|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 99/2813 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij op bezwaar genomen besluit van 8 september 1997 heeft gedaagde de
verzekeringsplicht van de voor appellante werkzame organist over de
jaren 1991 tot en met 1995 gehandhaafd, met dien verstande dat hij
verplicht verzekerd wordt geacht ingevolge artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.
De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 14
april 1999 het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep doen instellen. De
gronden hiervoor zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 3
augustus 1999 van de hand van U.J. Looijenga, belastingadviseur bij de
Boer & Vellinga te Leeuwarden.
Namens gedaagde is een verweerschrift, gedateerd 24 augustus 1999, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 juli
2000, waar voor appellante is verschenen U.J. Looijenga, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr H. van Wijngaarden, werkzaam bij Cadans
Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft premies ten laste van appellante vastgesteld over de
jaren 1991 tot en met 1995, aangezien de in die jaren voor haar werkzame
organist, [naam organist], naar gedaagdes oordeel verzekeringsplichtig moet
worden geacht op grond van artikel 3 van de onderscheidene sociale
werknemersverzekeringswetten uit hoofde van het bestaan van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank heeft gedaagde bij de
aangevallen uitspraak te dien aanzien in het gelijk gesteld en
inzonderheid het bestaan van een gezagsverhouding aangenomen onder
verwijzing naar een uitspraak van deze Raad van 18 september 1991, RSV
1992/131.
Appellante - bij gemachtigde in hoger beroep - ziet anders dan gedaagde en
de rechtbank geen ruimte voor feitelijke gezagsuitoefening vanwege
gedaagde vanuit een relevant organisatorisch kader. Afspraken over
werktijden en afstemming van repertoire per specifieke gelegenheid
duiden volgens haar niet op het uitoefenen van gezag. Appellante ziet
evenmin mogelijkheden voor sturing of aanwijzingen dan wel sancties
jegens de organist.
Daarmede acht zij de bewijsvoering voor gezagsuitoefening, onder
verwijzing naar een latere uitspraak van deze Raad van 28 januari 1998,
96/11667 ALGEM, te veel in niet onderbouwde veronderstellingen blijven
steken.
Appellante acht verder de organist ook vervangbaar, omdat niet de
persoon van de organist, maar het resultaat van het bespelen van het
orgel vooropstaat.
Gedaagde heeft in diens verweer erop gewezen dat de organisatorische
indeling van de Raad in diens laatstgenoemde uitspraak in het
onderhavige geval in zoverre niet toepasbaar is dat bij een
rooms-katholieke parochie als die in geding weliswaar sprake is van een
duidelijke ide๋le doelstelling, maar dat het hier overigens beslist een
professionele, en geen amateuristisch geleide instelling betreft, met
een duidelijk regelend gezag om te beginnen centraal vanuit Rome maar in
concreto met een niet op veronderstellingen doch op een feitelijke
reconstructie gebaseerd gezag van de pastoor jegens de betrokken
organist ter zake van de tijdstippen, het onderscheidene aan te houden
repertoire bij de verschillende diensten en het daaraan annexe toezicht.
De Raad ziet op grond van de gedingstukken en het verhandelde te zijner
zitting, met zorgvuldige inachtneming van de gewisselde standpunten van
partijen, in casu geen gegronde reden om in andere zin te beslissen dan
hij ter zake van een soortgelijke functionaris in een zelfde type
arbeidsverhouding bij uitspraak van 18 september 1991, RSV 1992/ 131
heeft gedaan.
Niet ontkend kan worden dat appellante via de pastoor/ voorganger ook
hier een zekere sturing kon verrichten en toezicht kon uitoefenen jegens
de organist zowel inzake de werktijden als de invulling van het
repertoire en de ten gehore te brengen muziek via onweersproken overleg
en tot op zekere hoogte inzake de wijze van uitvoering al naar gelang de
aard van de diensten en het daaraan inherente (liturgisch ge๋nte)
verwachtingspatroon. Onverlet blijft daarbij ook dat belanghebbende
kerkgangers of familieleden via appellante of diens voorganger hun
beklag over de organist konden doen, die zelf daarop aangesproken kon
worden. Daarbij heeft appellante desnoods de als ultieme sanctie
werkende mogelijkheid om bij gebleken onoverbrugbare disharmonie in
voorkomende gelegenheden tussen opdrachtgeefster en uitvoerder niet
langer van de diensten van de organist gebruik te maken. In het
vorenoverwogene ligt tevens besloten, dat de gezagsrelatie te dezen niet
op de zorgvuldigheid geweld aandoende veronderstellingen is gebaseerd
als in het geval waarop de uitspraak van de Raad van 28 januari 1998,
96/11667 ALGEM ziet, nog daargelaten de overigens door gedaagde te dezen
betwiste organisatorische toepasbaarheid hiervan.
De Raad deelt verder de zienswijze van de rechtbank dat er in casu
sprake is van een persoonlijke arbeidsverrichting door de organist,
omdat hij de arbeid in de jaren in geding doorgaans zelf als speciale
deskundige heeft verricht en bij verhindering slechts een vaste
deskundige vervanger voor hem optrad. Ook de betaalde vergoedingen op
declaratiebasis van f 45,-- per dienst en f 112,50 per repetitieavond
kan de Raad niet anders beschouwen dan als een behoorlijke beloning als
tegenprestatie voor de verrichte arbeid aan het orgel.
Op grond van het vorenoverwogene neemt de Raad met gedaagde en de
rechtbank, alles in samenhang overziende, verzekeringsplicht van de
betrokken organist ingevolge artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten aan wegens het effectief bestaan
van een arbeidsovereenkomst van deze met appellante over de jaren 1991
tot en met 1995.
De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2000.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|