|
Uitspraak
98/5224
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 3 juli 1996 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 19 januari 1996, waarbij is
besloten dat appellant premies verschuldigd is ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten terzake van de door [werknemer 1] en
[werknemer 2] voor appellant verrichte werkzaamheden.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 19 mei
1998 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Mr. H.J.
Bettink, advocaat te Haarlem, heeft namens appellant de gronden van het
hoger beroep uiteengezet in een aanvullend beroepschrift d.d. 22 januari
1999.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 8 april 1999, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 februari
2000, waar appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon is
verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Bettink, voornoemd, en
waar gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. M.M. Staalenhoef, werkzaam bij Gak Nederland
B.V.
II. MOTIVERING
Appellant is werkzaam als zelfstandig lasser. De werkzaamheden, die met
name bestaan uit het lassen en fitten van gasleidingen, worden
uitgevoerd in een door hem gehuurde loods. Bij appellant is in 1994 en
1995 arbeid verricht door [werknemer 1] (verder: [werknemer 1]) en in
1994 door [werknemer 2] (verder: [werknemer 2]).
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de arbeidsverhouding tussen
appellant enerzijds en [werknemer 1] en [werknemer 2] anderzijds primair
aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Subsidiair heeft
gedaagde zich op het standpunt gesteld dat [werknemer 1] en [werknemer
2] verzekeringsplichtig zijn op grond van het bepaalde in artikel 5 van
het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986, 655.
Wat betreft de primaire grondslag van het bestreden besluit heeft
gedaagde zich op het standpunt gesteld dat aan alle voorwaarden voor het
aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt voldaan. Met
betrekking tot de voorwaarde van het bestaan van een gezagsverhouding
heeft gedaagde bij het bestreden besluit overwogen dat appellant aan
[werknemer 1] en [werknemer 2] met betrekking tot de door hen te
verrichten werkzaamheden opdrachten dan wel aanwijzingen kon geven.
Daarbij heeft gedaagde in aanmerking genomen dat betrokkenen
overeenkomstig een tekening de werkzaamheden dienden te verrichten, dat
deze tekening voor aanvang van de werkzaamheden werd besproken en dat
het eindresultaat door appellant werd gecontroleerd. Gedaagde acht het
onaannemelijk dat de werkzaamheden zonder aanwijzing, toezicht en
controle konden worden verricht nu zij een wezenlijk deel uitmaakten van
appellants bedrijfsvoering.
Voorts heeft gedaagde van belang geacht dat de las- en fitwerkzaamheden
voornamelijk werden verricht in een door appellant gehuurde loods en dat
bij de uitvoering van de werkzaamheden in overwegende mate gebruik werd
gemaakt van de lasapparatuur en overige materialen van appellant.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gedaagde hierin gevolgd.
De rechtbank heeft werkgeversgezag van appellant aanwezig geacht,
aangezien hij opdrachten en aanwijzingen ten aanzien van het werk kon
geven en in feite ook gaf, de eindcontrole op het resultaat behield,
zijn loods ter beschikking had en zorg droeg voor het aanwezig zijn en
het onderhoud van de apparatuur.
Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de werkzaamheden
die betrokkenen uitvoerden een wezenlijk onderdeel vormden van
appellants las- en fitbedrijf, dat appellant toezicht en eindcontrole op
het werk had en betrokkenen opdracht kon geven het werk over te doen.
De Raad komt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting
evenwel tot een andere waardering van de feiten en omstandigheden,
waaronder [werknemer 1] en [werknemer 2] werkzaam waren.
In de stukken, noch in het verhandelde ter zitting heeft de Raad
voldoende concrete aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat
[werknemer 1] en [werknemer 2] bij het uitvoeren van de werkzaamheden
aanwijzingen kregen. Nadat aan de hand van een tekening duidelijk was
gemaakt welke werkzaamheden van hen werden verwacht en welk tarief zij
daarvoor rekenden, werden de werkzaamheden volledig zelfstandig
uitgevoerd. De enige controle op de werkzaamheden van betrokkenen
bestond uit de eindcontrole op het afgeleverde product.
