|
Uitspraak
01/1453
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[naam stichting], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 8 juni 2001 aangevoerde
gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de Rechtbank
Amsterdam onder dagtekening 28 december 2000 tussen partijen gegeven
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft onder dagtekening 10 juli 2001 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19
september 2002, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. drs.
R.H.L. Niehof, werkzaam bij Uwv Gak, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door [naam manager bedrijfsvoering], manager
bedrijfsvoering alsmede [naam teamleider], coördinerend teamleider
bloedinzameling , bijgestaan door mr. E.J.M. Rosier, advocaat te
Rotterdam, als raadsman.
II. MOTIVERING
In geding in hoger beroep tussen partijen is voornamelijk de vraag aan
de orde of de vaste basisvergoeding van f 60,-- met oplopende indexering
welke de vrijwilligers per gewerkte avond in de jaren negentig ontvingen
- welke vrijwilligers gedaagde behulpzaam waren bij bloedinzameling -,
als loon dient te worden beschouwd dan wel geheel of gedeeltelijk als
zuivere onkostenvergoeding ware aan te merken ter vaststelling of
betrokkenen verzekeringsplichtig waren voor de toepasselijkheid van de
sociale werknemersverzekeringswetten.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan de
vrijwilligers betaalde vergoeding van f 60,-- per bijeenkomst niet als
loon kan worden aangemerkt. Daarbij is er - kort samengevat - van
uitgegaan dat f 40,-- als onkostenvergoeding door partijen - in het
voetspoor van de belastingdienst - is aanvaard en dat het resterende
deel te gering is om van loon te kunnen spreken.
Appellant heeft zich in overeenstemming met de strekking van het
bestreden besluit op bezwaar van 8 januari 1998 bij het aanvechten van
de aangevallen uitspraak op het standpunt gesteld dat gelet op het
wettelijk stelsel in beginsel ervan moet worden uitgegaan dat het gehele
vergoedingsbedrag aan de vrijwilligers als loon moet worden beschouwd en
dat op de onkostenvergoeding van circa f 60,-- per keer in elk geval een
deel van f 20,-- niet kan worden onderbouwd als onbelaste
onkostenvergoeding en derhalve hoe dan ook als loon in de zin van
artikel 4 van de Coördinatiewet sociale verzekering dient te worden
beschouwd. Daarbij is van die zijde geoordeeld dat nu te dezen sprake is
van een verplichting tot het betalen van loon en tevens aan de overige
kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan,
bestaande in verplichte persoonlijke arbeid onder een gezagsrelatie,
zich een wettelijke situatie van verzekeringsplichtigheid voordoet.
Daaraan zou het dienen van een maatschappelijk belang door het
onderhavige vrijwilligerswerk niet kunnen afdoen.
Gedaagde heeft hiertegenover doen betogen dat de vergoeding voor het
onderhavige vrijwilligerswerk in geen verhouding staat tot de omvang en
het langdurige tijdsbeslag van die arbeid. Daarbij is gewezen op het
algemeen belang van het werk en dat de vrijwilligers kosten voor
vervoer, voeding en schoonmaken maken, welke gedekt worden door f 60,--
per gewerkte avond. Een betaling voor verrichte arbeid wordt ontkend,
waarvan de bewijslast op de tegenpartij rust in marginale
arbeidsrelaties als hier aan de orde.
Daarnevens is van deze zijde het bestaan van een gezagsrelatie tot de
vrijwilligers ontkend, omdat zij hun werk in vrijwilligheid vanuit
fatsoen en piëteit verrichten.
De Raad overweegt het volgende.
Bij de gezien ook het bestreden besluit voorop te stellen toetsing of er
sprake is van een op een arbeidsovereenkomst gebaseerde
verzekeringsplichtige arbeidsverhouding dient de Raad allereerst vast te
stellen als hoedanig de door de vrijwilligers als vaste vergoeding van
circa f 60,-- per gewerkte avond - met enige oplopende indexering in de
loop van de jaren negentig - dient te worden beschouwd.
