|
Uitspraak
98/4423
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en
Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens
verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Onder dagtekening 5 november 1996 heeft gedaagde appellant kennis
gegeven van zijn op bezwaar genomen besluit, inhoudende dat er geen
sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant
en de Stichting [naam stichting] (hierna: de stichting) en dat appellant
derhalve niet verplicht verzekerd is op grond van artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 9 april
1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is bij gemachtigde mr. L. van Sommeren, advocaat te Nijmegen,
op bij beroepschrift d.d. 18 mei 1998, met bijlagen, aangevoerde gronden
van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Vanwege gedaagde is onder dagtekening 26 november 1998 een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 december
1999, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. Van
Sommeren, voornoemd, en M. Chibiane als tolk. Gedaagde heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. H.J. van Werven, werkzaam bij Cadans
Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
Appellant is per 30 maart 1989 door de stichting aangesteld als imam.
Zijn werkzaamheden omvatten:
- het voorgaan in gebedsdiensten op zes dagen per week en vijf maal per
dag, waarbij een gebedsdienst ten hoogste 10 minuten duurt;
- het één maal per week houden van een preek van ongeveer 30 minuten,
waarvoor een voorbereidingstijd geldt van ten hoogste anderhalf uur;
- het geven van onderricht in de leer van de Koran op vijf avonden in de
week van ongeveer anderhalf uur en
- beheerswerkzaamheden met betrekking tot de moskee.
Tot appellants taak op het gebied van de geestelijke zorg behoorde mede
het afleggen van ziekenbezoeken, het bijwonen van huwelijken en
geboorteplechtigheden en het beslechten van geschillen.
Eerdergenoemde onderwijstaak hield tevens in het geven van les in de
Arabische taal.
De beheerstaak omvatte het openen en sluiten van de moskee.
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of er sprake is van
een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en de
stichting, waarbij met name het bestaan van een gezagsrelatie aan de
orde is.
Van de zijde van appellant is in dat verband onder meer naar voren
gebracht:
- dat er sprake is van gezag, aangezien de stichting toezicht hield op
de wijze waarop hij inhoudelijk zijn werkzaamheden verrichtte;
- dat de stichting bemoeienis had met de inhoud van de lesstof, de
onderwerpen die behandeld werden en de lengte van de preek;
- dat de stichting aanwijzingen gaf over het ritueel buigen en het uit
het hoofd leren van de preek.
Met betrekking tot het voorafgaande overweegt de Raad in de eerste
plaats dat de rechtbank terecht in aanmerking heeft genomen dat blijkens
vaste rechtspraak een geestelijk ambt als dat van imam kan worden
uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst, zij het dat dan
wel feitelijk voldoende duidelijke en controleerbare aanknopingspunten
moeten bestaan voor het aannemen van - onder meer - een reële
gezagsverhouding, omdat in verband met het bijzondere karakter van het
geestelijk ambt voor het uitoefenen van werkgeversgezag slechts geringe
ruimte bestaat.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat van aanknopingspunten
voor het bestaan van reëel werkgeversgezag in het onderhavige geval
onvoldoende is gebleken, aangezien de taken die niet strikt godsdienstig
van aard waren, in belangrijke mate religieus waren bepaald en moeten
worden aangemerkt als ondersteunend ten aanzien van, dan wel in het
verlengde liggend van de godsdienstige taken.
Gelet op de aard en omvang van voormelde taken, die de uitoefening van
het geestelijk ambt van imam betreffen, moet worden geoordeeld dat
eerdergenoemde taak betreffende het beheer van de moskee, naar aard en
omvang dusdanig beperkt was, dat daarop het bestaan van een reële
gezagsverhouding in de relatie tussen appellant en de stichting niet kan
worden gebaseerd.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en
dat de aangevallen uitspraak in aanmerking komt voor bevestiging.
Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2000.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|