|
Uitspraak
99/378 ALGEM, 99/409 ALGEM, 99/411 ALGEM, 99/412 ALGEM, 99/1379 ALGEM,
99/1453 ALGEM, 99/1538 ALGEM, 99/1539 ALGEM, 99/1631 ALGEM, 99/1632 ALGEM,
99/2880 ALGEM, 99/3066 ALGEM, 99/3067 ALGEM, 99/3068 ALGEM, 99/3069 ALGEM
en 99/3070 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[naam bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante en gedaagde,
hierna: [bedrijf];
[A.], wonende te [B.], appellant en gedaagde, hierna: [A.],
en
het Landelijk instituut
sociale verzekeringen, gedaagde en appellant, hierna: het Lisv.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije
Beroepen. In deze uitspraak wordt onder het Lisv tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Het Lisv heeft ten aanzien van [bedrijf], [A.] en [C.] besluiten
afgegeven, waarbij hun bezwaren tegen de primaire besluiten, inhoudend
dat ten aanzien van [A.], [C.] en een twaalftal andere
automatiseringsdeskundigen verzekeringsplicht geldt op grond van artikel
5 van de sociale werknemersverzekeringswetten juncto artikel 3 van het
Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986/655 (verder: het
Besluit), ongegrond zijn verklaard.
De beroepen van [bedrijf], [A.] en [C.] tegen deze besluiten zijn in
eerste aanleg behandeld door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht. Bij
uitspraken van respectievelijk 30 november 1998, 8 februari 1999, 19
april 1999, 26 april 1999 en 28 april 1999 zijn de beroepen van
[bedrijf] in twaalf onderscheidenlijke zaken ongegrond verklaard en bij
uitspraak van 8 februari 1999 is het beroep van [A.] ongegrond
verklaard. Bij uitspraken van 8 februari 1999 en 29 april 1999 zijn de
beroepen van [bedrijf] in twee onderscheidenlijke zaken gegrond
verklaard en bij uitspraak van 8 februari 1999 is het beroep van [C.]
gegrond verklaard.
Voor zover partijen bij deze uitspraken in het ongelijk zijn gesteld,
zijn zij van die uitspraken in hoger beroep gekomen bij de Raad.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
30 november 2000, waar [bedrijf], [A.] en [C.] - met voorafgaand bericht
- niet zijn verschenen, en waar het
Lisv zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M. Mulder en mr M.M.
Staalenhoef, beiden werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
In deze gedingen dient de Raad de vraag te beantwoorden of het Lisv bij
de bestreden besluiten terecht verzekeringsplicht heeft aangenomen ten
aanzien van [A.], [C.] en twaalf andere automatiseringsdeskundigen.
Het Lisv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de betrokken
automatiseringsdeskundigen allen door tussenkomst van [bedrijf] werkzaam
zijn geweest bij derden, zodat zij op grond van artikel 5 van de sociale
werknemersverzekeringswetten juncto artikel 3 van het Besluit
verzekeringsplichtig zijn.
1. De gedingen, waarin [bedrijf] en [A.] hoger beroep hebben ingesteld
Nu hetgeen van de kant van [bedrijf] en van [A.] in hoger beroep is
aangevoerd in hoofdlijnen een herhaling is van hetgeen bij de
gedingvoering in eerste aanleg is gesteld, kan de Raad zich tot de
volgende overwegingen beperken.
Het betoog dat de automatiseringsdeskundigen werkzaam waren in de
zelfstandige uitoefening van een beroep doet geen afbreuk aan de werking
van artikel 3 van het Besluit.
De omstandigheid dat ingevolge het Besluit van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 augustus 1998, Stcrt. 26 augustus 1998, 161, inmiddels een dergelijke
omstandigheid wel aan het aannemen van verzekeringsplicht op grond van
artikel 3 van het Besluit in de weg staat, kan de Raad niet tot een
ander oordeel brengen. Bedoeld Besluit is immers eerst met ingang van 1
september 1998 in werking getreden.
Namens [bedrijf] en [A.] is voorts naar voren gebracht, dat niet voldaan
is aan alle vereisten voor het bestaan van een arbeidsverhouding in de
zin van artikel 3 van het Besluit, aangezien [bedrijf] geen zeggenschap
kon uitoefenen over de automatiseringsdeskundigen.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 juni 1997, gepubliceerd in
RSV 1997/289 overweegt de Raad dienaangaande dat het ontbreken van een
gezagsrelatie niet aan het aannemen van verzekeringsplicht op grond van
artikel 3 van het Besluit in de weg staat.
Voorts is namens [bedrijf] aangevoerd dat het feitenonderzoek in een
aantal zaken onzorgvuldig is geweest. De Raad overweegt dienaangaande
het volgende.
In mei 1994 is, naar aanleiding van een aantal gesprekken tussen de
looninspecteur E. Polfliet en de directeur van [bedrijf], P.W. Vos,
overeengekomen dat de verzekeringsplicht van een vijftal
automatiseringsdeskundigen onderzocht zou worden. De conclusies uit die
onderzoeken zouden als maatgevend worden beschouwd voor de beoordeling
van de verzekeringsplicht van de overige 142 via [bedrijf] werkzame
automatiseringsdeskundigen.
In verband met deze overeenkomst heeft [bedrijf] bij brief van 13 mei
1994 vijf gevallen, waarvan er vier thans onderwerp van geschil zijn,
ter beoordeling voorgelegd aan voornoemde looninspecteur.
