|
Uitspraak
98/2524
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 24 mei 1996 heeft gedaagde gegrond verklaard de bezwaren
van appellante tegen het besluit van 5 april 1995, waarbij is besloten dat de voor appellante werkzame heer
[werknemer] tot 29 november 1994 verzekeringsplichtig is en dat tot
die datum premies verschuldigd zijn ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten over het aan hem betaalde loon. De
verzekeringsplicht is bij het thans bestreden besluit beperkt tot de
periode voor 12 mei 1992.
De Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft bij uitspraak van 18
februari 1998 het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Mr. B.J. Bloemendal, advocaat te Zoetermeer, heeft namens appellante
tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger
beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift d.d. 8 januari
1999.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 9 maart 1999, ingediend.
Bij brief van 14 juni 1999 heeft mr. Bloemendal, voornoemd, hierop namens
appellante gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 maart
2000, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Bloemendal,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
M.T.M. van der Veer, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
De heer [werknemer] (verder: [werknemer]) is in 1973 in dienst getreden
bij appellante, waar hij sedert 1986 de functie van adjunct-directeur
bekleedt.
Tussen [werknemer] en de enig aandeelhouder van appellante, de heer
[aandeelhouder] (verder: [aandeelhouder]), is op 9 augustus 1989 een
koopovereenkomst gesloten, waarbij [aandeelhouder] het volledige
aandelenbezit van appellante, bestaande uit 40 aandelen, aan [werknemer]
heeft verkocht. De overdracht van de aandelen heeft vervolgens, volgens
de bepalingen van de overeenkomst, gefaseerd plaatsgevonden. Op 12 mei
1992 zijn de aandelen, genummerd 13 tot en met 16 aan [werknemer]
overgedragen, zodat hij met ingang van die datum over meer dan een derde
deel van de aandelen beschikte. De aandelen genummerd 17 tot en met 19
zijn op 1 januari 1993 overgedragen en de aandelen genummerd 20 tot en
met 40 op 24 november 1994.
In de notarieel vastgelegde koopakte van 9 augustus 1989 is in artikel 5
een zogenaamde stemovereenkomst opgenomen, onder meer inhoudend dat
[aandeelhouder] zich verplicht gedurende de periode dat de verkochte
goederen nog niet in eigendom aan koper zijn overgedragen, in
aandeelhoudersvergaderingen van appellante waarin wordt voorgesteld het
geplaatste aandelenkapitaal te vergroten, de statuten te wijzigen of de
directie uit te breiden of te wijzigen, slechts dan voor een zodanig
voorstel stem uit te brengen indien dat voorstel de instemming van
[werknemer] heeft.
Voor het geval een dergelijk voorstel niet de instemming van [werknemer]
zou hebben, is bepaald dat [aandeelhouder] en [werknemer] het advies
inwinnen van drie deskundigen, die schriftelijk advies uitbrengen.
[aandeelhouder] en [werknemer] hebben zich verplicht in de
aandeelhoudersvergadering hun stem uit te brengen overeenkomstig het
uitgebrachte advies.
Op niet-naleving van deze bepalingen is een boete gesteld van f
250.000,--.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde aangenomen dat [werknemer] tot
12 mei 1992 verzekeringsplichtig was. Daartoe heeft gedaagde overwogen
dat [werknemer], gelet op artikel 12, derde lid, van de statuten van
appellante, waarin is bepaald dat de algemene vergadering van
aandeelhouders een directeur kan schorsen of ontslaan, mits met een
meerderheid van ten minste twee/derde deel van de uitgebrachte stemmen,
tot die datum door de algemene vergadering van aandeelhouders tegen zijn
wil kon worden ontslagen als directeur.
Met betrekking tot de tussen [aandeelhouder] en [werknemer] gesloten
stemovereenkomst heeft gedaagde overwogen dat hiermee wettelijke en
statutair vastgelegde rechten en plichten niet kunnen worden gepasseerd,
zodat de mogelijkheid van ontslag van de directeur blijft bestaan.
Subsidiair heeft gedaagde zich bij het bestreden besluit op het
standpunt gesteld dat door [werknemer] werkzaamheden werden verricht in
het kader van een arbeidsverhouding welke op grond van artikel 5 van de
sociale werknemersverzekeringswetten als een dienstbetrekking moet
worden beschouwd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de primaire stellingname
van gedaagde gevolgd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen
dat [werknemer] tot 12 mei 1992 niet een derde van het aandelenkapitaal
bezat, waardoor appellante hem tot die datum tegen zijn wil kon
ontslaan. Deze bevoegdheid tot ontslag is aanwezig ondanks de notarieel
vastgelegde stemovereenkomst, aangezien die afspraak niet kan afdoen aan
de wettelijk en statutair vastgelegde rechten en plichten van de
algemene vergadering van aandeelhouders.