Naar het oordeel van de Raad is dit in elk geval onvoldoende voor het
aannemen van werkgeversgezag. Ook in de omstandigheid dat betrokkenen de
werkzaamheden moesten overdoen wanneer het afgeleverde product bij de
eindcontrole werd afgekeurd, ziet de Raad geen volwaardig
aanknopingspunt voor het aannemen van werkgeversgezag. Daarbij acht de
Raad in het bijzonder van belang dat het overdoen van deze werkzaamheden
voor rekening van betrokkenen gebeurde.
De Raad onderschrijft voorts evenmin niet de opvatting van gedaagde dat
[werknemer 1] en [werknemer 2] in overwegende mate gebruik maakten van
de lasapparatuur en overige materialen van appellant. Ter zitting is
gebleken dat [werknemer 1], in tegenstelling tot hetgeen is opgemerkt in
het rapport van P.J. Boudewijn d.d. 9 januari 1996, werkte met zijn
eigen lasapparatuur en ander handgereedschap. [werknemer 2], die met
name fitwerkzaamheden verrichtte, maakte gebruikte van eigen
snijgereedschap. Slechts in uitzonderlijke gevallen, wanneer gereedschap
was vergeten of kapot was, werd gereedschap van appellant gebruikt.
Op grond van het hiervoor overwogene komt de Raad tot de conclusie dat
door het ontbreken van een reλle gezagsverhouding [werknemer 1] en
[werknemer 2] niet in privaatrechtelijke dienstbetrekking hebben gestaan
tot appellant en daarop dan ook geen premieplicht van appellant kan
worden gebaseerd.
Subsidiair heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat [werknemer
1] en [werknemer 2] als verplicht verzekerd zijn aan te merken ingevolge
artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986,
655. De uitzondering wegens zelfstandigheid als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onder a, van evengenoemd koninklijk besluit is volgens
gedaagde niet van toepassing, aangezien betrokkenen binnen de
onderhavige arbeidsverhouding niet zelfstandig te werk gingen. Verder
heeft gedaagde in aanmerking genomen dat betrokkenen in het kader van de
onderhavige arbeidsverhouding geen relevante investeringen hebben
gedaan, geen bedrijfsrisico hebben gelopen, in overwegende mate gebruik
hebben gemaakt van de gereedschappen en materialen van appellant en
gedurende de desbetreffende periode slechts voor ιιn opdrachtgever
hebben gewerkt.
De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. Allereerst is de Raad van
oordeel dat betekenis moet worden gehecht aan de omstandigheid dat
[werknemer 1] en [werknemer 2] in het bezit waren van een
zelfstandigheidsverklaring. Ten onrechte is gedaagde hieraan zonder
nader onderzoek naar de achtergrond van de verlening van deze
verklaringen voorbijgegaan. Voorts acht de Raad van belang dat
betrokkenen door hen verrichte werkzaamheden, die bij de eindcontrole
werden afgekeurd, voor eigen rekening dienden over te doen. Zoals
hiervoor reeds is overwogen acht de Raad voorts onjuist het standpunt
dat betrokkenen in overwegende mate met apparatuur van appellant
werkten. Zij beschikten over en maakten gebruik van de apparatuur en het
handgereedschap die voor het zelfstandig uitoefenen van het beroep van
lasser, respectievelijk fitter nodig zijn. Derhalve kan niet gezegd
worden dat [werknemer 1] en [werknemer 2] geen relevante investeringen
hebben gedaan. Het feit dat zij slechts voor ιιn opdrachtgever
tegelijkertijd werkten, doet aan de zelfstandigheid in casu niet af.
Door gedaagde is niet ontkend en ook uit de stukken blijkt dat
betrokkenen in het vervolg wel meerdere opdrachtgevers hadden.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, alsmede de
aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f
2.130,- voor verleende rechtsbijstand.
De Raad stelt tot slot vast dat het door appellant zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 710,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f
1.420,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht van f
210,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr.
L.H. Vogt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2000.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|