|
Uitspraak
99/3819
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 16 juli 1998 heeft gedaagde de bezwaren van appellante
tegen het besluit van 25 juni 1996 ongegrond verklaard, voorzover bij
dit besluit is aangenomen dat de voor appellante werkzame [werknemer 1],
[werknemer 2], [werknemer 3] en [werknemer 4] verplicht verzekerd zijn
ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten en appellante deswege
op grond van deze wetten gehouden is premies af te dragen over de door
haar verrichte betalingen aan deze personen.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 4 juni 1999
het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Namens appellante is A.J.C. Bogers, werkzaam bij Van der Sande, Bossers
& van Beijsterveldt Accountants en Fiscalisten te Bavel, op bij
beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden van die uitspraak bij
de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 13 oktober 1999, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 mei 2001,
waar appellante zich niet heeft laten vertegenwoordigen en waar voor
gedaagde is verschenen mr. R.P. Bourne, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Tot 7 december 1983 bezat [aandeelhouder/oprichter] alle geplaatste
aandelen (35) in appellante. Per die datum heeft hij twee aandelen
overgedragen aan zijn oudste zoon [aandeelhouder/opvolger] (hierna: [aandeelhouder/opvolger]). Op 18 december 1986 heeft
[aandeelhouder/oprichter] zijn resterende aandelen overgedragen aan zijn kinderen.
Nadat ้้n van zijn zonen zich uit de onderneming had teruggetrokken
heeft er op 3 december 1990 opnieuw een aandelenoverdracht
plaatsgevonden. Per 3 december 1990 bezat [aandeelhouder/opvolger] 16
aandelen, een andere zoon van [aandeelhouder/oprichter] acht aandelen
en twee dochters van hem respectievelijk zeven en vier aandelen. [Aandeelhouder/opvolger] is sedert 7 december 1983 statutair
directeur, tot 18 december 1986 tezamen met zijn vader. Vanaf 30 mei
1994 is [vennootschap 1], waarvan [aandeelhouder/opvolger] alle
aandelen bezit, statutair directeur van appellante. Sedert die datum
bezit [vennootschap 1] ook alle aandelen in appellante. De broer en
zusters van [aandeelhouder/opvolger] hebben hun aandelen aan zijn
vennootschap overgedragen na onenigheid in de familie. Tot de
aandelenoverdracht waren zij werkzaam in de onderneming. Tevens was
daarin werkzaam de echtgenoot van een van de zusters van [aandeelhouder/opvolger], [werknemer 4] (hierna: [werknemer 4]).
In geschil is het antwoord op de vraag of gedaagde zich terecht op het
standpunt heeft gesteld dat de broer en de twee zusters van [aandeelhouder/opvolger], alsmede zijn zwager [werknemer 4] in een
verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam zijn geweest, primair op
grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten,
subsidiair op grond van artikel 5 van deze wetten in samenhang met
artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gelet op de stukken,
waaronder de bij brief van 13 april 1999 gegeven antwoorden op de door
haar aan appellante gestelde vragen, en het verhandelde ter zitting deze
vraag bevestigend beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank waren
betrokkenen onder gezag van [aandeelhouder/opvolger] werkzaam en werd
de arbeidsverhouding niet in overheersende mate bepaald door de
familieverhouding. De verschillen met de andere vijf werknemers, zoals
van de zijde van appellante gesteld in de brief van 13 april 1999,
achtte de rechtbank niet dermate significant en zwaarwegend dat de
familieverhoudingen het aannemen van een gezagsverhouding in de weg
stonden. De rechtbank heeft daarbij tevens van betekenis geacht dat
uiteindelijk [aandeelhouder/opvolger] het gehele aandelenkapitaal
heeft verworven en de onderneming heeft voortgezet.
De Raad komt evenwel tot een andere afweging van de feiten en
omstandigheden zoals die uit de stukken naar voren komen, en overweegt
daartoe het volgende.
De Raad acht in het bijzonder twee omstandigheden van betekenis voor het
aannemen van de afwezigheid van een gezagsverhouding. Allereerst kan
niet worden voorbijgegaan aan de formele verhoudingen, zoals die blijken
uit de statuten van appellante. Vastgesteld moet worden dat, nu [aandeelhouder/opvolger] niet de meerderheid van de aandelen bezat, er
sprake was van een re๋le zeggenschap van zijn broer en zusters in de
onderneming. Zij konden [aandeelhouder/opvolger] weliswaar niet
ontslaan, doch tezamen konden zij in de algemene vergadering van
aandeelhouders niettemin voor de bedrijfsuitoefening en ook voor de
positie van [aandeelhouder/opvolger] bepalende, ingrijpende besluiten
nemen. Tegen deze achtergrond en in aanmerking nemende dat het te dezen
een relatief kleine onderneming betreft, acht de Raad het aannemelijk
dat, zoals in de brief van 13 april 1999 is geschetst, de broer en
zusters en overigens ook [werknemer 4] zich niet alleen bepaalde
vrijheden veroorloofden, maar tevens [aandeelhouder/opvolger]
toekomende bevoegdheden uitoefenden. In het verlengde hiervan acht de
Raad in de tweede plaats van betekenis de omstandigheid dat er kennelijk
door onenigheid een situatie was ontstaan dat voor het voortbestaan van
de onderneming moest worden gevreesd en de voortzetting van de
onderneming nog slechts kon worden gewaarborgd door de overdracht van
aandelen aan de vennootschap van [aandeelhouder/opvolger], alsmede het
terugtreden van zijn broer, zusters en zwager uit de onderneming. De
Raad meent dan ook dat van een re๋le gezagsuitoefening van de kant van
[aandeelhouder/opvolger] geen sprake is geweest en dat, gelet op de
aandelenverhouding en de familieverhouding, daarvan ook geen sprake kon
zijn. Laatstbedoelde verhoudingen waren dermate overheersend dat ook de
door gedaagde subsidiair gehanteerde grond in verband met het bepaalde
in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van voormeld Koninklijk
besluit geen stand kan houden.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en deswege het
bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in
aanmerking komen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op f 2.130,-- voor verleende rechtsbijstand.
De Raad stelt tot slot vast dat het door appellante zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 1.420,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f
710,-- ;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 225,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.F.M. Brenninkmeijer als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|