Namens appellante is in hoger beroep het standpunt ingenomen dat aan de
voorwaarden voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking
tussen appellante en [werknemer] niet is voldaan, aangezien er geen
gezagsverhouding tussen hen aanwezig was. Daarbij is er namens
appellante op gewezen dat de aandelenoverdracht een onomkeerbaar proces
was, aangezien [aandeelhouder] en [werknemer] ingevolge artikel 6 van de
koopakte geen ontbinding van de in de akte vervatte eigendomsoverdracht
konden vorderen. Voorts is er op gewezen dat met artikel 5 van de
koopakte werd beoogd [werknemer] te beschermen tegen ontslag gedurende
de eerste fase van de aandelenoverdracht waarin hij nog niet beschikte
over een derde gedeelte van de aandelen. De relatie tussen appellante en
[werknemer] dient in de visie van appellante veeleer te worden
aangemerkt als gezamenlijk ondernemerschap.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de
arbeidsverhouding tussen appellante en [werknemer] niet kan worden
aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking, aangezien aan
het vereiste van een gezagsverhouding niet is voldaan. De Raad heeft
daarbij het volgende in aanmerking genomen.
Indien - zoals in het onderhavige geval - een directeur/aandeelhouder van
een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de
eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de algemene
aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende invloed heeft op de
benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van
directeuren, moet volgens vaste jurisprudentie van de Raad in beginsel
worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de
besloten vennootschap.
Er kan evenwel sprake zijn van bijzondere feiten of omstandigheden op
grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke
gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een
directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende stem heeft in de
algemene aandeelhoudersvergadering. De Raad is van oordeel dat zich in
het onderhavige geval een dergelijke uitzonderingssituatie voordoet.
In dit verband overweegt de Raad in de eerste plaats dat de hiervoor
weergegeven afspraken tussen [aandeelhouder] en [werknemer] feitelijk
uitsloten dat [werknemer] in een conflictsituatie zou worden
geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening van de zijde van de
algemene aandeelhoudersvergadering. Daarbij heeft de Raad in aanmerking
genomen dat een stemovereenkomst, zoals door partijen overeengekomen in
artikel 5 van de koopakte, weliswaar onverlet laat dat [werknemer] door
de algemene aandeelhoudersvergadering als directeur kon worden
ontslagen, doch datzelfde artikel 5 brengt mee dat in geval van
onenigheid tussen [aandeelhouder] en [werknemer] omtrent een van de in
artikel 5 genoemde beslissingen het (bindende) advies van een drietal
arbiters diende te worden ingewonnen, waardoor van rechtstreekse
gezagsuitoefening door de algemene aandeelhoudersvergadering geen sprake
kon zijn. De Raad acht in dit verband voorts van belang dat alle
aandelen reeds aan [werknemer] waren verkocht, dat door [aandeelhouder]
en [werknemer] geen ontbinding van de eigendomsoverdracht kon worden
gevorderd en dat bovendien de eigendomsoverdracht binnen een kort
tijdsbestek zou plaatsvinden.
De Raad is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven feiten en
omstandigheden kan worden afgeleid dat de verhouding tussen [werknemer]
enerzijds en appellante anderzijds veel meer de aard en strekking had
van een gezamenlijk ondernemerschap dan van een arbeidsverhouding
waarbinnen partijen de hoedanigheid van werkgever respectievelijk
werknemer hebben.
Subsidiair heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat [werknemer]
als verplicht verzekerd is aan te merken ingevolge artikel 5 van het
Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986, 655. De uitzondering
wegens zelfstandigheid als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder a, van
evengenoemd Koninklijk besluit is volgens gedaagde niet van toepassing,
aangezien uit niets blijkt dat [werknemer] zijn arbeid zou verrichten in
de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een
beroep.
De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. Aangezien de verhouding tussen
[werknemer] en appellante, zoals hiervoor reeds werd overwogen, dient de
worden gekwalificeerd als gezamenlijk ondernemerschap, is [werknemer] te
beschouwen als zelfstandige. Hij is derhalve evenmin verplicht verzekerd
ingevolge artikel 5 van bovengenoemd Koninklijk besluit.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, alsmede de
aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f
2.130,-- voor verleende rechtsbijstand.
De Raad stelt tot slot vast dat het door appellante zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 710,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f
1.420,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte griffierecht van f
1.030,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2000.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|