|
Uitspraak
98/6131
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije
Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij brief van 8 september 1995 heeft gedaagde aan appellante
medegedeeld, dat verzekeringsplicht ingevolge de Werkloosheidswet (WW),
de Ziektewet (ZW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) wordt aangenomen voor de door [medegemachtige] sedert 1 januari
1992 voor appellante verrichte werkzaamheden. Bij besluit van 28 maart 1996 heeft gedaagde het tegen dit besluit ingestelde bezwaar
ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 18 juni
1998 het tegen het besluit van 28 maart 1996 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant hebben prof. dr. M.W.C. Feteris en mr. C.C.M.A. Ascoop,
werkzaam bij PricewaterhouseCoopers, belastingadviseurs te Amsterdam, op
de in het aanvullend beroepschrift, gedagtekend 8 februari 1999,
aangevoerde gronden, zoals nog aangevuld bij schrijven d.d. 20 maart
2000, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Vanwege gedaagde is, onder dagtekening 29 april 1999, een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 maart
2000, waar appellante werd vertegenwoordigd door mr. Ascoop voornoemd als
gemachtigde en [medegemachtige], voornoemd, als medegemachtigde. Voor
gedaagde is verschenen mr. M.T.M. van der Veer, werkzaam bij Gak
Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante voert een onderneming die zich richt op het verlenen van
diensten op het gebied van software en consultancy, het oprichten en
deelnemen in ondernemingen en het verstrekken van garanties. Zij heeft
met [naam bedrijf], waarvan [medegemachtige], voornoemd,
medeaandeelhouder en vanaf 1 januari 1992 directeur/grootaandeelhouder
was, een zogenoemde raamovereenkomst gesloten om Kroon voornoemd als
automatiseringsdeskundige vanaf 22 april 1991 te werk te stellen bij de NMB Postbank Groep.
In de raamovereenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
artikel 1.1: ASAP zal waar mogelijk medewerkers ter beschikking van
[appellante] stellen, die [appellante] assistentie zullen verlenen bij
uitvoering van organisatie- en/of automatiseringswerkzaamheden ten
behoeve van [appellante] of opdrachtgevers van [appellante];
artikel 2.1: de overeenkomst wordt geacht te zijn ingegaan op 22 april
1991 en wordt aangegaan voor onbepaalde tijd (..);
artikel 3.2: [appellante] of haar opdrachtgever kunnen - wanneer zij dit
voor de uitvoering van een opdracht of anderszins nuttig, wenselijk of
noodzakelijk achten - met inachtneming van deze overeenkomst en het
betreffende opdrachtscontract de in een opdrachtscontract genoemde
medewerker werkopdrachten verstrekken;
artikel 9 bevat een geheimhoudingsclausule en artikel 15 bevat een
concurrentiebeding.
Gedaagde heeft op grond van een door haar ingesteld onderzoek
geconcludeerd dat verzekeringsplicht ingevolge de WW, ZW en de WAO moet
worden aangenomen voor de door Kroon sedert 1 januari 1992 verrichte
werkzaamheden, die hij geacht wordt in dienstbetrekking van appellante
te hebben verricht. Gedaagde heeft haar standpunt met name gebaseerd op
de raamovereenkomst tussen appellante en ASAP BV.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat gedaagde en de rechtbank
zich te zeer hebben gebaseerd op de bepalingen van de raamovereenkomst
en onvoldoende de feitelijke omstandigheden in ogenschouw hebben
genomen.
Voorts stelt appellante subsidiair dat het gelijkheidsbeginsel
geschonden is, aangezien in het Convenant met de Raad voor de
Interim-managers vastgelegd is dat onder bepaalde voorwaarden
interimmanagers niet aan de verzekeringsplicht onderworpen zijn.
Ten slotte doet appellante een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel,
dat geschonden zou zijn omdat gedaagde haar standpunt uitsluitend op de
raamovereenkomst gebaseerd heeft.
De Raad overweegt als volgt.
Evenals de rechtbank neemt de Raad een privaatrechtelijke
dienstbetrekking aan in de zin van artikel 3 van de
werknemersverzekeringen tussen Kroon voornoemd en [appellante] BV. Het
feit dat de overeenkomst tussen Kroon en appellante formeel gesloten is
tussen ASAP en [appellante] BV staat niet aan het aannemen van een
arbeidsovereenkomst tussen Kroon en appellante in de weg. Dat is met
name het geval, zo heeft de Raad in vaste jurisprudentie overwogen,
waarbij de Raad onder meer verwijst naar zijn uitspraak van 10 oktober
1996, RSV 1997/7, indien de facto sprake is van een persoonlijke
arbeidsverrichting, omdat er binnen de desbetreffende vennootschap
waarmee de overeenkomst is gesloten, geen andere werknemers zijn die de
betreffende werkzaamheden kunnen uitvoeren en het contract met de
vennootschap dus feitelijk gesloten is met het oog op de persoonlijke
inzet van de directeur-aandeelhouder van de vennootschap.
De in deze rubriek weergegeven bepalingen uit de raamovereenkomst wijzen
op het bestaan van een gezagsverhouding tussen appellante en Kroon. Aan
de stelling van appellante dat zij slechts tussen de NMB Postbankgroep
en ASAP BV was geschoven, aangezien eerstgenoemde geen directe
contractsrelatie met laatstgenoemde wilde aangaan, kan de Raad, gelet op
de duidelijke bewoordingen van de raamovereenkomst en de overige
feitelijke omstandigheden, niet het gewicht toekennen dat appellante er
kennelijk aan toegekend wil zien.
Evenmin ziet de Raad het beroep op het gelijkheidsbeginsel slagen, enkel
al niet omdat Kroon niet als interimmanager werkzaam was.
Ten slotte is de Raad er niet van overtuigd geraakt dat gedaagde
onzorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van het bestreden besluit.
De aangevallen uitspraak komt op grond van bovenstaande voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2000.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|