|
Uitspraak
00/647
ALGEM 00/650 ALGEM, 00/652 ALGEM 00/654 ALGEM, 00/655 ALGEM 00/656 ALGEM,
00/659 ALGEM 00/661 ALGEM, 00/662 ALGEM 00/663 ALGEM en 00/664 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[Naam bedrijf I] VOF, gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
Appellant heeft ten aanzien van gedaagde op 25 november 1998 tien
afzonderlijke besluiten afgegeven, waarbij de bezwaren van gedaagde
tegen de door appellant bij primaire besluiten vastgestelde
verzekeringsplicht ten aanzien van de voor gedaagde werkzame
interimcontrollers, de heren [werknemer I] [werknemer II], [werknemer
III], [werknemer IV], [werknemer V], [werknemer VI], [werknemer VII],
[werknemer VIII], [werknemer VIIII] en [werknemer X], en de premieplicht
van gedaagde ter zake van de aan deze interimcontrollers door gedaagde
verrichte betalingen ongegrond zijn verklaard.
Bij besluit van 2 december 1998 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het primaire besluit 1 februari 1998,
waarbij over het jaar 1996 een verzuim is geregistreerd, omdat gedaagde
heeft nagelaten te voldoen aan de op haar rustende verplichting om
binnen drie maanden uit eigener beweging melding te maken van de
wijziging in de loonsom van meer dan 5% en ten minste f 5.000,- dan het
loonbedrag waarop de voorschotnota is gebaseerd.
De Rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 23 december 1999
(verzonden op 3 januari 2000) de tegen voornoemde besluiten ingestelde
beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, de
primaire besluiten vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten
van gedaagde en bepaald dat appellant aan gedaagde het gestorte
griffierecht dient te vergoeden.
Appellant is op bij aanvullend beroepschriften van 2 maart 2000
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. H.J.A. Meens, belastingadviseur te Rijswijk,
bij schrijven van 28 maart 2000 van verweer gediend.
Appellant heeft bij schrijven van 25 april 2000 op de verweren
gereageerd.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 juni
2002, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.
Mulder, werkzaam bij het Uwv, en waar namens gedaagde is verschenen mr.
H.J.A. Meens, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde verleent diensten op het gebied van administratief
interimmanagement en organisatieadvies. Voor de uitvoering hiervan zet
gedaagde bij haar opdrachtgevers tevens derden in. Op verzoek van
gedaagde is door de looninspecteur van appellant een onderzoek
uitgevoerd naar de verzekeringsplicht ten aanzien van de
interimcontrollers, die op contractbasis bij haar opdrachtgevers
werkzaam zijn. In de tussen gedaagde en de interimcontrollers afgesloten
'overeenkomst interim management' is onder meer het bedrag per gewerkt
uur, de wijze van declareren, een vervangingsclausule, een
concurrentiebeding en een geheimhoudingsplicht opgenomen.
Uit de gesprekken van de looninspecteur met de betrokken
interimcontrollers is gebleken dat zij de werkzaamheden voor gedaagde
bij diens opdrachtgevers altijd zelf hebben verricht.
Bij de bestreden besluiten van 25 november 1998 heeft appellant zich
(uiteindelijk) op het standpunt gesteld dat de arbeidsverhoudingen
tussen gedaagde en de betrokken interimcontrollers dienen te worden
aangemerkt als fictieve dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 5,
onder d, van de sociale werknemersverzekeringswetten, juncto artikel 3
van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655 (hierna: het
Besluit).
Aan de registratie van het verzuim ligt het standpunt van appellant ten
grondslag dat gedaagde niet heeft voldaan aan de op artikel 10 van de
CSV gebaseerde en in artikel 13, derde lid, van het
Loonadministratiebesluit opgenomen verplichting om binnen drie maanden
uit eigener beweging mededeling te doen van elke verandering van de
loonsom gedurende het premiebetalingstijdvak, welke er toe leidt dat het
feitelijk verloonde bedrag meer dan 5%, doch ten minste f 5000,- hoger
is dan het loonbedrag waarop de voorschotnota is gebaseerd. Aangezien
het een eerste verzuim betrof dat niet te wijten was aan opzet of grove
schuld, is overeenkomstig het bepaalde in het Besluit Administratieve
Boeten Coördinatiewet (ABC-besluit) een verzuim geregistreerd en de
boete geheel kwijtgescholden.
De Rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij de in rubriek I genoemde
uitspraak van 23 december 1999 geoordeeld dat de bestreden besluiten van
25 november 1998 onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Volgens de
rechtbank had appellant de wijziging van artikel 4 van de Regeling
aanwijzing werkgever en uitzondering verzekeringsplicht ZW, WW en WAO
van 19 augustus 1998, 179 (hierna: de Regeling) bij de beoordeling van
de onderhavige verzekeringsplicht moeten betrekken. Appellant had naar
het oordeel van de rechtbank moeten onderzoeken of de betrokken
interimcontrollers als zelfstandige werkzaam waren. Ten aanzien van
[werknemer VIII] en [werknemer IV] voegt de rechtbank hier nog aan toe
dat zij zich kennelijk hebben laten vervangen. De rechtbank acht het
onzorgvuldig dat appellant desondanks zonder enige motivering heeft
gesteld dat sprake was van persoonlijke arbeidsverrichting. Ten aanzien
van [werknemer VII], [werknemer VI], [werknemer II], [werknemer IV],
[werknemer III], [werknemer I]en [werknemer X] voegt de rechtbank toe
dat weliswaar iets uitvoeriger is onderzocht of sprake is van
zelfstandigheid doch dat appellant dienaangaande ten onrechte geen
besluit heeft genomen.
Wat de verzuimregistratie betreft, is de rechtbank van oordeel dat met
vernietiging van de bestreden besluiten van 25 november 1998 en de
daaraan ten grondslag liggende primaire besluiten de grondslag van het
besluit tot verzuimregistratie volledig is komen te vervallen.
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat
hij had moeten onderzoeken of de betrokken interimcontrolleurs de
werkzaamheden voor gedaagde hebben verricht in de zelfstandige
uitoefening van een bedrijf of een beroep. Volgens appellant was het tot
1 september 1998 bij de beoordeling of sprake is van een fictieve
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van het Besluit niet relevant
of de betrokken persoon de werkzaamheden verrichtte in de zelfstandige
uitoefening van een bedrijf of een beroep. Appellant stelt zich op het
standpunt dat de uitzonderingsbepaling van artikel 8 van het Besluit tot
de wijziging van artikel 4 van de Regeling met ingang van 1 september
1998 niet gold ten aanzien van artikel 3 van het Besluit. Onder
verwijzing naar de - niet gepubliceerde - uitspraak van de Raad van 16
december 1999 (98/4472 ALGEM), welke uitspraak appellant heeft
overgelegd, stelt appellant dat de wijziging van artikel 4 van de
Regeling geen terugwerkende kracht heeft. Aangezien bij de
inwerkingtreding van artikel 4 van de Regeling geen specifieke van de
regel van onmiddellijke werking afwijkende voorschriften van
overgangsrecht zijn gegeven, dienen de aanspraken van een verzekerde
volgens appellant te worden beoordeeld naar de regelgeving, zoals die
van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die
aanspraken betrekking hebben.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 november 1997,
gepubliceerd in RSV 1998/56 merkt appellant voorts op dat bestreden
besluiten van 25 november 1998 niet langer worden gehandhaafd voorzover
ten aanzien van gedaagde premieplicht is aangenomen over de periode vóór
1 januari 1996.
Naar aanleiding van de overweging van de rechtbank dat ten aanzien van
[werknemer VIII] en [werknemer IV] onvoldoende is gemotiveerd dat sprake
is van de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting wijst
appellant op de motivering ter zake in de bestreden besluiten. Volgens
appellant is ondanks het feit dat [werknemer VIII] zich eenmaal heeft
laten vervangen sprake van de verplichting tot persoonlijke
dienstverrichting. Ook ten aanzien van [werknemer IV] is naar het
oordeel van appellant sprake van de verplichting tot persoonlijke
dienstverrichting, omdat [werknemer IV] zich (slechts) door een ander
heeft laten bijstaan bij de uitvoering van de werkzaamheden en hij zich
niet heeft laten vervangen.
Met betrekking tot vernietiging door de rechtbank van het besluit tot
verzuimregistratie voert appellant aan dat, uitgaande van de
premieplicht van gedaagde, gedaagde niet heeft voldaan aan de op haar op
grond van artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna:
CSV) juncto artikel 13, derde lid, van het Loonadministratiebesluit
rustende wettelijke verplichting inzake de 5%-regeling en dat derhalve
op goede gronden een verzuim is geregistreerd.