De Raad kan gelet op de uit de stukken blijkende feiten en de daaruit
naar voren komende aard en overigens relatief niet al te krap bemeten
omvang van de vergoeding zodanige bron van inkomsten realiter niet
anders beschouwen dan als een bepaalde reguliere tegenprestatie voor
verrichte arbeid per avond, welke als loon dient te worden bestempeld en
niet in enigerlei mate als gemotiveerde exceptie hiervan kan worden
afgezonderd. De omvang van het werk was daarbij feitelijk zeker niet als
verwaarloosbaar gering liefdewerk aan te merken. De Raad acht hierbij
ook door de hoogte van de vergoeding evident niet alleen niet van
noodzakelijke reële onkosten per vrijwilliger per gewerkte avond
gebleken, maar evenmin van een vooraf genoegzaam en nauwkeurig
bewijsbaar afsplitsbaar minder gedeelte hiervan. Het bewijs hiervan ligt
volgens de Raad gelet op het exceptionele karakter hiervan op een
concreet controleerbare en verifieerbare wijze alleszins anders dan
gedaagde meent te mogen stellen, in de jaren in geding op zijn eigen weg
aan de hand van de toepasselijke regelingen. Feitelijk buiten heffing
houden door de belastingdienst, waarbij zonder adequate toetsing van
rechtsgrondslagen kennelijk bij wege van een tamelijk arbitraire
afspraak f 40,-- op bij uitstek beleidsmatige gronden als kostenrubriek
is vrijgelaten, kunnen in het onderhavige kader van vaststellen van
verzekeringsplicht voor de toepassing van de sociale
verzekeringswetgeving noch appellant noch de Raad als sociale
verzekeringsrechter rechtens en feitelijk zonder meer binden. De Raad
tekent hierbij aan dat de zijns inziens aan de orde zijnde
toepasselijkheid van de hoofdregel van artikel 4 van de Coördinatiewet
sociale verzekering dat loon al hetgeen is dat uit een dienstbetrekking
wordt genoten, hem te dezen ook geen vrije beleidskeuze laat.
Maatschappelijk beschouwd minder gewenste effecten hiervan voor dit type
vrijwilligerswerk wil de Raad met gedaagde in casu stellig niet
geringschatten, maar acht de Raad deswege niet van bepalende betekenis
voor een juiste en zuivere toepassing van de sociale
werknemersverzekeringswetten zoals die thans voorliggen, daarbij
nadrukkelijk onverlet latend een hierbij eventueel liggende taak voor de
regelgever tot het scheppen van nadere weloverwogen excepties voor
zekere vergoedingscategorieën voor vrijwilligerswerk in perspectief bij
de toepassing van de onderhavige sociale regelgeving. De Raad benadrukt
in dit verband overigens wel dat het in aansluiting op de in dit geding
aan de orde zijnde verzekeringsplicht nog in aanmerking te nemen -
(gematigde) hoogte van - premieloon voor bepaalde jaren eerst in een
andere nadere (vervolg)procedure ter nadere toetsing aan de orde zal
en moet komen en hier buiten beschouwing blijft.
Volledigheidshalve merkt de Raad voorts op dat de vereiste deskundigheid
en nauwkeurigheid van de werkzaamheden ter zake van de bloedinzameling,
zoals ook feitelijk genoegzaam uit de stukken naar voren komt, zich niet
laat denken zonder ingeroosterd organisatorisch en specifiek technisch
gezag dat zich door het optreden van een bij gedaagde aanwezige
leidinggevende(n) zoals een teamleider jegens de betrokken vrijwilligers
kennelijk daadwerkelijk heeft gemanifesteerd. Deze laatsten gaan
overigens volgens de Raad door, benaderd vanuit een opgemaakt bestand,
zelf op afroep te reageren en daarna metterdaad aan te vangen met de
arbeid tevens een persoonlijk af te ronden verplichting in het kader van
de bloedinzameling aan.
Daardoor acht de Raad een privaatrechtelijke dienstbetrekking van
meerbedoelde vrijwilligers met de daarvoor vereiste elementen en
daarmede hun verzekeringsplicht voor de toepassing van de sociale
werknemersverzekeringswetten in de jaren negentig in geding in
toereikende mate vaststaan.
Op grond van het vorenoverwogene dient naar het oordeel van de Raad het
hoger beroep van appellant te slagen en kan de aangevallen uitspraak
niet in stand worden gelaten.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak.
Verklaart het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober
2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|