandelen in [bedrijf I] van [naam
directeur] hebben overgenomen. Wat er van de gestelde aandelenoverdracht
en van deze benoeming ook zij - noch van de aandelenoverdracht, noch van
het benoemen van [naam aandeelhouder vennootschap] tot bestuurder blijkt
uit het Poolse Handelsregister - vast staat in ieder geval dat [naam
directeur] steeds de meerderheid van de aandelen in bezit heeft gehad.
Voorts blijkt uit een op 17 juni 1996 door [naam aandeelhouder
vennootschap] afgelegde verklaring dat zij zich uitsluitend bezighield
met de aangelegenheden van [bedrijf I] in Polen en dat alle zaken die
zich in Nederland afspeelden werden gedaan door [bedrijf II]. Uit de
verklaring blijkt dat [naam aandeelhouder vennootschap] bepaalde onder
wiens leiding een groep werknemers werkzaamheden in Nederland verrichtte
en dat zij contacten onderhield met de Poolse bedrijfsvereniging, ZUS.
Uit de beschikbare gegevens blijkt voorts dat zij contacten onderhield
met de families van de Poolse werknemers. Van andere relevante
bedrijfsactiviteiten van [naam aandeelhouder vennootschap] in Polen is
niet gebleken.
Tot slot acht de Raad van belang dat uit een aantal - in het kader van
het strafrechtelijk onderzoek - bij [naam directeur] in beslag genomen
bescheiden blijkt dat [naam aandeelhouder vennootschap] bij haar
werkzaamheden nauwkeurige instructies kreeg van [naam directeur] en
voorts dat [naam directeur] bij problemen met ZUS ook zelf contacten met
deze Poolse bedrijfsvereniging onderhield.
Gelet op deze feiten en omstandigheden is de Raad met gedaagde en de
rechtbank van oordeel dat de rol van [naam aandeelhouder vennootschap]
slechts marginaal van aard was en dat de feitelijke leiding over [bedrijf I] bij [naam directeur] in Nederland berustte. Gelet op de
positie van [naam directeur] binnen [bedrijf I], van welke onderneming
hij steeds meerderheidsaandeelhouder is gebleven, kan voorts niet worden
gezegd dat [naam directeur] zijn activiteiten uitsluitend verrichtte op
basis van de tussen [bedrijf I] en [bedrijf II] gesloten
bemiddelingsovereenkomst.
Bovenvermelde feiten en omstandigheden leiden de Raad tot de conclusie
dat [bedrijf I] feitelijk in Nederland was gevestigd, zodat artikel 14,
eerste lid, van het Besluit toepassing mist.
De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat artikel 14, eerste lid,
van het Besluit een uitzonderingsbepaling is. Op degene, die zich op een
dergelijke uitzonderingsbepaling beroept, rust de verplichting in ieder
geval een begin van bewijs te leveren ten aanzien van het bestaan van
de voorwaarden die in een dergelijke uitzonderingsbepaling zijn gesteld.
Van de zijde van gedaagde is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [bedrijf I] buiten Nederland gevestigd was.
In het door [bedrijf I] aangehaalde arrest van 9 december 1999 dat is
gewezen door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in een strafzaak tegen
[naam directeur] ziet de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te
komen omtrent de vestigingsplaats van [bedrijf I]. In die zaak heeft het
Hof, onder vermelding van een aantal door de raadsman van [naam
directeur] opgesomde feiten en omstandigheden waaruit zou moeten blijken
dat [bedrijf I] in Polen is gevestigd, geoordeeld dat niet wettig en
overtuigend bewezen is dat [bedrijf I] werkgever is in de zin van
artikel 10 van de CSV. Namens [bedrijf I] is gesteld dat de
rechtseenheid vordert dat ook in het onderhavige geding wordt
vastgesteld dat [bedrijf I] niet in Nederland is gevestigd. Nog
daargelaten dat ook in de eerder vermelde civiele vonnissen een van het
arrest van 9 december 1999 afwijkend oordeel is gegeven, vastgesteld kan
worden dat uit de formulering van het arrest blijkt dat de
strafrechter, waar hij oordeelt dat geen sprake is van wettig en
overtuigend bewijs, een andere toetsingsmaatstaf dient aan te leggen en
ook daadwerkelijk heeft aangelegd dan de bestuursrechter aanlegt. Reeds
om die reden kan het oordeel van de strafrechter in het onderhavige
geding niet doorslaggevend worden geacht.