Namens gedaagde is het standpunt ingenomen dat geen sprake is van de
verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, omdat de
interimcontrollers contractueel verplicht waren zelf de nodige
maatregelen te treffen in het geval zij de werkzaamheden moesten
onderbreken. Voorts is namens gedaagde gesteld dat geen sprake is van de
verplichting tot loonbetaling, omdat de betaling van gedaagde aan de
interimcontrollers afhankelijk was van de betaling van de declaratie van
gedaagde door de opdrachtgever. Verder zijn de werkzaamheden volgens
gedaagde niet onder zeggenschap van een ander verricht. Hierbij verwijst
gedaagde naar de uitspraak van de Raad van 27 februari 1997,
gepubliceerd in RSV 1997/149. Namens gedaagde is tevens het standpunt
ingenomen dat de Staatssecretaris blijkens de Toelichting op de
wijziging van artikel 4 van de Regeling, zijn bevoegdheid heeft
overschreden door artikel 3 van het Besluit van toepassing te laten zijn
op zelfstandige ondernemers. In ieder geval heeft de wijziging volgens
gedaagde materieel terugwerkende kracht.
Tenslotte is namens gedaagde een beroep gedaan op het
vertrouwensbeginsel.
De Raad overweegt als volgt.
In de onderhavige gedingen dient de Raad in de eerste plaats de vraag te
beantwoorden of appellant terecht verzekeringsplicht op grond van
artikel 3 van het Besluit heeft aangenomen ten aanzien van de
interimcontrolleurs.
Naar het oordeel van de Raad wijst appellant terecht op de - niet
gepubliceerde - uitspraak van de Raad van 16 december 1999 (98/4472
ALGEM). Blijkens deze uitspraak en - bijvoorbeeld - de uitspraak van de
Raad van 26 april 2001, gepubliceerd in RSV 2001/161, is de Raad anders
dan de rechtbank van oordeel dat aan de toepasselijkheid van artikel 5
van de sociale werknemersverzekeringswetten in samenhang met artikel 3
van het Besluit ten tijde als hier van belang de eventuele
zelfstandigheid niet in de weg stond. Pas na de inwerkingtreding van de
Regeling vindt artikel 3 van het Besluit geen toepassing meer ten
aanzien van de persoon, die arbeid verricht in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Derhalve is de
Raad met appellant van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft
geconcludeerd dat de bestreden besluiten van 25 november 1998 wegens het
ontbreken van een onderzoek naar de zelfstandigheid onzorgvuldig tot
stand zijn gekomen. Aangezien de eventuele zelfstandigheid ten tijde als
hier van belang in de onderhavige gevallen niet aan de toepassing van
artikel 3 van het Besluit in de weg stond, is de Raad tevens van oordeel
dat de rechtbank ten aanzien van [werknemer VII], [werknemer VI],
[werknemer II], [werknemer IV], [werknemer III], [werknemer I] en
[werknemer X] ten onrechte heeft overwogen dat appellant een besluit
omtrent de zelfstandigheid van deze personen had moeten nemen.
De Raad stelt voorts naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren
hebben gebracht, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 augustus
2000, gepubliceerd in USZ 2000/264, voorop dat voor de toepasselijkheid
van de zogenaamde tussenkomstbepaling een contractuele verplichting tot
persoonlijke arbeidsverrichting niet is vereist, doch dat voor het
aannemen van verzekeringsplicht op grond van deze bepaling het feitelijk
persoonlijk verrichten van arbeid volstaat. Daarbij is verder van belang
dat blijkens de uitspraak van de Raad van 21 februari 2002, gepubliceerd
in RSV 2002/86, het op incidentele basis vervangen van een
interimcontroller door een andere gekwalificeerde medewerker niet
meebrengt dat niet langer is voldaan aan het vereiste van feitelijke
persoonlijke arbeidsverrichting. Naar het oordeel van de Raad is in de
onderhavige gevallen aan dit criterium voldaan. Tijdens het onderzoek
van de looninspecteur van appellant is immers gebleken dat nagenoeg alle
interimcontrollers de werkzaamheden voor gedaagde steeds persoonlijk
hebben verricht.
Uit de gedingstukken blijkt volgens de Raad dat [werknemer VIII] zich
eenmaal heeft laten vervangen. Zoals reeds door de Raad is opgemerkt, is
ook in het geval van incidentele vervanging sprake van feitelijke
persoonlijke arbeidsverrichting.
