|
Uitspraak
98/4879
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 7 april 1997 heeft gedaagde appellante in kennis
gesteld van zijn op bezwaar gegeven besluit, inhoudende dat
verzekeringsplicht op grond van de sociale werknemersverzekeringswetten
aanwezig wordt geacht ten aanzien van [werknemer 2] en [werknemer 1].
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 16
april 1998 het namens appellante tegen voormeld besluit ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. F. Rozemeijer, werkzaam bij Deloitte &
Touche te Beverwijk, van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen. In een aanvullend beroepschrift van 27 oktober 1998 zijn de
gronden van het hoger beroep uiteengezet.
Bij schrijven van 11 januari 1999 is namens gedaagde een verweerschrift,
met bijlagen, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 februari
2000, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
Rozemeijer, voornoemd, en mr. E.T.N.P. Plat, eveneens werkzaam bij
Deloitte & Touche. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen
vertegenwoordigen door mr. M.M. Staalenhoef, werkzaam bij Gak Nederland
B.V.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat hij zich beperkt tot de situatie in de jaren
1993 en 1994, nu het bestreden besluit uitsluitend betrekking heeft op
die jaren.
Appellante houdt zich bezig met de export en import alsmede de
groothandel in bloemsierteeltproducten en aanverwante artikelen. [Naam
directeur] (hierna: [naam directeur]) was in de betrokken jaren
statutair directeur van appellante en had tot 1 juli 1993 door middel
zijn vennootschap van [vennootschap A] alle 35 aandelen in handen. Voor
1 juli 1993 waren [werknemer 1] (hierna: [werknemer 1]) en [werknemer 2]
(hierna: [werknemer 2]) in loondienst van appellante.
[Werknemer 1] is directeur/enig aandeelhouder van [vennootschap 1]
gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: [vennootschap 1]). [werknemer
2] is directeur/enig aandeelhouder van [vennootschap 2], gevestigd te
[vestigingsplaats] (hierna: [vennootschap 2]).
Blijkens een op 21 juli 1993 opgemaakte notariële akte van levering is
[vennootschap A] met [vennootschap 1] en [vennootschap 2] een gefaseerde
aandelenoverdracht overeengekomen. De aandelenoverdracht is aangevangen
op 21 juli 1993 met de verkoop van 4 van de 35 aandelen aan
[vennootschap 1] en [vennootschap 2] en zal zijn voltooid op 1 juli
2001, wanneer [vennootschap A] 7, [vennootschap 1] 18 en [vennootschap
2] 10 aandelen in appellante zullen bezitten. [werknemer 1] heeft door
middel van [vennootschap 1] in 1993 2 aandelen en in 1994 4 aandelen van
appellante in handen gekregen en [werknemer 2] heeft via [vennootschap
2] in 1993 2 aandelen en in 1994 3 aandelen verkregen.
Voorts heeft appellante in oktober 1993 met [vennootschap 1] en
[vennootschap 2] een managementovereenkomsten voor onbepaalde tijd
gesloten, inhoudende dat met ingang van 1 juli 1993 [vennootschap 1] en
[vennootschap 2] ten behoeve van appellante managementwerkzaamheden
zullen verrichten en belast zullen zijn met de taken verbonden aan de
functie van directeur van appellante. Deze overeenkomsten voorzien in
een schadeloosstelling van de kant van [naam directeur] bij tussentijdse
beëindiging door omstandigheden welke aan [naam directeur] zijn toe te
rekenen.
Naar aanleiding van een op 4 oktober 1995 uitgevoerde looncontrole heeft
gedaagde zich op het standpunt gesteld dat voor de werkzaamheden die
[werknemer 1] en [werknemer 2] voor appellante verrichten
verzekeringsplicht op grond van de sociale werknemersverzekeringswetten
gelden, zulks primair op de grond dat [werknemer 1] en [werknemer 2] hun
werkzaamheden voor appellante verrichtten in het kader van een
privaatrechtelijk dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
van bedoelde wetten, en subsidiair op de grond dat de desbetreffende
werkzaamheden worden verricht in het kader van een arbeidsverhouding als
bedoeld in artikel 5, aanhef en onder d, van voornoemde wetten juncto
artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655.
Vervolgens heeft gedaagde appellante correctienota's doen toekomen over
de jaren 1993 en 1994, welke nota's gedaagde bij het bestreden besluit
heeft gehandhaafd.