Namens [bedrijf I] is voorts het standpunt ingenomen dat zij aan de
annulering van de aansluiting van [bedrijf I] als werkgever bij - onder
meer - een besluit van gedaagde van 11 februari 1998, het vertrouwen
mocht ontlenen dat zij geacht werd te voldoen aan de voorwaarden van
artikel 14 van het Besluit. Door desalniettemin bij besluit 1 het
standpunt in te nemen dat artikel 14 van het Besluit niet van
toepassing is, handelt gedaagde in de visie van [bedrijf I] in strijd
met het vertrouwensbeginsel.
De Raad kan [bedrijf I] hierin niet volgen. Hoewel zonder meer aan [bedrijf I] kan worden
toegegeven dat gedaagde ter zake van de
annulering van [bedrijf I] als werkgever zeker niet zorgvuldig heeft
gehandeld, kon [bedrijf I] hieraan niet het gerechtvaardigde vertrouwen
ontlenen dat gedaagde zijn standpunt dat [bedrijf I] een in Nederland
gevestigde werkgever was, inmiddels had verlaten. De Raad heeft daarbij
in aanmerking genomen dat op het moment waarop het onjuiste
annuleringsbesluit werd afgegeven, de procedure in eerste aanleg tegen
besluit 1 nog liep, in welke procedure gedaagde zich steeds
uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat artikel 14 van het
Besluit toepassing miste aangezien [bedrijf I] een in Nederland
gevestigde werkgever was. Dit standpunt is kort na de onterechte
annulering, te weten op 28 februari 1998, in die procedure nogmaals
kenbaar gemaakt door gedaagde.
Het standpunt van [bedrijf I] dat het bestreden besluit in strijd is met
de Europaovereenkomst aangezien het leidt tot dubbele premieheffing,
terwijl de Europaovereenkomst er op gericht is dubbele premieheffing
te voorkomen, kan naar het oordeel van de Raad reeds daarom niet slagen,
omdat van dubbele premieheffing niet is gebleken. Het had op de weg van
[bedrijf I] gelegen zulks aan te tonen.
Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de voor [bedrijf I] werkzame
Poolse arbeidskrachten weliswaar zijn aangemeld bij de ZUS, maar dat de
namen en overige gegevens van deze werknemers niet bekend waren, omdat
zij aangemeld waren voor "overeenkomsten tot het verrichten van
enkele diensten". Uitsluitend de arbeidsverhouding tussen [bedrijf
I] en [naam aandeelhouder vennootschap] is aangemeld als dienstverband.
Noch uit deze gegevens, noch uit de overige beschikbare gegevens kan
worden afgeleid dat in Polen premies zijn afgedragen.
Op grond van vorenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de
uitspraak van de rechtbank waarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond
is verklaard voor bevestiging in aanmerking komt.
Besluiten 2 en 4
Ingevolge artikel 16c, eerste lid onder a, van de CSV is hoofdelijk
aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie verschuldigd door een
niet binnen het Rijk wonende of gevestigde werkgever: de leider van zijn
vaste inrichting binnen het Rijk, zijn binnen het Rijk wonende of
gevestigde vaste vertegenwoordiger, dan wel degene die de leiding heeft
van de hier te lande verrichte werkzaamheden.
Aan de besluiten 2 en 4, waarbij [bedrijf II] en [naam directeur] onder
toepassing van artikel 16c van de CSV aansprakelijk zijn gesteld voor de
door [bedrijf I] onbetaald gelaten (voorschot)premies over de jaren 1995
en 1996, ligt primair ten grondslag dat [bedrijf I] - als statutair in
Polen gevestigde onderneming - is aan te merken als buitenlandse
werkgever in de zin van artikel 16c, eerste lid onder a, van de CSV en
dat [bedrijf II] en/of [naam directeur] zijn aan te merken als leider
van de vaste inrichting in Nederland, dan wel als de vaste
vertegenwoordiger van [bedrijf I] in Nederland.