Daargelaten of [werknemer IV] zich bij de integratiewerkzaamheden heeft
laten bijstaan of heeft laten vervangen, blijkt naar het oordeel van de
Raad uit de gedingstukken in ieder geval dat geen sprake is geweest van
vervanging op meer dan incidentele basis.
Naar aanleiding van het namens gedaagde ingenomen standpunt dat in de
onderhavige gevallen geen sprake is van een verplichting tot
loonbetaling wijst de Raad op artikel 4, eerste lid, van de
'overeenkomst interim management'. Hierin is bepaald dat de
interimcontroller recht heeft op een vergoeding per gewerkt uur. Dat de
betaling ingevolge het bepaalde in het derde lid van dit artikel pas
plaatsvindt nadat de opdrachtgever van gedaagde de declaratie van
gedaagde heeft voldaan, staat naar het oordeel van de Raad niet aan de
aanwezigheid van de verplichting tot loonbetaling in de weg.
Indien en voorzover de werkzaamheden door de interimcontrollers niet
onder zeggenschap van de opdrachtgevers van gedaagde zijn verricht,
zoals namens gedaagde is gesteld, wijst de Raad er op dat blijkens de
uitspraak van de Raad van 12 juni 1997, gepubliceerd in RSV 1997/289,
deze omstandigheid nog niet tot de conclusie leidt dat de
tussenkomstbepaling niet van toepassing is. Gelet op de aard van de door
de interimcontrollers uitgevoerde werkzaamheden, acht de Raad het
overigens aannemelijk dat de interimcontrollers bij de uitvoering van de
werkzaamheden onder zeggenschap van de opdrachtgevers van gedaagde
hebben gestaan.
Gelet op vorenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat appellant
terecht op grond van artikel 3 van het Besluit verzekeringsplicht heeft
aangenomen ten aanzien van de interimcontrollers en dat appellant
gedaagde terecht als premieplichtige werkgever van de interimcontrollers
heeft aangemerkt.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of appellant de juiste
ingangsdatum van premieplicht voor gedaagde heeft vastgesteld.
Daargelaten of in de onderhavige gevallen sprake is van
interimmanagement, is de Raad met appellant van oordeel dat blijkens de
uitspraak van de Raad van 27 november 1997, gepubliceerd in RSV 1998/56,
de ingangsdatum van premieplicht voor gedaagde dient te worden gesteld
op 1 januari 1996.
Het beroep van gedaagde op het vertrouwenbeginsel treft naar het oordeel
van de Raad geen doel. Uit het rapport van de looninspecteur van
appellant van 14 augustus 1996 blijkt volgens de Raad niet van een
ondubbelzinnige toezegging van de looninspecteur dat ten aanzien van de
interimcontrollers geen verzekeringsplicht zou worden aangenomen. De
looninspecteur geeft in zijn rapport juist aan dat er nog een besluit
omtrent de verzekeringsplicht ten aanzien van de interimcontrollers zal
moeten worden genomen.
Aangezien appellant blijkens vorenstaande overwegingen gedaagde terecht
met ingang van 1 januari 1996 als premieplichtige werkgever van de
verzekeringsplichtige interimcontrollers heeft aangemerkt en gedaagde
derhalve tijdig melding had moeten maken van de relevante overschrijding
van de loonsom op de voorschotnota, overweegt de Raad met betrekking tot
de verzuimregistratie dat deze op een juiste grondslag is gebaseerd en
dat appellant terecht tot verzuimregistratie is overgegaan.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en
dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, aangezien de
bestreden besluiten van 25 november 1998 slechts wat betreft de
ingangsdatum van de premieplicht dienen te worden vernietigd wegens
schending van het gelijkheidsbeginsel. Derhalve komt de aangevallen
uitspraak voor vernietiging in aanmerking, behoudens voorzover daarbij
de bestreden besluiten van 25 november 1998 voor wat betreft de
premieplicht vóór 1 januari 1996 zijn vernietigd, appellant is
veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en is bepaald dat appellant
het door gedaagde gestorte griffierecht dient te vergoeden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij de
bestreden besluiten van 25 november 1998 voor wat betreft de
premieplicht vóór 1 januari 1996 zijn vernietigd, appellant is
veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en is bepaald dat appellant
het door gedaagde gestorte griffierecht dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|