|
Uitspraak
99/4407
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 9 juli 1997 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 29 augustus 1996, waarbij de
voor gedaagde werkzame [werknemer] als verplicht verzekerd ingevolge de
sociale werknemersverzekeringswetten is aangemerkt.
De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van 6 juli
1999 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd, het primaire besluit van 29 augustus
1996 herroepen, bepaald dat appellant het door gedaagde betaalde
griffierecht vergoedt en appellant veroordeeld in de proceskosten van
gedaagde.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 30 november 1999 van
die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. B.A. Agerbeek, belastingsadviseur bij Blömer
accountants en adviseurs B.V. te [vestigingsplaats], op 18 januari 2000
een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 maart
2001, waar voor appellant is verschenen mr. P.G.J. Reurings, werkzaam
bij Gak Nederland B.V., en waar voor gedaagde zijn verschenen mr.
Agerbeek en [werknemer], voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde stelt specialisten op het gebied van de informatietechnologie
ter beschikking. Zij is bij notariële akte van 20 juni 1996 opgericht
door [werknemer] (hierna: [werknemer]) in zijn hoedanigheid van
directeur van [vennootschap 1], [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2])
in zijn hoedanigheid van directeur van [vennootschap 2] en [betrokkene
3]. Vanaf 20 juni 1996 tot april 1997 had [vennootschap 1] 44,44%,
[vennootschap 2] 44,44 % en [betrokkene 3] 11,12% van de aandelen in
gedaagde.
Bestuurder van gedaagde is [werknemer]. Hieraan ligt ten grondslag een
op 9 juli 1996 gesloten managementovereenkomst tussen [vennootschap 1]
en gedaagde.
Onbetwist is dat de deelneming van [vennootschap 2] in gedaagde erop was
gericht dat [betrokkene 2] op termijn zou toetreden tot de directie van
gedaagde. Van dit laatste heeft [betrokkene 2] om hem moverende redenen
afgezien, waarna in april 1997 [vennootschap 2] haar aandelen in
gedaagde heeft overgedragen aan [vennootschap 1]. Blijkens het verslag
van de algemene vergadering van aandeelhouders in gedaagde van 19 maart
1997 werd uit een oogpunt van continuïteit van de onderneming deze
aandelenoverdracht gewenst geacht. Aan [betrokkene 2], althans
[vennootschap 2] als financier van gedaagde bestond geen behoefte.
Bij besluit van 29 augustus 1997, welk besluit appellant na gemaakt
bezwaar heeft gehandhaafd, heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld
dat [werknemer] verplicht verzekerd is primair op grond van artikel 3
van de sociale werknemersverzekeringswetten, subsidiair op grond van
artikel 5 van deze wetten in samenhang met artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986,
Stb. 655.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellant hierin niet
gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er uit alle feiten en
omstandigheden voldoende materiële indicaties naar voren gekomen voor
het gezamenlijk drijven van een onderneming, ook al participeren alle
betrokkenen niet volledig of nagenoeg volledig gelijk in het
aandelenkapitaal. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat
[werknemer] reeds voor de oprichting van gedaagde met het oog op die
oprichting werkzaamheden ontplooide op het gebied van de (latere)
bedrijfsactiviteiten van gedaagde. Voorts heeft de rechtbank in
aanmerking genomen dat [werknemer] zijn vaste betrekking heeft opgegeven
om zich volledig voor gedaagde te kunnen inzetten en dat gedaagde ten
tijde van haar oprichting was gevestigd op het huisadres van
[werknemer]. De managementovereenkomst en de aandelenoverdracht van
[vennootschap 2] aan [vennootschap 1] illustreren naar het oordeel van
de rechtbank de doorslaggevende zeggenschap van [werknemer] binnen
gedaagde. Een gezagsverhouding kan dan ook niet worden aangenomen. Nu er
sprake is van een gezamenlijke onderneming, stuit de door appellant
gehanteerde subsidiaire grondslag naar het oordeel de rechtbank af op
artikel 8, eerste lid, van het Koninklijk besluit van 24 december 1986.
Naar aanleiding van het door partijen in hoger beroep gestelde,
overweegt de Raad allereerst dat, naar ook ter zitting van de kant van
appellant is bevestigd, appellants aanname dat [werknemer] verplicht
verzekerd is ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten
uitsluitend betrekking heeft op de periode van juni 1996 tot april 1997.
Dat het te dezen gaat om een betrekkelijk korte periode, hangt samen met
de positie die [betrokkene 2] middels zijn vennootschap [vennootschap 2]
ten opzichte van gedaagde innam. [Betrokkene 2] participeerde in
gedaagde niet zozeer als financier, maar veeleer met het oogmerk om toe
te treden tot de directie van gedaagde. Nadat hij hiervan afzag, is mede
op aandrang van [werknemer] terstond een einde gekomen aan zijn
betrokkenheid bij gedaagde. Het is vooral de gang van zaken met
betrekking tot de verkoop en de overdracht van de aandelen van
[vennootschap 2] aan de vennootschap van [werknemer], die ook naar het
oordeel van de Raad illustreert dat in dit geval aan de formele
zeggenschapsverhouding, zoals neergelegd in de statuten van gedaagde,
dient te worden voorbijgegaan, te meer nu uit deze gang van zaken
blijkt dat gedaagde, noch [werknemer] afhankelijk waren van de financiële
inbreng van de vennootschap van [betrokkene 2]. Overigens is ook niet
gebleken van een aanzienlijk financieel belang van deze vennootschap in
gedaagde. In aanmerking nemende de overige feiten en omstandigheden
voorafgaand aan en na de oprichting van gedaagde is in dit geval niet
goed voorstelbaar dat, gelet op de positie van [betrokkene 2], zich in
voormelde periode een situatie had kunnen voordoen waarin [werknemer]
met enige gezagsuitoefening had kunnen worden geconfronteerd.
Het vorenstaande betekent dat ook de Raad van oordeel is dat [werknemer]
niet in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot gedaagde.
Het vorenstaande betekent tevens dat het ervoor moet worden gehouden dat
[werknemer] zijn werkzaamheden verrichtte in de uitoefening van een
bedrijf, zodat evenmin de door appellant subsidiair gehanteerde grond
kan worden onderschreven.
Derhalve dient te worden geconcludeerd dat de aangevallen uitspraak moet
worden bevestigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,--
voor verleende rechtsbijstand.
De Raad stelt tot slot vast dat van appellant een recht van f 675,--
dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,--;
Verstaat dat van appellant een recht van f 675,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. H. Bekker
en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|