|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/3739 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is mr. H.M.C. van Dun, werkzaam bij Witlox Advies
accountants en belastingadviseurs te Rosmalen, op bij aanvullend
beroepschrift van 28 september 2000 aangevoerde gronden bij de Raad in
hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te
Amsterdam onder dagtekening 6 juni 2000 tussen partijen gegeven
uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.
Gedaagde heeft op 30 oktober 2000 een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 10 april 2001 de Raad
informatie doen toekomen.
Het geding is behandeld te zitting van de Raad, gehouden op 23 mei 2001,
waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van Dun,
voornoemd, en [directeur], directeur van appellante en [be[betrokkene],
wonende te Londen.
Gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Mulder, werkzaam
bij Gak Nederland BV.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft bij het bestreden, na bezwaar genomen, besluit van 25
maart 1998 bepaald dat de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene])
vanaf 1 januari 1997 werkzaam was in een verzekeringsplichtige
arbeidsverhouding. In het bijzonder staat daarbij de vraag centraal of
er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Uit een op 20 januari 1997 en 27 februari 1997 bij appellante ingestelde
looncontrole is gebleken dat [betrokkene] vanaf 1 januari 1997 voor
appellante werkzaamheden heeft verricht. De werkzaamheden van
[betrokkene] bestonden uit het op grond van het consultancy and service
agreement verrichten van activiteiten op het gebied van
managementondersteuning en advisering van het management van appellante.
[betrokkene] heeft zijn managementfee via Outsightin B.V. ontvangen,
waarvan hij directeur grootaandeelhouder is. Op grond van deze
onderzoeksgegevens heeft gedaagde vastgesteld dat er sprake was van een
verzekeringsplichtige arbeid in de zin van de
werknemersverzekeringswetten.
Appellante heeft tegen dit standpunt met name ingebracht dat tussen haar
en [betrokkene] geen sprake was van een gezagsverhouding, dat
[betrokkene] zich kon laten vervangen en dat er sprake was van een
zelfstandige bedrijfsuitoefening. Voorts wordt namens appellante een
beroep gedaan op het convenant gesloten tussen de Bedrijfsvereniging
voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen en de
Raad voor het interimmanagement van 17 februari 1997 (hierna: het
convenant).
Gedaagde is van oordeel dat alle voor een dienstbetrekking vereiste
elementen, zijnde de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting, de
verplichting tot loonbetaling en een gezagsverhouding, aanwezig zijn.
Daarnaast is gedaagde, zoals ter zitting nader is toegelicht, van mening
dat het convenant slechts ziet op de situatie dat er sprake is van
verzekeringsplicht ingevolge artikel 5 van de werknemers
verzekeringswetten juncto artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24
december 1986, Stb. 1986/655 (hierna: het KB).
De Raad overweegt als volgt.
Evenals de rechtbank en met overneming van de daartoe door haar
gebezigde gronden is de Raad van oordeel dat [betrokkene] in een
privaatrechtelijke dienstbetrekking voor appellante werkzaam was.
Hetgeen van de kant van appellante in hoger beroep is aangevoerd, bevat
in vergelijking met het door haar in eerste aanleg aangevoerde geen
wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad ook niet tot een ander
oordeel kunnen brengen.
Met betrekking tot het namens appellante gedane beroep op het convenant
merkt de Raad het volgende op.
In vaste jurisprudentie heeft de Raad (verwezen wordt als voorbeeld naar
de uitspraak van de Raad van 27 februari 1997, RSV 1997/149) bepaald dat
de vraag of een dienstbetrekking aanwezig is aan de hand van artikel 3
van de werknemersverzekeringswetten dient te worden getoetst, alvorens
eventueel de toetsing aan de artikelen 4 en 5 van de
werknemersverzekeringswetten aan de orde gesteld kan worden. Met
appellante acht de Raad het standpunt van gedaagde omtrent de toepassing
van het convenant zoals verwoord in het verweerschrift onjuist. Dit laat
echter onverlet dat de Raad van oordeel is dat het convenant ziet op een
situatie als bedoeld in artikel 5 van de evenbedoelde verzekeringswetten
juncto artikel 5 van het KB. Gelet op de tekst en toelichting is het
convenant geschreven om de gerezen onduidelijkheid over het eventuele
bestaan van zelfstandigheid van interimmanagers weg te nemen. Aangezien
in het voorgaande genoegzaam is vastgesteld dat een dienstbetrekking
ingevolge artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten aanwezig is,
behoeft niet meer aan artikel 5 van de desbetreffende wetten getoetst te
worden en kan de toepassing van het convenant derhalve in het
onderhavige geval niet aan de orde komen.
Op grond van vorenstaande overwegingen oordeelt de Raad dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|