|
Uitspraak
99/549
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 december 1997 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen het besluit van 1 juli 1997, waarbij
[betrokkene] ter zake van de werkzaamheden die hij sinds 6 februari 1997
voor appellante, dan wel door tussenkomst van appellante bij derden
verricht verplicht verzekerd is geacht ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 16
december 1998 het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Appellante is bij gemachtigde mr. W.C. Bothof, advocaat te Rotterdam, op
bij aanvullend beroepschrift van 14 juli 1999 aangevoerde gronden van
die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 11 augustus 1999,
ingediend.
Bij brief van 16 oktober 2000 zijn namens appellante nadere stukken
overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 oktober
2000, waar voor appellante zijn verschenen haar directeur [naam
directeur] en mr. Bothof, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen
mr. T.E.D.M. Zijlmans, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Bij brief van 8 december 2000 (met bijlagen) is namens appellante een
vanwege de Raad gestelde vraag beantwoord.
Hierop heeft gedaagde desgevraagd bij brief van 15 januari 2001
gereageerd.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15
maart 2001, waar voor appellante zijn verschenen [naam directeur],
voornoemd, en mr. A.H.F. Beiboer, advocaat te Rotterdam, en waar voor
gedaagde is verschenen mr. drs. R.H.L. Niehof, werkzaam bij Gak
Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Appellante is een landelijk opererende vennootschap die zich blijkens
het zich onder de gedingstukken bevindende uittreksel van de kamer van
koophandel bezighoudt met "de exploitatie van een klussenbedrijf,
dat diensten en producten levert, waardoor particulieren en organisaties
kwalitatief en kwantitatief optimaal kunnen genieten van hun leef- en
werkomgeving". In de praktijk betekent dit dat particulieren die
bij een bouwmarkt bouwmaterialen hebben aangeschaft met het oog op een
door hen gewenste verbouwing van veelal niet ingrijpende aard van hun
woning, zich tot appellante in de persoon van haar directeur kunnen
wenden met het verzoek deze verbouwing te laten realiseren. In dat geval
benadert appellante een persoon uit een groep van personen. Daarbij
maakt appellante onderscheid tussen "vakmannen"
(oproepkrachten) en "vakbedrijven" (in hoofdzaak
eenmanszaken). Met de vakbedrijven heeft appellante
samenwerkingsovereenkomsten gesloten ter waarborging van het door haar
gehanteerde concept. Dit laatste betekent onder meer dat er door
appellante vastgestelde tarieven worden gehanteerd.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde gehandhaafd zijn besluit van 1
juli 1997, waarbij [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), die een
vakbedrijf exploiteert, ter zake van de werkzaamheden die hij voor
appellante dan wel door tussenkomst van appellante bij derden verricht,
verplicht verzekerd is geacht ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten en deswege appellante gehouden is premies
af te dragen. Dit door gedaagde ingenomen standpunt is primair gebaseerd
op artikel 3 van deze wetten (privaatrechtelijke dienstbetrekking),
subsidiair op artikel 5 van deze wetten in samenhang met artikel 3,
eerste lid, van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655
(tussenkomst).
Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid
en gedaagde als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat het bepaalde
in artikel 6.15 van de samenwerkingsovereenkomst tussen eiseres en
[betrokkene] niet in de weg staat aan de verplichting tot het
persoonlijk verrichten van arbeid. In dit artikel is bepaald dat het
vakbedrijf werkopdrachten voor klanten van eiseres uitsluitend zelf of
door andere bij eiseres aangesloten vakbedrijven of door eigen personeel
in loondienst of door vakmannen met een oproepcontract met eiseres zal
laten uitvoeren. Nu gesteld noch gebleken is dat [betrokkene] personeel
in loondienst heeft, leidt de rechtbank uit deze bepaling af dat
[betrokkene] hetzij de werkopdrachten moet uitvoeren hetzij deze aan
andere vakbedrijven of vakmannen moet overlaten. Eiseres (lees:
[betrokkene]) kan zich derhalve niet zonder meer door een willekeurige
persoon laten vervangen, maar de vervanger moet worden geselecteerd uit
bovengenoemde groep van personen. Gelet op de vaste jurisprudentie van
de Centrale Raad van Beroep ter zake acht de rechtbank hier de
verplichting tot persoonlijke dienstverrichting aanwezig.
De rechtbank is voorts van oordeel dat indien eiseres een werkopdracht
heeft aanvaard, sprake is van een gezagsverhouding tussen eiseres en
[betrokkene].
Daartoe acht de rechtbank met verweerder doorslaggevend dat [betrokkene]
ingevolge artikel 6.13 van de samenwerkingsovereenkomst gehouden is alle
aanwijzingen en instructies, al dan niet vastgelegd in handboeken en/of
reglementen van eiseres, bij de uitvoering van iedere werkopdracht in
acht te nemen. Voor het bepalen van de aanwezigheid van een
gezagsverhouding is het niet vereist dat deze aanwijzingen en
instructies ook daadwerkelijk worden gegeven.
