|
Uitspraak
99/6435
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam bedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] (Belgi๋),
appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M.I.J. Hegeman, werkzaam bij Van Asperen
Advocaten te Maastricht, bij schrijven van 27 december 1999 hoger beroep
ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Maastricht onder
dagtekening 16 november 1999 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Bij aanvullend beroepschrift van 18 april 2000 heeft mr. H.J.M. Barten,
werkzaam bij Accon Accountants & Adviseurs te Velp, namens
appellante de gronden van het hoger beroep aangevoerd.
Namens gedaagde is onder dagtekening 8 mei 2000 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27
september 2001, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde
heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.B. Smaalders werkzaam bij
Gak Nederland B.V. te Amsterdam.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 28 april 1997 heeft gedaagde ongegrond
verklaard de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit van 6
maart 1996, waarbij - voor zover in dezen van belang -
verzekeringsplicht werd aangenomen voor Poolse arbeidskrachten, die via
de Poolse ondernemingen [naam onderneming I] en [naam onderneming II],
waarmee appellante aanneemovereenkomsten had gesloten, op het
scheepsbouwbedrijf van appellante werkzaamheden hebben verricht, omdat
zij bij de uitvoering van deze werkzaamheden in een privaatrechtelijke
dienstbetrekking tot appellante stonden.
De rechtbank heeft bij de thans aangevallen uitspraak het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep wordt namens appellante aangevoerd dat de rechtbank ten
onrechte heeft overwogen dat de vraag of sprake is van de verplichting
tot persoonlijke dienstverrichting niet in het geding zou zijn. Verder
is appellante, anders dan de rechtbank, van oordeel dat in casu geen
sprake was van loonbetaling, maar van betaling van een aanneemsom aan de
Poolse ondernemingen [naam onderneming I] en [naam onderneming II].
Voorts wordt namens appellante aangevoerd dat een gezagsverhouding
tussen appellante en de Poolse - naar haar zeggen - zelfstandigen
ontbreekt, omdat door appellante geen sancties konden worden gesteld op
het niet naleven van de door haar gegeven aanwijzingen. Appellante had
slechts de mogelijkheid na oplevering de verrichte werkzaamheden af te
keuren. Door appellante wordt tevens ontkend dat de door de Poolse
arbeidskrachten verrichte werkzaamheden een wezenlijk onderdeel van haar
bedrijfsvoering uitmaken. Tenslotte wordt namens appellante aangevoerd
dat de vaststelling van verzekeringsplicht van de Poolse arbeidskrachten
in strijd is met internationale wet- en regelgeving.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich met de overwegingen van de rechtbank verenigen en
onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de Poolse arbeidskrachten
werkzaam zijn (geweest) in een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de
zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.
Naar aanleiding van de namens appellante geponeerde stelling dat de
rechtbank ten onrechte zou hebben overwogen dat de verplichting tot
persoonlijke dienstverrichting niet door appellante zou zijn betwist,
wijst de Raad er op dat in het aanvullend beroepschrift in eerste aanleg
van 20 januari 1998 wordt aangegeven dat de verplichting tot
persoonlijke dienstverrichting in casu aanwezig is. Thans in hoger
beroep wordt namens appellante gesteld dat het de Poolse arbeidskrachten
te allen tijde vrijstond om de opdracht door een ander te laten
uitvoeren en dat zij slechts verantwoordelijk bleven voor het
eindresultaat. De Raad volgt appellant niet in haar stelling. Gelet op
het specialistische karakter van de door de Poolse arbeidskrachten
uitgevoerde werkzaamheden en het feit dat gesteld noch gebleken is dat
de Poolse arbeidskrachten zich daadwerkelijk hebben laten vervangen,
acht de Raad de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting in het
onderhavige geval aanwezig.
Tevens is de Raad van oordeel dat de door appellante aan de Poolse
arbeidskrachten verrichte betalingen een tegenprestatie voor de
verrichte werkzaamheden waren, en derhalve als loonbetalingen dienen te
worden aangemerkt. Aangezien de (overige) omstandigheden, waaronder de
werkzaamheden door de Poolse arbeidskrachten werden verricht gelijk zijn
gebleven, ziet de Raad in de omstandigheid dat na het eerste onderzoek
van gedaagde op 10 mei respectievelijk 13 augustus 1995 de lonen niet
meer werden betaald op voorschotbasis, maar via de bankrekening van
[naam onderneming II], geen aanleiding om de verplichting tot
loonbetaling in het onderhavige geval afwezig te achten.
Voorts is de Raad met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat sprake is
(geweest) van een gezagsverhouding tussen appellante en de Poolse
arbeidskrachten. De Raad verwijst hierbij naar de overwegingen van de
rechtbank op dit punt. Volledigheidshalve merkt de Raad nog op dat uit
de ten tijde van de onderzoeken van gedaagde afgegeven verklaringen
duidelijk blijkt dat appellante toezicht op de werkzaamheden hield.
Reeds uit het feit dat de las-, montage- en tekenwerkzaamheden een
wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van appellante uitmaken, kan
naar het oordeel van de Raad worden afgeleid dat appellante de
bevoegdheid tot het geven van instructies en aanwijzingen moeten hebben
(gehad).
Naar aanleiding van het namens appellante ingenomen standpunt dat de
Poolse arbeidskrachten als zelfstandigen dienen te worden aangemerkt,
wijst de Raad er op dat een eventuele zelfstandigheid van de Poolse
arbeidskrachten niet aan het bestaan van een privaatrechtelijke
dienstbetrekking met appellante in de weg staat, nu alle vereiste
elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de
arbeidsverhouding tussen appellante en de Poolse arbeidskrachten
aanwezig zijn.
Tenslotte is de Raad, bij gebreke ook van enige concrete onderbouwing,
niet gebleken van strijd met internationale wet- en regelgeving.
Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 november
2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|