|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/5719 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 20 september 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 3 februari 1999, waarbij
appellant heeft medegedeeld dat gedaagde verplicht verzekerd wordt
geacht ten aanzien van zijn arbeidsverhouding met [naam
verzekeringsmaatschappij I] Personeels N.V. (hierna: [naam
verzekeringsmaatschappij I]) respectievelijk [Verzekeringsmaatschappij
II] Personeel B.V. (hierna: [Verzekeringsmaatschappij II]), primair op
grond van artikel 3 van de diverse sociale werknemersverzekeringswetten
en subsidiair op grond van artikel 5, onder d, van voornoemde wetten
juncto artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb.
1986, 655 (hierna: KB).
De Rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 26 september 2000 het
namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard,
het bestreden besluit vernietigd, appellant veroordeeld in de
proceskosten van gedaagde en appellant gelast het door gedaagde gestorte
griffierecht te vergoeden.
Op bij aanvullend beroepschrift van 3 januari 2001 aangevoerde gronden
is appellant van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde, heeft mr. J. Börnemann, werkzaam bij D.A.S.
Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam,
bij brief van 3 april 2001 een verweerschrift (met bijlage) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 juli
2002, waar appellant is vertegenwoordigd door mr. M.P. Romijn, werkzaam
bij het Uwv. Namens gedaagde is verschenen mr. G.J.A. van Dijk,
kantoorgenoot van mr. Börnemann, voornoemd.
II. MOTIVERING
Voor zijn oordeelsvorming neemt de Raad met de rechtbank als vaststaand
aan de volgende, door partijen niet betwiste, feiten en omstandigheden
zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak, waarbij gedaagde wordt
aangeduid als eiser en appellant als verweerder.
"[Naam verzekeringsmaatschappij I] Zorgverzekeringen N.V. en [naam
verzekeringsmaatschappij I] Schadeverzekeringen N.V. (hierna gezamenlijk
te noemen [naam verzekeringsmaatschappij I]) en eiser hebben met ingang
van 1 januari 1995 een overeenkomst afgesloten, waarbij eiser,
verzekeringsgeneeskundige en orthopedisch chirurg, zich heeft verbonden
voor [naam verzekeringsmaatschappij I] werkzaamheden betrekking hebbend
op verzekeringsgeneeskundige adviezen te verrichten. Volgens de in het
dossier aanwezige, overigens niet ondertekende, overeenkomst van 27
november 1995, zal eiser [naam verzekeringsmaatschappij I] desgevraagd
dan wel uit eigener beweging adviseren omtrent alle medische en medisch-sociale aangelegenheden. Voorts zijn in deze overeenkomst onder
meer de volgende bepalingen opgenomen:
- de werkzaamheden hebben betrekking op verzekeringsgeneeskundige
adviezen en worden gedetailleerd beschreven in de beroepscode, die als
onderdeel van deze overeenkomst zal worden beschouwd. De Beroepscode
voor geneeskundig adviseurs, werkzaam bij particuliere
verzekeringsmaatschappijen, is op deze overeenkomst van toepassing
verklaard en maakt een onverbrekelijk deel uit van deze overeenkomst;
- de geneeskundige kan, indien en voor zover [naam
verzekeringsmaatschappij I] hem hieromtrent uitdrukkelijk en
schriftelijk verzoekt, namens [naam verzekeringsmaatschappij I]
beslissingen nemen ter zake van aangelegenheden, waarvan de afdoening
hem door [naam verzekeringsmaatschappij I] is gedelegeerd;
- [naam verzekeringsmaatschappij I] kan de geneeskundige uitdrukkelijk en
schriftelijk machtigen om [naam verzekeringsmaatschappij I] in bepaalde
duidelijk omschreven gevallen te vertegenwoordigen;
- de geneeskundige zal de contacten met de door [naam
verzekeringsmaatschappij I] te noemen zorgaanbieders onderhouden en,
mede op basis van deze contacten, [naam verzekeringsmaatschappij I] op
medisch verantwoorde wijze adviseren omtrent het beoordelen van
schadegevallen;
- voor een deskundige en zorgvuldige uitoefening van de genoemde
werkzaamheden, dient de geneeskundige op de hoogte te zijn en te blijven
van alle relevante ontwikkelingen binnen de medische wetenschap;
- de geneeskundige voert de opdracht geheel naar eigen inzicht en
goeddunken uit, daarbij geleid door de Beroepscode. Tussen partijen
bestaat geen enkele gezagsverhouding;
- de ten behoeve van [naam verzekeringsmaatschappij I] te verrichten
werkzaamheden zullen voor wat betreft de tijdsbesteding per week
maximaal 16 uren beslaan. In onderling overleg kan hiervan worden
afgeweken.