Dit standpunt is mede gebaseerd op een uitspraak van de Raad van 8 april
1991, gepubliceerd in RSV 1992/12, waarin de Raad heeft geoordeeld dat
voor de toepassing van de CSV niet van een materiële beoordeling van de
vestigingsplaats dient te worden uitgegaan, maar van een formele
beoordeling. Bij zijn uitspraak van 7 november 1997, gepubliceerd in USZ
1998/16, heeft de Raad dit oordeel bevestigd.
De rechtbank heeft onder verwijzing naar haar uitspraak naar aanleiding
van besluit 1 (verder: uitspraak I) vastgesteld dat [bedrijf I] formeel
in het buitenland is gevestigd, doch dat feitelijk sprake is van een in
Nederland gevestigde onderneming. Onder verwijzing naar de evenvermelde
uitspraak van de Raad van 8 april 1991 heeft de rechtbank overwogen dat
voor de toepassing van de CSV van de formele vestigingsplaats dient te
worden uitgegaan. Voorts heeft de rechtbank op basis van de gronden die
in uitspraak I hebben geleid tot de conclusie dat [naam directeur]
beleid en bestuur van [bedrijf I] en de daaraan verbonden beslissingen
en activiteiten bepaalde, geconcludeerd dat [naam directeur] moet worden
beschouwd als de vaste vertegenwoordiger van [bedrijf I] binnen het
Rijk. Naar het oordeel van de rechtbank dient voor [naam directeur]
tevens te worden gelezen [bedrijf II], aangezien [naam directeur]
alleen/zelfstandig bevoegd directeur/bestuurder van [bedrijf II] was en
omdat de zakelijke contacten met [bedrijf I] via [bedrijf II]
plaatsvonden.
Namens [bedrijf II] en [naam directeur] is in hoger beroep - kort
samengevat - aangevoerd - dat [bedrijf I] geen premieplichtige werkgever
is in de zin van de CSV, zodat [bedrijf II] en [naam directeur] niet
aansprakelijk kunnen worden gesteld voor door [bedrijf I] onbetaald
gelaten premies;
- dat de aansprakelijkstelling op grond van artikel 16c, eerste lid
onder a, van de CSV niet verenigbaar is met het oordeel dat [bedrijf I]
een feitelijk in Nederland gevestigde onderneming is;
- dat de besluiten niet bevoegd zijn genomen, aangezien de
aansprakelijkstellingen niet door of namens Gak Nederland B.V. zijn
uitgevaardigd zoals vereist in artikel 11 van de CSV;
- dat de besluiten in strijd zijn met het zorgvuldigheids- en
motiveringsbeginsel, aangezien nagelaten is de primair aansprakelijke
aan te spreken en zo nodig invorderingsmaatregelen tegen haar te treffen
alvorens [bedrijf II] en [naam directeur] op grond van artikel 16c van
de CSV aansprakelijk te stellen;
- dat de aansprakelijkstellingen tot een te hoog bedrag zijn
vastgesteld.
De Raad overweegt het volgende.
Dat de Raad [bedrijf II] en [naam directeur] niet volgt in hun stelling
dat [bedrijf I] geen premieplichtige werkgever is, volgt reeds uit
hetgeen is overwogen naar aanleiding van besluit 1.
Namens [bedrijf II] en [naam directeur] is het standpunt ingenomen dat
de aansprakelijkstelling op grond van artikel 16c, eerste lid onder a,
van de CSV niet verenigbaar is met het oordeel dat [bedrijf I] een
feitelijk in Nederland gevestigde onderneming is: indien [bedrijf I] een
feitelijk in Nederland gevestigde werkgever is, kan zij niet tevens een
niet binnen het Rijk gevestigde werkgever in de zin van artikel 16c,
eerste lid onder a, van de CSV zijn. [Bedrijf II] en [naam directeur]
erkennen weliswaar dat dit - gelet op de huidige stand van de
jurisprudentie waarin voor de toepassing van de sociale
werknemersverzekeringswetten een materieel vestigingscriterium wordt
gehanteerd en voor de toepassing van de CSV een formeel
vestigingscriterium - thans wel mogelijk is, maar zij betwisten
uitdrukkelijk de juistheid van het in de uitspraak van 8 april 1991
neergelegde oordeel van de Raad dat bij de toepassing van de CSV een
formeel vestigingscriterium dient te worden gehanteerd. Ter onderbouwing
hiervan hebben zij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 20 april 2001, gepubliceerd in NJ 2001/465.
