|
Uitspraak
99/5965
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 10 juli 1998 heeft appellant gedaagde in kennis
gesteld van zijn op bezwaar genomen besluit, inhoudende dat gedaagde
verzekerd is ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten.
De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van 18
oktober 1999, beslissende op het namens gedaagde tegen dat besluit
ingestelde beroep, dat beroep gegrond verklaard en het besluit
vernietigd.
Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. In
een aanvullend beroepschrift d.d. 7 februari 2000, nader aangevuld bij
schrijven (met bijlage) van 10 februari 2000, zijn de gronden van het
hoger beroep uiteengezet.
Op 17 februari 2000 heeft gedaagde een verweerschrift ingediend en nader
aangevuld bij brief (met bijlage) van 4 april 2001.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 mei
2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.G.J.
Reurings, werkzaam bij Gak Nederland B.V.. Gedaagde is in persoon
verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken en de aangevallen uitspraak,
waarin appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiser, de
volgende gegevens van feitelijke aard.
[Vennootschap A] ( tot 9 december 1996 geheten: [voorloper vennootschap
A]) is op 23 juni 1995 opgericht. De aandelen zijn bij akte van oprichting voor
40,5% in handen gesteld van [vennootschap 1], waarvan gedaagde directeur
en enig aandeelhouder is, voor 27,5% in handen van [vennootschap 2] ,
waarvan [naam directeur] directeur en enig aandeelhouder is. De overige
32% van de aandelen zijn in handen van derden.
Ingevolge artikel 24, lid 1 van de statuten van [vennootschap A] geeft
ieder aandeel recht op het uitbrengen van één stem. Gedaagde en [naam
directeur] zijn bij oprichting van [vennootschap A] als directeur
benoemd.
Op 9 december 1996 heeft er een wijziging in de artikelen 1 en 2 van de
statuten plaatsgevonden, waarbij de naam van de vennootschap is
gewijzigd in [vennootschap A] Voorts is er een vierde lid aan artikel 30
toegevoegd. Hierin is bepaald dat, zolang de heren [gedaagde] en [naam
directeur] directeuren van de vennootschap zijn, zij zich verplichten in
een algemene vergadering van de vennootschap tegen te stemmen
betreffende een voorstel tot ontslag van één van hen als directeur van
de vennootschap.
Bij zijn besluit op bezwaar d.d. 10 juli 1998 heeft appellant het
standpunt ingenomen, inhoudende dat gedaagde ten aanzien van de periode
tot 9 december 1996 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking staat tot
[vennootschap A] en derhalve verzekerd is ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten. Daarbij heeft appellant overwogen - kort
weergegeven - dat gedaagde gelet op de artikelen 15, lid 2 en 17, lid 1
van de statuten en zijn aandelenbezit tegen zijn wil ontslagen kan
worden. Met betrekking tot de periode na 9 december 1996 heeft appellant
dit standpunt gehandhaafd, van oordeel zijnde dat het in artikel 30, lid
4 van de statuten bepaalde, gelet op artikel 2:244, eerste en tweede
lid, juncto artikel 2:25 en 2:15 lid 1, sub a van het Burgerlijk
Wetboek, buiten beschouwing dient te worden gelaten, zodat gedaagde ook
na deze datum tegen zijn wil kan worden ontslagen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit
vernietigd en - voorzover hierbij van belang - overwogen dat het enkele
feit dat geen sprake is van een evenredige aandelenverhouding en de
directeuren door de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) te
allen tijde kunnen worden ontslagen bij volstrekte meerderheid van de in
de AVA uitgebrachte stemmen onvoldoende is om in casu te concluderen dat
er sprake is van een gezagsverhouding. Dit geldt volgens de rechtbank te
meer in dit geval nu op grond van de beschikbare gegevens er ten aanzien
van gedaagde en [naam directeur] voldoende materiële indicaties
aanwezig zijn voor het gezamenlijk, op basis van gelijkwaardigheid,
drijven van een onderneming. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevend
geacht dat gedaagde en [naam directeur] tezamen het bedrijf hebben
opgericht; dat zij, omdat zij geen geldlening van de bank konden
krijgen, geldschieters hebben gezocht en verkregen; dat deze
geldschieters op een geheel ander terrein werkzaam zijn en geen deel
hebben aan de bedrijfsvoering van [vennootschap A] en dat de rechtbank
een en ander bevestigd ziet in de wijze waarop de wijziging van het
vierde lid van artikel 30 van de statuten kon worden doorgevoerd.
Appellant heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat het
ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad bij de beoordeling van de
verzekeringsplicht ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten van
directeuren - in een situatie als het onderhavige - van doorslaggevend
belang is of een directeur, gelet op de stemverhoudingen in de AVA tegen
zijn wil kan worden ontslagen. Van belang zijn derhalve de
aandelenverhoudingen in relatie tot de statutaire bepalingen inzake
ontslag van directeuren. Materiële indicaties die duiden op gezamenlijk
ondernemerschap in de gevallen waarin aandeelhouders niet volledig
gelijkwaardig participeren in het aandelenkapitaal, acht appellant in
onderhavige situatie niet aanwezig.
De Raad overweegt als volgt.
Indien - zoals in het onderhavige geval - een directeur/aandeelhouder
van een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en
de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de AVA geen
doorslaggevende invloed heeft op de benoeming, schorsing en - in het
bijzonder - het ontslag van directeuren, moet in beginsel worden
aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de besloten
vennootschap.
Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere
feiten of omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet
aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten
aanzien van een directeur/grootaandeelhouder die geen doorslaggevende
stem heeft in de AVA, is de Raad van oordeel dat er in het onderhavige
geval onvoldoende materiële aanwijzingen bestaan om een zodanige
uitzonderingssituatie aanwezig te achten.
In dit verband overweegt de Raad in de eerste plaats, dat de afspraken
en betrekkingen tussen de verschillende belanghebbenden, niet behoefden
uit te sluiten dat in een situatie waarin de onderscheidene belangen
minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn dan in de
door belanghebbenden beoogde of verwachte situatie, gedaagde zou worden
geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening in de AVA.
De Raad markeert in dit verband dat ingevolge artikel 15, lid 2 van de
statuten van [vennootschap A] is bepaald dat de AVA te allen tijde
bevoegd is om directeuren te schorsen en te ontslaan. Volgens artikel
24, lid 1 van de statuten geldt - voor zover hier van belang - de eis
van een volstrekte meerderheid van stemmen. Gedaagde kan gelet op zijn
aandelenverhouding derhalve tegen zijn wil worden ontslagen.
Gelet op de uitspraak van de Raad van 20 augustus 1998 ( gepubliceerd in
RSV 1998/286) wijzigt de stemovereenkomst zoals neergelegd in artikel
30, lid 4 van de statuten van Aecum de stemverhouding in de AVA niet.
Een stemovereenkomst laat immers onverlet dat een aandeelhouder zijn
stem rechtsgeldig kan uitbrengen.
Aangezien de Raad ook overigens geen grond heeft kunnen vinden om het
bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen gedaagde en
[vennootschap A] in twijfel te trekken, komt de aangevallen uitspraak
voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G.J. van Muijen als leden, in tegenwoordigheid van N.J.
Stolten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) N.J. Stolten.
|
|