Met ingang van 1 januari 1997 verricht eiser alleen nog
advieswerkzaamheden voor [naam verzekeringsmaatschappij I]
Zorgverzekeringen N.V., voor circa 12 uur per week. Eiser is de enig
medisch adviseur van [naam verzekeringsmaatschappij I]. In de regel
verricht eiser op twee dagen per week zijn advieswerkzaamheden op het
kantoor van [naam verzekeringsmaatschappij I] te [naam
vestigingsplaats]. Eiser geeft aan medewerkers van [naam
verzekeringsmaatschappij I] medische adviezen over schadegevallen en
verzekeringsaanvragen. Zijn adviezen zijn niet bindend voor [naam
verzekeringsmaatschappij I]. Eiser ontvangt geen instructies van [naam
verzekeringsmaatschappij I]. Eiser geeft ruim van tevoren aan wanneer
hij niet aanwezig is, zodat de medewerkers van [naam
verzekeringsmaatschappij I] daarmee rekening kunnen houden. Wanneer
eiser niet aanwezig is, worden zijn werkzaamheden waargenomen door
medici van [naam verzekeringsmaatschappij I] zelf of van een
zusteronderneming van [naam verzekeringsmaatschappij I]. Eiser ontvangt
een vergoeding per uur. Voorts neemt eiser namens [naam
verzekeringsmaatschappij I] deel aan regulier overleg van medisch
adviseurs, werkzaam voor diverse verzekeringsmaatschappijen. Naast zijn
werkzaamheden voor [naam verzekeringsmaatschappij I], besteedt eiser 60%
van zijn tijd als vrijgevestigd orthopedisch chirurg in het [naam
Ziekenhuis] te [naam vestigingsplaats] en 10% van zijn tijd als medicus
voor de balletacademie in [naam vestigingsplaats II]."
De rechtbank is bij aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat de
arbeidsverhouding van gedaagde met [naam verzekeringsmaatschappij I] dan
wel [Verzekeringsmaatschappij II] niet is aan te merken als een
privaatrechtelijke dienstbetrekking omdat, hoewel een persoonlijke
dienstverrichting wel aanwezig werd geacht, niet is voldaan aan één
van de daarvoor geldende voorwaarden, te weten het bestaan van een
gezagsverhouding. De rechtbank is van oordeel dat appellant de stelling
dat een medisch adviseur bij de beoordeling van schadegevallen en
verzekeringsaanvragen een onmisbare schakel is en wezenlijk is voor de
bedrijfsvoering niet met voldoende concrete gegevens heeft onderbouwd.
Voorts is de rechtbank niet gebleken van een bepaald kader waarbinnen
gedaagde dient te functioneren, noch van bepaalde afspraken waarbinnen
een advies gereed dient te zijn. Daarbij is tevens in aanmerking genomen
dat het advies van gedaagde niet bindend is. Ten aanzien van het
subsidiaire standpunt van appellant heeft de rechtbank geoordeeld dat de
rechtbank niet kan inzien dat de werkzaamheden van gedaagde als medisch
adviseur niet voldoende aansluiten bij en niet vreemd zijn aan de aard
van de overige werkzaamheden van gedaagde. Naar het oordeel van de
rechtbank zijn de advieswerkzaamheden volledig medisch van aard en
worden deze verricht door gedaagde als zijnde arts. Het subsidiaire
standpunt van appellant heeft eveneens geen stand kunnen houden.
Appellant heeft in zijn aanvullend hoger beroepschrift en ter zitting
van de Raad grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank. Met
betrekking tot het primaire standpunt heeft appellant opgemerkt dat het
bestaan van een gezagsverhouding aanwezig wordt geacht aangezien de
werkzaamheden van gedaagde een wezenlijk onderdeel vormen en ingekaderd
zijn in een commerciële organisatie [naam verzekeringsmaatschappij
I]/[Verzekeringsmaatschappij II], waarbij gedaagde de werkzaamheden op
een vooraf overeengekomen tijdstip en op vooraf vastgestelde vaste dagen
diende te verrichten. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt heeft
appellant aangevoerd dat de rechtbank een te ruime uitleg heeft
toegekend aan het begrip "aansluiten en niet vreemd zijn aan".