In het arrest van de Hoge Raad, dat betrekking heeft op de
aansprakelijkstelling van een lichaam onder toepassing van artikel 33
van de Invorderingswet 1990, is geoordeeld dat aansprakelijkstelling op
grond van die bepaling slechts kan plaatsvinden indien een lichaam niet
in Nederland is gevestigd en voorts dat artikel 33 van de
Invorderingswet 1990 een materieel vestigingsbegrip kent.
De Raad ziet in het evenvermelde arrest van de Hoge Raad aanleiding zijn
in de uitspraak van 8 april 1991 neergelegde oordeel dat voor de
toepassing van de CSV een formeel vestigingscriterium dient te worden
gehanteerd, te verlaten. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat
blijkens de Memorie van toelichting bij artikel 16c van de CSV met de
invoering van deze bepaling is beoogd een met artikel 32 van de Wet op
de Loonbelasting 1964 vergelijkbare bepaling te creëren, omdat het
gewenst werd gevonden dat op het terrein van de sociale verzekering
zoveel mogelijk dezelfde invorderingsmogelijkheden bestaan als op het
terrein van de loonbelasting. Artikel 32 van de Wet op de Loonbelasting
1964 is met ingang van 1 juni 1990 overgebracht naar artikel 33 van de
Invorderingswet 1990.
Gelet op de uit de toelichting blijkende bedoeling van de wetgever is
het naar het oordeel van de Raad aangewezen artikel 33 van de
Invorderingswet 1990 en artikel 16c van de CSV waar mogelijk eenduidig
te interpreteren. De Raad ziet geen aanknopingspunten om zijn oordeel
aan de hand van welk criterium de vestigingsplaats in artikel 16c van de
CSV dient te worden vastgesteld af te laten wijken van het oordeel dat
de Hoge Raad omtrent dit criterium heeft gegeven in het kader van
artikel 33 van de Invorderingswet 1990. De Raad zal derhalve bij de
toepassing van artikel 16c, eerste lid onder a, van de CSV in het
vervolg een materieel criterium hanteren.
Bovenstaande overwegingen en hetgeen is overwogen in het kader van de
beoordeling van besluit 1 brengen mee dat [bedrijf I] niet kan worden
aangemerkt als een niet binnen het Rijk wonende of gevestigde werkgever
in de zin van artikel 16c, eerste lid onder a, van de CSV, zodat de
aansprakelijkheid van [bedrijf II] en [naam directeur] voor de door [bedrijf I] onbetaald gelaten premies niet op deze bepaling kan worden
gebaseerd.
Subsidiair is de aansprakelijkstelling gebaseerd op artikel 16c, eerste
lid onder b, van de CSV. Ingevolge die bepaling is ieder van de
werkgevers hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie
die verschuldigd is door twee of meer werkgevers.
De Raad dient derhalve de vraag te beantwoorden of [bedrijf II] en [naam
directeur] kunnen worden aangemerkt als medewerkgevers in de zin van
artikel 16c, eerste lid onder b, van de CSV.
Blijkens de hiervoor bij de beoordeling van besluit 1 vermelde feiten en
omstandigheden had [naam directeur] niet alleen de meerderheid van de
aandelen in zowel [bedrijf I] als [bedrijf II], maar verrichtte hij
tevens een groot aantal werkgeverstaken, zoals het betalen van loon en
het wegsturen van niet goed functionerende werknemers, waaruit het
uitoefenen van werkgeversgezag blijkt. Gelet op de positie van [naam
directeur] binnen zowel [bedrijf I] als [bedrijf II] en voorts gelet op
de door de rechtbank gememoreerde omstandigheid dat de werkgeverstaken
van [naam directeur] werden uitgeoefend via een overeenkomst met [bedrijf II], is de Raad tot het oordeel gekomen dat er sprake was van
een zodanige verwevenheid tussen [bedrijf I], [bedrijf II] en [naam
directeur] dat [bedrijf II] en [naam directeur] beiden als
medewerkgevers dienen te worden aangemerkt.
Vorenstaande brengt mee dat de aansprakelijkstelling van [bedrijf II] en
[naam directeur] kan worden gedragen door het - subsidiair - daaraan ten
grondslag gelegde artikel 16c, eerste lid onder b, van de CSV.