De rechtbank is tenslotte van oordeel dat op eiseres een verplichting
tot loonbetaling rust. De betalingsafspraken tussen eiseres en
[betrokkene] zijn geregeld in onder meer 7.1, 7.6 en 7.7 van de
samenwerkingsovereenkomst. Daaruit blijkt dat de vergoeding van eiseres
aan [betrokkene] voor zijn gewerkte en reistijd per minuut wordt
berekend en 89% bedraagt van de totale loonsom die de klant via
[betrokkene] aan eiseres betaalt. Deze betalingen kunnen worden
aangemerkt als een vergoeding voor de door [betrokkene] verrichte
werkzaamheden. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van
Beroep staat de gekozen vorm van afrekening niet in de weg aan het
aannemen van loonbetaling.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een dienstbetrekking tussen
eiseres en [betrokkene] aanwezig. Hieraan doet niet af de stelling van
eiseres dat [betrokkene] als zelfstandige werkzaam is, nu aan die
beoordeling alleen in het kader van artikel 5 van voornoemde wetten
wordt toegekomen. In het onderhavige geval wordt aan een toetsing aan
artikel 5 niet toegekomen nu reeds op grond van artikel 3 van voornoemde
wetten tot een dienstbetrekking wordt geconcludeerd."
Naar aanleiding van het door partijen in hoger beroep over en weer
gestelde overweegt
de Raad het volgende.
Hoewel de samenwerkingsovereenkomst tussen appellante en [betrokkene]
tal van voorwaarden bevat die wijzen op het bestaan van een
gezagsverhouding, is de Raad nochtans van oordeel in het bijzonder op
grond van het verhandelde te zijner zittingen dat in dit geval geen
sprake is van een reλle gezagsverhouding tussen appellante en
[betrokkene]. Voorzover er enig toezicht wordt uitgeoefend op de
werkzaamheden van [betrokkene], geschiedt dat toezicht door de
opdrachtgever. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat
appellante veelal niet, dan wel slechts in beperkte mate op de hoogte is
van de aard van de werkzaamheden. Het is de opdrachtgever die in overleg
met [betrokkene] bepaalt welke werkzaamheden van hem worden verwacht.
Voorts heeft de Raad hierbij in aanmerking genomen dat appellante niet
beschikt over een organisatie om tijdens het uitvoeren van de tussen
[betrokkene] en de opdrachtgever afgesproken werkzaamheden de voortgang
van deze werkzaamheden te bewaken.
Het vorenstaande betekent dat, anders dan waartoe de rechtbank heeft
geconcludeerd, verplichte verzekering van [betrokkene] en daarmee
samenhangende premieplicht voor appellante niet kan worden aangenomen op
grond van de door gedaagde primair gehanteerde grond.
Met betrekking tot de subsidiair door gedaagde gehanteerde grond is de
Raad van oordeel dat te dezen wordt voldaan aan alle daarvoor geldende
voorwaarden. Er is sprake van het (feitelijk) verrichten van arbeid door
[betrokkene] voor een derde door tussenkomst van appellante, op wie de
verplichting tot loonbetaling rust. Met betrekking tot deze verplichting
sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover in het kader
van de toetsing aan artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten heeft overwogen.
De Raad voegt hieraan toe dat appellante er niet in is geslaagd haar ter
zitting van 21 oktober 2000 betrokken stelling dat er door haar
tussenkomst een overeenkomst van aanneming van werk tot stand komt
tussen [betrokkene] en de opdrachtgever, met bewijzen te staven. Bij
opdrachten wordt gebruik gemaakt van werkbonnen die aan de achterzijde
vermelden de van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Het betreft
hier door appellante opgestelde voorwaarden. Uit deze voorwaarden moet
worden afgeleid dat een overeenkomst - door appellante een
dienstverleningsovereenkomst genoemd - tot stand komt tussen appellante
en de opdrachtgever, waarbij appellante zich verbindt de opdracht te
laten verrichten. Deze voorwaarden bevatten ook bepalingen omtrent de
betalingen aan appellante en de garantie die appellante op de
uitgevoerde werkzaamheden verleent. De Raad tekent hierbij aan dat de
samenwerkingsovereenkomst tussen appellante en [betrokkene] geen steun
biedt voor de opvatting dat er slechts bemiddeld wordt bij het tot stand
brengen van overeenkomsten tot aanneming van werk.
Aan de toepasselijkheid van artikel 5 van de sociale
werknemersverzekeringswetten in samenhang met artikel 3, eerste lid, van
voormeld Koninklijk besluit stond ten tijde van het bestreden besluit
niet in de weg de gestelde zelfstandigheid van [betrokkene]. Pas na
inwerkingtreding van het besluit van de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 19 augustus 1998, Stcrt. 161, vindt artikel
3, eerste lid, van het Koninklijk besluit geen toepassing ten aanzien
van de persoon die arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of
in de zelfstandige uitoefening van een beroep.
Uit het vorenstaande volgt dat, zij het op andere gronden dan de
rechtbank heeft gebezigd, de Raad tot de slotsom komt dat het bestreden
besluit in rechte stand kan houden. Dit betekent dat het hoger beroep
faalt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van N.J.
Stolten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) N.J. Stolten.
|
|