|
Uitspraak
00/2548
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante, heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG
Rechtsbijstand te Leusden, op bij beroepschrift van 3 mei 2000 (met
bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de
Rechtbank 's-Gravenhage onder dagtekening 22 maart 2000 tussen partijen
gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brieven van 22 juni, 6 juli en 14 augustus 2000 heeft mr. Van
Gestel, voornoemd, nadere stukken ingezonden.
Gedaagde heeft onder dagtekening 22 augustus 2000 van verweer gediend.
Bij brief (met bijlage) van 7 september 2000 heeft mr. Van Gestel zich
nogmaals tot de Raad gewend.
Bij brief van 25 maart 2002 is van de kant van gedaagde op laatstvermeld
schrijven gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 mei
2002, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van
Gestel, voornoemd, terwijl gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr.
C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 24 december 1998, voor zover in hoger
beroep aan de orde, heeft gedaagde appellantes bezwaren tegen
correctienota's van 26 februari 1998 terzake van de premiejaren 1995 en
1996 ongegrond verklaard. Aan de correctienota's ligt ten grondslag dat
appellante ten onrechte geen verzekeringsplicht aanwezig heeft geacht
ter zake van de werkzaamheden van [werknemer 1], [werknemer 2],
[werknemer 3], [werknemer 4] en [werknemer 5]. Gedaagde is van mening
dat verzekeringsplicht aanwezig is op grond van artikel 5, aanhef en
onder d van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering juncto artikel 3 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986/655 (hierna: het Besluit). Aan
het bestreden besluit ligt voorts ten grondslag dat op grond van het
bepaalde in EG-Verordening 1408/71, het Nederlandse socialezekerheidsrecht van toepassing is.
De rechtbank heeft gedaagde in laatstvermeld standpunt niet gevolgd
terzake van de werkzaamheden die verricht zijn door [werknemer 2] en
[werknemer 4], nu door de bevoegde autoriteiten van het Verenigd
Koninkrijk voor hen detacheringsverklaringen als bedoeld in artikel 11
van EG-Verordening 574/72 zijn afgegeven. Onder verwijzing naar het
arrest van het Hof van Justitie van de EG van 10 februari 2000, zaak
C-202/97 (Fitzwilliam), gepubliceerd in USZ 2000/97 en RSV 2002/55,
heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde aan de ten behoeve van
[werknemer 2] en [werknemer 4] afgegeven E-101-verklaringen niet die
bindende kracht heeft toegekend die daaraan, gelet op dit arrest dient
te worden toegekend. De rechtbank heeft het beroep in zoverre gegrond
verklaard en het bestreden besluit voorzover betrekking hebbend op de
verzekeringsplicht voor [werknemer 2] en [werknemer 4], vernietigd.
Het hoger beroep van appellante keert zich tegen het oordeel van de
rechtbank dat ten aanzien van [werknemer 1], [werknemer 3] en [werknemer
5] de toepasselijke socialeverzekeringswetgeving de Nederlandse is.
Daartoe is bij het beroepschrift van 3 mei 2000 ten aanzien van
[werknemer 1] een detacheringsverklaring overgelegd. Voor [werknemer 3]
is dat gebeurd bij brief van 22 juni 2000.
Gedaagde heeft hierop in zijn verweerschrift en zijn brief van 25 maart
2002 doen weten zijn standpunt dat de Nederlandse sociale wetgeving van
toepassing is, uitsluitend nog te handhaven voor [werknemer 5].
In hoger beroep is derhalve primair aan de orde de vraag of de rechtbank
terecht heeft geoordeeld dat ter zake van de werkzaamheden die [werknemer
5] middels zijn vennootschap [bedrijfsnaam 2] B.V. in opdracht van
appellante hier te lande bij een derde heeft verricht, het Nederlandse
socialezekerheidsrecht van toepassing is.
De Raad beantwoordt die vraag met de rechtbank bevestigend op grond van
de hoofdregel van artikel 13, tweede lid onder a of b, van
EG-Verordening 1408/71.
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat gedaagde terecht en op
goede gronden verzekeringsplicht aanwezig heeft geacht op grond van de
zogenoemde tussenkomstbepaling.
De Raad acht dit juist nu, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen,
aan alle voorwaarden van de tussenkomstbepaling is voldaan. Appellante
heeft tegen dit oordeel van de rechtbank ook uitsluitend de grief geuit
dat [werknemer 5] als zelfstandige moet worden beschouwd. Hierin kan de
Raad appellante niet volgen, nu [werknemer 5] de werkzaamheden in 1996
verrichtte en het eventueel zijn van zelfstandige niet aan
verzekeringsplicht op grond van de tussenkomstbepaling in de weg staat
tot 1 september 1998, de datum met ingang van welke artikel 3, eerste
lid, van het Besluit geen toepassing meer vindt ten aanzien van de
persoon die arbeid verricht in de zelfstandige uitoefening van een
bedrijf of beroep. In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak
van 26 april 2001, gepubliceerd in USZ 2001/173 en RSV 2001/161.
Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak en het bestreden
besluit vernietigd dienen te worden in zoverre hierin is geoordeeld en
bepaald dat ten aanzien van [werknemer 1] en [werknemer 3] het
Nederlandse socialezekerheidsrecht van toepassing is.
De Raad acht geen termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in hoger beroep. De procesvoering van de
kant van appellante, waarbij eerst in hoger beroep
detachteringsverklaringen voor [werknemer 1] en [werknemer 3] zijn
overgelegd op basis waarvan gedaagde zijn standpunt heeft moeten
herzien, maakt naar het oordeel van de Raad dat geen sprake is van
kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht,
die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken.
Gedaagde zal wel op grond van artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet
het door appellante in hoger beroep gestorte griffierecht van €
306,30 dienen te vergoeden.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit in
zoverre daarin is vervat verzekeringsplicht en premieplicht ten aanzien
van [werknemer 1] en [werknemer 3];
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het
overige;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het
gestorte recht tot een bedrag van € 306,30 aan appellante vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|