Appellant geeft aan dat er een onderscheid moet worden gemaakt in de
werkzaamheden van gedaagde als vrijgevestigd orthopedisch chirurg en die
van medisch adviseur. Appellant is van mening dat het werk als medisch
adviseur zoals dat door gedaagde wordt uitgeoefend een essentieel
onderdeel vormt van en structureel zijn ingekaderd in de bedrijfsvoering
van [Verzekeringsmaatschappij II]. Het advieswerk van gedaagde vormt
hierin een essentiële en onmisbare schakel in het proces van de
claimbehandeling waardoor het moeilijk voorstelbaar is dat deze
werkzaamheden als zelfstandige verricht worden.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant terecht
verzekeringsplicht heeft aangenomen voor de werkzaamheden die gedaagde
heeft verricht voor [naam verzekeringsmaatschappij I] gedurende de
perioden 1 januari 1995 tot en met 31 december 1998, respectievelijk
voor [Verzekeringsmaatschappij II] vanaf 1 januari 1999, primair op
grond van artikel 3 van de diverse sociale werknemersverzekeringswetten
en subsidiair op grond van artikel 5, onder d, van voornoemde wetten
juncto artikel 5 van het KB.
De Raad overweegt als volgt.
Ten aanzien van het primaire standpunt onderschrijft de Raad het oordeel
van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid.
De Raad is van oordeel dat de werkzaamheden van gedaagde, die hij naar
eigen inzicht en deskundigheid als medicus verricht, louter van
adviserende aard zijn, welke voor [naam verzekeringsmaatschappij
I]/[Verzekeringsmaatschappij II] geen bindend karakter hebben. Dat de
werkzaamheden, zoals door appellant is aangevoerd, een dusdanig
wezenlijk onderdeel vormen van de organisatie van [naam
verzekeringsmaatschappij I]/[Verzekeringsmaatschappij II], kan een
aanwijzing vormen voor het bestaan van een gezagsverhouding, maar dit
betekent niet dat bij gebreke van andere aanwijzingen deze
gezagsverhouding ook is gegeven. De Raad is, met de rechtbank, van
oordeel dat appellant er niet in is geslaagd concrete aanknopingspunten
naar voren te brengen op grond waarvan moet worden aangenomen dat sprake
is van een sturende rol van de kant van [naam verzekeringsmaatschappij
I]/[Verzekeringsmaatschappij II] dan wel van andere omstandigheden
waaruit onmiskenbaar blijkt dat gedaagde zich bij zijn
advieswerkzaamheden diende te houden aan aanwijzingen van de zijde van
[naam verzekeringsmaatschappij I]/[Verzekeringsmaatschappij II]. De Raad
ziet deze ook niet gelegen in de Beroepscode die op gedaagde van
toepassing is en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank
daaromtrent heeft gegeven. Voorts is de Raad van oordeel dat de
omstandigheid dat de werkzaamheden op vaste dagen en volgens een vast
aantal uur per week in een van te voren afgesproken rooster wordt
uitgeoefend, veeleer is ingegeven door de praktische organisatie van
gedaagde als vrijgevestigd orthopedisch chirurg dan dat deze is
voorgeschreven door [naam verzekeringsmaatschappij
I]/[Verzekeringsmaatschappij II]. Gelet op het vorenstaande kunnen de
grieven ten aanzien van het primaire standpunt van appellant niet
slagen.
Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van appellant is de Raad
van oordeel dat ook deze dienen te falen. Gelet op het bepaalde in
artikel 8, eerste lid en onder a, van het KB wordt voor de toepassing
van de artikelen 1, 4 en 5, niet als dienstbetrekking beschouwd de
arbeidsverhouding van de persoon die arbeid verricht in de uitoefening
van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Uit de
gedingstukken is gebleken dat gedaagde voor 60% werkzaam is als
vrijgevestigd orthopedisch chirurg in het [naam Ziekenhuis] te [naam
vestigingsplaats]. Daarnaast verricht gedaagde 10% van zijn tijd als
medicus voor de balletacademie te [naam vestigingsplaats II]. De Raad is
van oordeel dat, het vorenstaande in ogenschouw genomen, het geven van
onderhavige medische adviezen in het verlengde liggen van de uitoefening
van het zelfstandig medisch beroep van orthopedisch chirurg zoals deze
door gedaagde in praktijk gebracht wordt. De Raad is van oordeel dat
gedaagde de advieswerkzaamheden heeft verricht in de zelfstandige
uitoefening van zijn beroep. Derhalve dient ook het hoger beroep van
appellant ten aanzien van het subsidiaire punt te falen.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze worden begroot op €
644,-- voor verleende rechtsbijstand.
De Raad stelt tot slot vast dat ingevolge artikel 22, derde lid, van de
Beroepswet, van het bestuursorgaan een griffierecht van € 327,-- dient
te worden geheven.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het bestuursorgaan in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 327,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid
van A.H. Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19
september 2002.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.H. Huls.
|
|