Naar aanleiding van de grief van [bedrijf II] en [naam directeur] dat de
besluiten onbevoegd zijn genomen, oordeelt de Raad dat uit de bij
schrijven van 17 mei 2002 door gedaagde overgelegde stukken blijkt dat
L.T. van den Bos gemachtigd was besluiten als de onderhavige te
ondertekenen. Deze grief kan derhalve niet slagen.
De Raad kan [bedrijf II] en [naam directeur] voorts niet volgen in hun
standpunt dat de besluiten in strijd zijn met het
zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel nu gedaagde heeft
nagelaten eerst [bedrijf I] aan te spreken. Uit het zich onder de
gedingstukken bevindende rapport van de Opsporingsdienst blijkt dat door
de Poolse Kamer van Koophandel het handelsrisico van [bedrijf I] hoog
werd ingeschat. Bovendien is [bedrijf I] een statutair in het buitenland
gevestigde vennootschap, hetgeen de invordering volgens gedaagde zou
bemoeilijken. Onder deze omstandigheden, waarin reeds bij het opleggen
van de premienota's duidelijk was dat [bedrijf I] geen of gering verhaal
zou bieden, kon gedaagde op grond van zijn beleid en de jurisprudentie
van de Raad afzien van incasso bij [bedrijf I] en kon gedaagde direct
overgaan tot aansprakelijkstelling van [bedrijf II] en [naam directeur].
Tot slot kan ook de grief dat het bedrag van de aansprakelijkstelling
tot een te hoog bedrag is vastgesteld niet slagen. Voor zover namens [bedrijf II] en [naam directeur] is betoogd dat ten onrechte geen
rekening is gehouden met de in Polen afgedragen premies overweegt de
Raad, onder verwijzing naar hetgeen bij de beoordeling van besluit 1 is
overwogen, dat van het betalen van premies voor de Poolse
arbeidskrachten in Polen niet is gebleken.
Voor zover namens [bedrijf II] en [naam directeur] het standpunt is
ingenomen dat zij niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de
onbetaald gelaten voorschotnota overweegt de Raad dat in artikel 16c van
de CSV uitdrukkelijk is bepaald dat de hoofdelijke aansprakelijkheid
ziet op zowel de premie als de voorschotpremie.
De opgelegde boetes worden ingevolge artikel 12, vijfde lid, van de CSV
als premie beschouwd tenzij in de wet anders is bepaald. Nu in artikel
16c van de CSV geen uitzondering op deze regel is opgenomen, dient de
opgelegde boete in het onderhavige geval als premie te worden aangemerkt
en zijn [bedrijf II] en [naam directeur] ook voor deze bedragen
aansprakelijk.
De stelling van [bedrijf II] en [naam directeur] dat het bedrag van de
aansprakelijkstelling dient te worden verminderd met hetgeen reeds is
betaald door middel van verrekening door de ontvanger van de
belastingen, miskent dat via de ontvanger van de belastingen verrekende
bedragen weliswaar van invloed zijn op het bedrag dat nog door [bedrijf
II] en [naam directeur] dient te worden betaald, maar dat het bedrag van
de aansprakelijkstelling zelf door de verrekeningen niet wordt beïnvloed.
Het bedrag van de aansprakelijkstelling wordt immers slechts bepaald
door hetgeen door [bedrijf I] onbetaald is gelaten aan premiebedragen.
Gelet op vorenstaande overwegingen komen de uitspraken waarbij de
beroepen tegen de besluiten 2 en 4 ongegrond zijn verklaard voor
bevestiging in aanmerking, zij het op andere gronden.
Besluiten 3 en 5
Bij de besluiten 3 en 5 heeft gedaagde geweigerd aan respectievelijk [bedrijf II] en [naam directeur] uitstel van betaling te verlenen voor
betaling van de premie van f 744.236,28. Gedaagde beroept zich daarbij
op zijn beleid, inhoudend dat in beginsel geen uitstel van betaling
wordt verleend in geval van bezwaar en beroep, tenzij er sprake is van
zwaarwegende argumenten. Van dergelijke zwaarwegende argumenten is
volgens gedaagde geen sprake.
De tegen die besluiten ingestelde beroepen zijn door de rechtbank
ongegrond verklaard.