De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep tegen dat
besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellante naar voren gebracht dat de
rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat sprake was van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [werknemer 1]
en [werknemer 2], aangezien niet voldaan is aan de voorwaarde van een
gezagsverhouding. Opzegging van de tussen appellante en [vennootschap 1]
en [vennootschap 2] gesloten managementovereenkomst is slechts mogelijk indien alle aandeelhouders
hiermee instemmen. Daarbij is gewezen op een besluit genomen in de
algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AVA), gehouden op 4
november 1993, inhoudende dat -in aanvulling op de
managementovereenkomst- van een tussentijdse beëindiging (van de
managementovereenkomst) alleen sprake kan zijn wanneer alle aandelen in
handen komen van één nieuwe aandeelhouder, niet zijnde [vennootschap
A], [vennootschap 1], of [vennootschap 2]. Mede gelet op de inhoud van
dit besluit is, zoals namens appellante is betoogd, opzegging van de managementovereenkomst
onmogelijk, hetgeen tot gevolg heeft dat er geen sprake is van een
gezagsverhouding.
Met betrekking tot het antwoord op de vraag of gedaagde zich (primair)
terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat [werknemer 1] en
[werknemer 2] in de jaren 1993 en 1994 werkzaamheden hebben verricht ten
behoeve van appellante in het kader van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking in de betekenis van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten, overweegt de Raad het volgende.
De omstandigheid dat er sprake is van een managementovereenkomst die is
gesloten tussen besloten vennootschappen, staat er ingevolge vaste
jurisprudentie niet aan in de weg een arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht aanwezig te achten, indien de feiten en omstandigheden
van het desbetreffende geval duidelijk wijzen op het bestaan van een
dergelijk overeenkomst.
De Raad is van oordeel dat het op grond van de zich in dit geval
voordoende feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk is te achten
dat [werknemer 1] en [werknemer 2] de verplichting gold de werkzaamheden
persoonlijk te verrichten. Eveneens wordt voldaan aan de voorwaarde van
loonbetaling.
Voorts is de Raad van oordeel dat er sprake is van een gezagsverhouding
tussen [werknemer 1] en [werknemer 2] en appellante. Allereerst merkt de
Raad op dat uit de gedingstukken blijkt dat [werknemer 1] en [werknemer
2] niet als bestuurders zijn aan te merken, maar dat zij middels hun
vennootschappen blijkens de tussen hen en appellante gesloten
managementovereenkomsten werkzaamheden verrichten onder de titel van
directeur van appellante. Het voorgaande brengt mee dat op [werknemer 1]
en [werknemer 2] niet de statutaire bepalingen terzake van benoeming,
schorsing en ontslag van bestuurders van toepassing zijn.
In dit geval vloeit een gezagsverhouding voort uit de mogelijkheid van
tussentijdse beëindiging van de managementovereenkomsten, in welke
mogelijkheid deze overeenkomsten uitdrukkelijk voorzien, terwijl
[werknemer 1] en [werknemer 2] in 1993 en 1994 als
minderheidsaandeelhouder niet in de positie verkeerden een beëindiging
te beletten. Voor het aannemen van een gezagsverhouding is naar het
oordeel van de Raad ook steun te vinden in de omstandigheid dat
[werknemer 1] en [werknemer 2] voor 1 juli 1993 onbetwist in loondienst
werkzaam waren, alsmede in de door [naam directeur] ter zitting van de
rechtbank afgelegde verklaring, bij welke gelegenheid [naam directeur]
heeft medegedeeld dat hij wilde voorkomen dat het bedrijf in handen zou
komen van een buitenlandse raider. [werknemer 1] en [werknemer 2] waren
beiden meer dan tien jaren in dienst bij hem. [naam directeur] wilde het
bedrijf aan hen overdoen. Om die reden heeft [naam directeur] medio 1993
met het oog op de toekomst besloten dat [werknemer 1] en [werknemer 2]
via hun besloten vennootschappen mede-eigenaren zouden worden. Aangezien
[naam directeur], zoals ter zitting van de rechtbank medegedeeld, niet
abrupt wilde stoppen en betrokken wilde blijven bij het bedrijf, heeft
hij besloten om de aandelen gefaseerd over te dragen.
Naar aanleiding van het van de zijde van appellante naar voren gebrachte
argument dat opzegging van de managementovereenkomst niet mogelijk zou
zijn, merkt de Raad op dat de managementovereenkomsten niet zijn
aangepast aan de besluitvorming in de AVA van 4 november 1993. Voorts
merkt de Raad hierover op dat de AVA van zijn besluit van 4 november
1993 had kunnen terugkomen en daarmee de weg vrij had kunnen maken voor
een beëindiging van de overeenkomsten. Gelijk hiervoor reeds is
overwogen, verkeerden [werknemer 1] en [werknemer 2] niet in de positie
om zulks te beletten.
Gelet op het voorgaande dient eerdergenoemde vraag bevestigend
beantwoord te worden en dient de uitspraak van de rechtbank, zij het op
andere gronden, bevestigd te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom moet als volgt worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter, mr. R.C.
Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel als leden, in
tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 30 maart 2000.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|