Uit het uitgebreide onderzoek naar de verzekeringsplicht van de
automatiseringsdeskundigen in de vijf voorgelegde gevallen heeft het
Lisv geconcludeerd dat artikel 3 van het Besluit van toepassing was en
dat de automatiseringsdeskundigen derhalve verzekeringsplichtig waren.
De verzekeringsplicht van de overige tien automatiseringsdeskundigen,
die in de onderhavige procedure onderwerp van geschil is, heeft het Lisv
beoordeeld op grond van de tussen partijen overeengekomen
raamovereenkomsten en de daarbij behorende opdrachtspecificaties,
waarbij veelal ook nog een gesprek heeft plaatsgehad tussen een
looninspecteur en de directeur van [bedrijf] en/of de betrokken
automatiseringsdeskundige.
Gelet op de tussen [bedrijf] en de looninspecteur Polfliet gemaakte
afspraak met betrekking tot de wijze waarop het onderzoek naar de
verzekeringsplicht van de automatiseringsdeskundigen zou worden
ingericht, kon het Lisv zich naar het oordeel van de Raad op grond van
het hiervoor beschreven onderzoek in de vijf voorgelegde gevallen,
tezamen met het enigszins beperkte onderzoek in de overige tien
gevallen, in beginsel op het standpunt stellen dat de overige
automatiseringsdeskundigen onder vergelijkbare omstandigheden via
[bedrijf] werkzaam waren, zodat ook ten aanzien van hen in beginsel
verzekeringsplicht ingevolge artikel 3 van het Besluit gold. Het had op
de weg van [bedrijf] gelegen feiten en omstandigheden naar voren te
brengen die concrete aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de
conclusies uit het onderzoek naar de verzekeringsplicht van de
voorgelegde vijf gevallen niet getransponeerd konden worden naar de
overige automatiseringsdeskundigen.
Noch tijdens de bezwarenprocedure, noch tijdens de procedures in beroep
en in hoger beroep zijn namens [bedrijf] dergelijke feiten of
omstandigheden naar voren gebracht.
Op grond van vorenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het
feitenonderzoek, hoewel dat in sommige zaken als betrekkelijk summier
kan worden omschreven, voldoende zorgvuldig is geweest.
De door [A.] en [bedrijf] naar voren gebrachte grief dat het vaststellen
van verzekeringsplicht ten aanzien van [A.], gelet op een brief van het
Gak d.d. 24 februari 1993, in strijd is met het vertrouwensbeginsel, kan
evenmin doel treffen. Het bestreden besluit ziet uitsluitend op de
verzekeringsplicht van [A.], welke verzekeringsplicht van rechtswege
wordt vastgesteld. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan derhalve
uitsluitend gevolgen hebben voor de - thans niet aan de orde zijnde -
vaststelling van de premieplicht.
2. De gedingen, waarin het Lisv hoger beroep heeft ingesteld
In de zaken, geregistreerd onder de nummers 99/1379 en 99/1453 heeft de
rechtbank de beroepen van [C.] en [bedrijf] gegrond verklaard, omdat de
bestreden besluiten op een onvoldoende feitelijke grondslag berusten.
Het beroep van [bedrijf] in de zaak, geregistreerd onder nummer 99/2880
ALGEM, betreffende de verzekeringsplicht van E. (hierna: E.) is om
dezelfde reden gegrond verklaard.
In hoger beroep is daartegen - kort samengevat - aangevoerd dat het
bovengenoemde onderzoek met betrekking tot een vijftal
automatiseringsdeskundigen ingevolge een afspraak met [bedrijf]
maatgevend zou zijn voor de overige voor [bedrijf] werkzame
automatiseringsdeskundigen. Niet gesteld noch gebleken is dat [E.] en [C.]
onder afwijkende voorwaarden of omstandigheden werkzaam waren. Hoewel
[bedrijf] daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, heeft zij
geen concrete gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken van
dergelijke afwijkende voorwaarden of omstandigheden. Evenmin zijn naar
aanleiding van een onderzoek door de afdeling looninspectie, waarbij
[bedrijf] tijdens een gesprek op 20 juli 1995 heeft toegezegd nadere
bescheiden en informatie te zullen toezenden met betrekking tot
uitzonderingsgevallen, gegevens verstrekt waaruit zou kunnen blijken dat
Kuypers en [C.] een andere positie innamen dan de onderzochte vijf
gevallen.
De Raad onderschrijft dit standpunt van het Lisv en verwijst daartoe
naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen met betrekking tot de vraag of
het feitenonderzoek voldoende zorgvuldig is geweest.
De Raad heeft daarbij voorts in aanmerking genomen dat door [bedrijf] en
de betrokken automatiseringsdeskundigen niet is betwist dat zij door
tussenkomst van [bedrijf] bij derden werkzaam zijn geweest.
In geen van de gedingen acht de Raad termen aanwezig om toepassing te
geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Mitsdien dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken in de zaken geregistreerd onder de
nummers 99/378, 99/409, 99/411, 99/412, 99/1538, 99/1539, 99/1631,
99/1632, 99/3066, 99/3067, 99/3068, 99/3069 en 99/3070, waarbij de
beroepen van [bedrijf] en [A.] ongegrond zijn verklaard;
Vernietigt de aangevallen uitspraken in de zaken geregistreerd onder de
nummers 99/1379, 99/1453 en 2880 ALGEM, waarbij de beroepen van
[bedrijf] en [C.] gegrond zijn verklaard en verklaart de inleidende
beroepen in die zaken alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van N.J.
Stolten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari
2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) N.J. Stolten.
|
|