|
Uitspraak
99/6144
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant is op de bij aanvullend beroepschrift van 5 april 2000
aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de door de
Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 27 oktober 1999
tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 december
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.P.
Bourne, werkzaam bij Gak Nederland B.V. Gedaagde is verschenen bij
gemachtigde mr. H.A. Meindersma, werkzaam bij Service Centrum Transport,
juridisch adviesbureau BV te Rotterdam en [naam directeur], directeur
van gedaagde.
II. MOTIVERING
Partijen zijn in dit geding verdeeld over het antwoord op de vraag of
[werknemer] (hierna: [werknemer]) in de jaren 1991 en 1992 tot gedaagde
in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van
de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Ziektewet en de Ziekenfondswet heeft gestaan. In het bijzonder spitst
het geding zich toe op de vraag of [werknemer] in genoemde jaren onder
gezag van gedaagde stond.
Vanwege appellant is benadrukt dat [werknemer] zijn werkzaamheden, het
monteren van reclame en prijszuilen ten behoeve van tankstations in
Frankrijk, voor gedaagde heeft verricht samen met een chauffeur van
gedaagde en met gebruikmaking van een vrachtauto van gedaagde. De
chauffeur stond onbetwist in dienstbetrekking tot gedaagde. Appellant
heeft zich op het standpunt gesteld dat in het algemeen iemand die
werkzaamheden verricht, die normaliter worden verricht door personen die
wel in dienstbetrekking tot de werkgever staan, verplicht verzekerd is.
Daarbij is appellant van mening dat het niet aannemelijk is dat er geen
sprake zou zijn geweest van gezagsuitoefening van de zijde van gedaagde,
aangezien gedaagde een bepaalde verantwoordelijkheid naar de
opdrachtgevers heeft.
Namens gedaagde is de nadruk gelegd op de specialistische kennis van
[werknemer] op het gebied van elektronica en het neerzetten/monteren van
zuilen bij tankstations enerzijds en de fysieke afstand anderzijds, die
het gedaagde niet mogelijk maakte om toezicht uit te oefenen op de
werkzaamheden van [werknemer].
De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel, dat de werkzaamheden
van [werknemer], die overigens niet in het bezit is van een
vervoersvergunning, niet zijn verricht in de (zelfstandige) uitoefening
van een bedrijf of beroep. Deze in de gedingstukken omschreven en ter
zitting deels nader uitgewerkte werkzaamheden werden verricht samen met
een werknemer/chauffeur van gedaagde en de te plaatsen zuilen werden
vervoerd in een vrachtwagen van gedaagde. Tevens was er ten behoeve van
de bedrijfsplanning voor de komende week contact met de montageploeg
over de voortgang van de werkzaamheden. Indien er een klacht was over
een zuil, werd gekeken of die zuil op de route lag en indien mogelijk
ging de montageploeg direct langs om de klacht op te lossen, waarbij de
aard van de klacht bepalend was wie voor deze kosten een rekening kreeg.
Het feit dat [werknemer], met zijn wagen met een laadvermogen van minder
dan 500 kilo, incidenteel een klacht verholpen heeft maakt dit niet
anders. De grote mate van vrijheid en zelfstandigheid van [werknemer]
bij het oplossen van problemen met betrekking tot de sokkel of de
elektronica, die eerst bij plaatsing naar voren kwamen en zijn
specialistische kennis op het gebied van elektronica, staan naar het
oordeel van de Raad aan een gezagsverhouding niet in de weg.
Ten aanzien van de overige werkzaamheden, het beladen van vrachtauto's
en het verrichten van hand- en spandiensten, komt de Raad, alles in
onderling verband overziende, tot de slotsom dat eveneens sprake is
geweest van een gezagsrelatie jegens gedaagde.
Derhalve dient onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de
Raad met betrekking tot beide hoofdbestanddelen van de werkzaamheden het
bestaan van reλel werkgeversgezag te worden aangenomen en wordt
daarmede aan alle eisen leidende tot een arbeidsovereenkomst en
verzekeringsplicht op basis van artikel 3 van de desbetreffende wetten
voor de jaren 1991 en 1992 voldaan. Hieruit volgt dat het hoger beroep
slaagt. De Raad zal met vernietiging van de aangevallen uitspraak doen,
hetgeen de rechtbank zijns inziens zou hebben behoren te doen.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|