In hoger beroep is daartegen aangevoerd dat het beleid waarop gedaagde
zich beroept bij het afwijzen van het verzoek om uitstel in strijd is
met het beleid van het Tica, zoals dat is gepubliceerd in
Tica-circulaire C.95.08. Dat beleid heeft in de visie van [bedrijf II]
en [naam directeur] namelijk als uitgangspunt dat voor het bestreden
gedeelte van de premie uitstel van betaling wordt verleend. Voorts is
namens [bedrijf II] en [naam directeur] het standpunt ingenomen dat een
boete ingevolge artikel 6 van het EVRM pas mag worden ingevorderd indien
die boete onherroepelijk vaststaat.
Ter zitting is er van de zijde van gedaagde op gewezen dat de passage
uit de Tica-circulaire waarop [bedrijf II] en [naam directeur] zich
beroepen, uitsluitend ziet op gevallen waarin er sprake is van
tijdelijke betalingsproblemen en dat daaruit niet kan worden afgeleid
dat als uitgangspunt zou gelden dat voor het bestreden gedeelte van de
premie uitstel van betaling wordt verleend. De Raad onderschrijft dit
standpunt van gedaagde. Uit bedoelde circulaire kan naar het oordeel van
de Raad niet het algemene uitgangspunt worden afgeleid dat in gevallen
als het onderhavige uitstel van betaling wordt verleend.
Het namens [bedrijf II] en [naam directeur] ingenomen standpunt dat
boetes slechts kunnen worden ingevorderd als zij onherroepelijk
vaststaan, kan, gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn
arrest van 9 oktober 1996, gepubliceerd in BNB 1997/6, evenmin worden
gevolgd.
Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor
het oordeel dat gedaagde ten onrechte heeft geweigerd uitstel van
betaling te verlenen. Het vorenstaande brengt mee dat de uitspraken van
de rechtbank, waarbij de beroepen tegen de besluiten 3 en 5 ongegrond
zijn verklaard, voor bevestiging in aanmerking komen.
Besluit 6
Bij besluit van 12 december 1997 heeft gedaagde aan [bedrijf I]
medegedeeld dat de gedifferentieerde premie over het premiejaar 1998 is
vastgesteld op 0,09%.
Vervolgens heeft [bedrijf I] op 11 februari 1998 van gedaagde een brief
ontvangen waarin is medegedeeld dat gebleken is dat er geen
verzekeringsplichtig personeel tot [bedrijf I] in dienstbetrekking heeft
gestaan en dat deswege de aansluiting bij de sector "groothandel
II" is geannuleerd, hetgeen is bevestigd in een telefoongesprek d.d.
23 februari 1998.
Op 3 maart 1998 is [bedrijf I] er van op de hoogte gesteld dat de brief
van 11 februari 1998 niet juist was en dat de aansluiting abusievelijk
is geannuleerd. Bij brief van 29 april 1998 heeft gedaagde vervolgens
aan [bedrijf I] medegedeeld dat zij geen verzekeringsplichtig personeel
in dienst heeft gehad en dat daarmee het besluit van 12 december 1997
kwam te vervallen.
Op 27 mei 1998 is wederom aan [bedrijf I] medegedeeld dat de
gedifferentieerde premie over het premiejaar 1998 was vastgesteld op
0,09%.
Bij besluit 6 is het tegen dat besluit ingestelde bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 6 ongegrond verklaard. Zij
heeft daarbij onder verwijzing naar uitspraak I overwogen dat [bedrijf
I] een in Nederland gevestigde onderneming is die premieplichtig is ten
aanzien van de bij haar in dienst zijnde Poolse werknemers, zodat
terecht premie is vastgesteld over het premiejaar 1998. De rechtbank
heeft geen reden gezien aan de juistheid van de premievaststelling als
zodanig te twijfelen, aangezien daartegen door [bedrijf I] geen gronden
waren aangevoerd.
Namens [bedrijf I] is in de eerste plaats betwist dat zij is te
beschouwen als Nederlandse werkgever. Voorts is aangevoerd dat het
vertrouwensbeginsel meebrengt dat [bedrijf I]'s gerechtvaardigde
verwachting dat haar aansluiting was geannuleerd en dat zij derhalve
voldeed aan alle voorwaarden van artikel 14, eerste lid, van het
Besluit, moet worden gehonoreerd.
