|
Uitspraak
98/5368
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift d.d. 18 november 1998
aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een onder dagtekening 8
juni 1998 door de Arrondissementsrechtbank te Groningen gegeven
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 februari
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.M.
Stalenhoef, werkzaam bij Gak Nederland B.V. Gedaagde is niet verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde ontving van 1 augustus 1994 tot 7 augustus 1995 een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW). Hieraan voorafgaand was hij
particulier verzekerd, zodat hij ingevolge artikel 3 van de
Ziekenfondswet (hierna: Zfw) gedurende het eerste jaar van de
WW-uitkering niet verplicht verzekerd was ingevolge de Zfw. Met ingang
van 1 augustus 1995 is gedaagde wel als verplicht verzekerd voor de Zfw
aangemerkt. In verband met het aanvaarden van een dienstbetrekking op 7
augustus 1995, is gedaagdes WW-uitkering be๋indigd. Gedurende dit
dienstverband was gedaagde particulier verzekerd. Per 1 januari 1996
heeft gedaagde wederom een WW-uitkering aangevraagd.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of gedaagde op 1 januari
1996 voor de Zfw als verplicht verzekerd dient te worden beschouwd.
De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij
overwogen dat, aangezien er sprake was van een herleving van het recht
op een WW-uitkering, uitgegaan dient te worden van de
verzekeringssituatie direct voorafgaande aan de dag van het ontstaan van
het oorspronkelijke recht op de WW-uitkering, derhalve 31 juli 1994 en
niet van de verzekeringssituatie op de dag voorafgaande aan die waarop
dat recht op WW-uitkering herleefde.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, letter a ten eerste, van de Zfw is
verzekerd de werknemer in de zin van de Ziektewet (hierna: ZW), wiens
loon, verdiend in ้้n of meer dienstbetrekkingen in de zin van de ZW
niet meer bedraagt dan een bepaald bedrag per jaar, met dien verstande
dat ten aanzien van degene die bij of krachtens artikel 7 van de ZW als
werknemer in de zin van die wet wordt beschouwd, gedurende het eerste
jaar zolang en voor zover hij recht heeft op een werkloosheidsuitkering
berekend naar 70% van het dagloon, de verzekeringsplicht ingevolge deze
wet wordt beoordeeld naar zijn verzekeringssituatie zoals deze gold op
de dag voorafgaande aan die waarop dat artikel op hem van toepassing
werd.
Artikel 7 van de ZW bepaalt onder meer dat voor de toepassing van die
wet als werknemer wordt beschouwd degene die krachtens de verplichte
verzekering op grond van de WW uitkering ontvangt.
De Raad is van oordeel dat uit de voorgaande wettelijke bepalingen naar
redelijke wetsuitleg volgt dat de beoordeling of sprake is van een
verplichte Zfw-verzekering gekoppeld is aan de laatste dag dat in
dienstbetrekking werd gewerkt. De omstandigheid dat er sprake is van een
herleving van een recht op WW-uitkering is daarbij niet van belang.
In het onderhavige geval dient derhalve te worden gekeken naar de
verzekeringssituatie op de laatste dag voorafgaande aan 1 januari 1996.
Aangezien gedaagde op dat moment niet verplicht verzekerd was voor de
Zfw, kan hij ook niet per 1 januari 1996 verplicht verzekerd zijn.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Mitsdien dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2000.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) P. Boer.
|
|