Wat betreft het namens [bedrijf I] ingenomen standpunt dat zij niet is
te beschouwen als Nederlandse werkgever volstaat de Raad met een
verwijzing naar hetgeen is overwogen bij de beoordeling van besluit 1.
Naar aanleiding van het beroep op het vertrouwensbeginsel merkt de Raad
- onder verwijzing naar hetgeen dienaangaande is overwogen bij de
beoordeling van besluit 1 - op dat [bedrijf I] aan haar annulering als
werkgever niet het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat
gedaagde zijn standpunt dat [bedrijf I] niet voldeed aan alle
voorwaarden van artikel 14, eerste lid, van het Besluit, inmiddels had
verlaten.
De onzorgvuldige handelwijze van gedaagde ter zake van de annulering van
[bedrijf I] als werkgever kan er niet aan afdoen dat gedaagde gehouden
bleef de verschuldigde premie over het premiejaar 1998 vast te stellen.
Vorenstaande overwegingen leiden de Raad tot de conclusie dat de
uitspraak waarbij het beroep tegen besluit 6 ongegrond is verklaard,
voor bevestiging in aanmerking komt.
Besluiten 7, 8 en 9
Bij de besluiten 7, 8 en 9 zijn ongegrond verklaard de bezwaren van [bedrijf I],
[bedrijf II] en [naam directeur] tegen het bij de
beoordeling van besluit 6 genoemde besluit van 3 maart 1998. Voor een
overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar de bij de
beoordeling van besluit 6 vermelde feiten.
De rechtbank heeft - bij twee afzonderlijke uitspraken - onder
verwijzing naar uitspraak I geoordeeld dat [bedrijf I] premieplichtig is
ten aanzien van de bij haar in dienst zijnde Poolse werknemers. De
warrige besluitvorming op dit punt kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan de juistheid van gedaagdes beslissing
daaromtrent. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de besluiten
voldoende zijn gemotiveerd, gelet ook op het feit dat de procedure tegen
besluit 1 al die tijd aanhangig is geweest. Zolang besluit 1,
respectievelijk de hoofdelijke aansprakelijkstellingen van [bedrijf II]
en [naam directeur] niet definitief van de baan waren, mochten
appellanten er niet op vertrouwen dat gedaagde zijn aanvankelijke
standpunt had verlaten. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat
gedaagde van zijn herzieningsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt op een
wijze die voldoet aan de daaraan in de jurisprudentie gestelde eisen.
In hoger beroep is namens appellanten aangevoerd dat de
annuleringsbesluiten, waaronder de besluiten van 11 februari 1998 en 29
april 1998, juist waren en formele rechtskracht hebben gekregen. Hiertoe
is er van de zijde van appellanten op gewezen dat [bedrijf I] geen in
Nederland gevestigde werkgever is en dat de annulering van [bedrijf I]
als werkgever derhalve terecht is. Voorts is aangevoerd dat de
rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel vorderen dat herziening van
de annuleringsbesluiten ten nadele van appellanten achterwege dient te
blijven. Subsidiair is gesteld dat herziening met terugwerkende kracht
achterwege dient te blijven.
De grief dat de annuleringsbesluiten juist waren kan, gelet op hetgeen
de Raad heeft overwogen bij de beoordeling van besluit 1, niet slagen.
De Raad volgt appellanten evenmin in hun stelling dat het
rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel vorderen dat
herziening van de annuleringsbesluiten achterwege dient te blijven. De
Raad stelt zich daarbij achter de overwegingen van de rechtbank en maakt
deze tot de zijne. Voorts verwijst de Raad naar hetgeen met betrekking
tot het vertrouwensbeginsel is overwogen bij de beoordeling van besluit
1. Met betrekking tot het rechtszekerheidsbeginsel voegt de Raad daaraan
nog toe dat appellanten de onregelmatigheid van de annuleringsbesluiten
zeker konden onderkennen, aangezien in de desbetreffende periode de
beroepsprocedure tegen besluit 1 aanhangig was.
Gelet op vorenstaande overwegingen komen de uitspraken waarbij de
beroepen tegen de besluiten 7, 8 en 9 ongegrond zijn verklaard voor
bevestiging in aanmerking.
Tot slot overweegt de Raad met betrekking tot alle gedingen geen termen
aanwezig te achten om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Het voorgaande leidt de Raad tot de volgende beslissing.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. S.K. Welbedacht als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|