|
Uitspraak
99/5316
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam bedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv, alsmede
zijn rechtsvoorgangster de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel,
Ambachten en Huisvrouwen.
Bij besluit van 24 september 1997 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen de besluiten van 27 december 1995,
inhoudende aanvullende premienota's (correctienota's) over de jaren 1990
tot en met 1994.
De Rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 4 augustus 1999 het tegen
dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. L.H. Berkelder-van der Heijden,
belastingadviseur bij Loyens en Loeff te Amsterdam, op bij aanvullend
beroepschrift (met bijlage) van 31 januari 2000 aangegeven gronden van
die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 28 februari 2000,
ingediend.
Desgevraagd heeft mr. R.S. Ferouge, belastingadviseur bij Loyens en
Loeff, bij brief (met bijlage) van 5 oktober 2001 namens appellante op
het verweerschrift gereageerd.
Op deze brief heeft desgevraagd gedaagde gereageerd bij brief van 6
november 2001. Voorts heeft gedaagde bij brief van 14 december 2001 een
vraag van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 februari
2002, waar voor appellante is verschenen mr. Ferouge, voornoemd, en waar
voor gedaagde is verschenen mr. J.H. Landwehr, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 16 april 2002 een door de Raad
gestelde vraag beantwoord.
Hierop heeft mr. Ferouge namens appellante gereageerd bij brief van 7
mei 2002.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27
juni 2002, waar voor appellante is verschenen mr. Ferouge, en waar
gedaagde, zoals aangekondigd, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende uittreksel uit het
handelsregister houdt appellante zich bezig met het drijven van handel
en de verkoop van goederen welke gewoonlijk in warenhuizen plegen te
worden verkocht. In 1995 is bij haar vanwege gedaagde een looncontrole
gehouden. Bij deze controle is onder meer gebleken dat het loon waarover
appellante premies ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) dient af te dragen, in de jaren
1990 tot en met 1994 op een onjuiste wijze was berekend. Het van de
controle opgemaakte rapport van 19 december 1995 vermeldt daarover het
volgende:
"Bij parttimemedewerkers wordt consequent het maximaal mogelijke
aantal SV-dagen opgegeven. I.v.m. het ontbreken van een
dagenadministratie is controle op de juistheid hiervan niet mogelijk.
Gezien het feit dat het onwaarschijnlijk is dat alle parttime medewerkers
op het maximaal mogelijke aantal dagen hebben gewerkt, is de
volgende aanname gedaan: parttime medewerkers werken gemiddeld 3¼
dagen per week. De werkgever gaat akkoord met deze aanname.
Met deze aanname is een inventarisatie gemaakt waarbij rekening is
gehouden met de volgende randvoorwaarden:
-alleen parttimers bekeken met een aantal opgegeven SV-dagen van 257
-alleen parttimers bekeken met een leeftijd boven de 23 jaar
-alleen parttimers bekeken met een opgegeven SV-loon dat lager is dan
het minimum loon.
Uit deze inventarisatie vloeit een correctie voort met betrekking tot
het WAO-premieloon. Daarnaast ontstaat een nettoloonvoordeel wegens niet
ingehouden WAO-premie (correctie WAO-premieloon x WAO-premiepercentage).
Correcties: WAO-premieloon: a) 1990: bruto fl. 359.508,-
b) 1991: bruto fl. 312.673,-
c) 1992: bruto fl. 385.917,-
d) 1993: bruto fl. 354.741,-
e) 1994: bruto fl. 449.388,-
Nettoloonvoordeel: f) 1990: netto = bruto fl. 43.680,-
g) 1991: ,, ,, fl. 37.520,-
h) 1992: ,, ,, fl. 48.432,-
i) 1993: ,, ,, fl. 41.682,-
j) 1994: ,, ,, fl. 47.635,-"
De bij het bestreden besluit gehandhaafde correctienota's zien onder
meer op de verschuldigdheid van aanvullende premies over deze bedragen.
Voor de onder a) tot en met e) vermelde bedragen betreft het uitsluitend
aanvullende premies voor de WAO. Voor de onder f) tot en met j) vermelde
bedragen betreffen deze nota's aanvullende premies voor de sociale
werknemersverzekeringen, waaronder ook de WAO.
Zowel in bezwaar, als in (hoger) beroep heeft appellante bestreden de
verschuldigdheid van aanvullende premies over de onder f) tot en met j)
vermelde bedragen. Met de aanvullende premies voor de WAO over de onder
a) tot en met e) vermelde bedragen, voortvloeiende uit een onjuiste
toepassing van de zogeheten WAO-franchise, kan appellante zich
verenigen.
In eerste aanleg heeft appellante onder verwijzing naar de arresten van
de Hoge Raad van 4 mei 1994 (RSV 1995/10 & 11) en de uitspraken van
de Raad van 17 oktober 1996, Premie 1992/119, (RSV 1997/39) en 10 april
1997, 94/645, 97/1704, 97/1705 CSV (RSV 1997/257) betoogd dat het opleggen van aanvullende premies over ten
onrechte niet ingehouden premies bruteren inhoudt en gedaagde de in deze
uitspraken aan brutering gestelde beperkingen niet in acht heeft
genomen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak daaromtrent het volgende
overwogen:
"4.2 De rechtbank stelt dienaangaande - anders dan
[naam bedrijf] heeft betoogd - voorop dat onderscheid dient te worden
gemaakt tussen
a. het aanmerken van een te hoge nettobetaling als premieloon in de zin
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), en
b. het toepassen van een brutering op dit nettoloonvoordeel.
4.3 De argumenten die [naam bedrijf] ter onderbouwing van haar stelling
meent te kunnen ontlenen aan de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB,
Premie 1992,119 berusten op een verkeerde lezing ervan. In die uitspraak
heeft de CRvB expliciet overwogen dat een te hoge netto betaling als
gevolg van (onbedoeld) niet ten volle inhouden van premies voor de
werknemersverzekeringen, premieloon vormt.
4.4 Het bedrag aan WAO-premieloon dat door [naam bedrijf] ten onrechte
niet op het loon van de werknemers is ingehouden, levert een hoger
nettoloon op voor die werknemers en dat voordeel uit dienstbetrekking
vormt - zie 4.3 - premieplichtig loon, waarover premie moet worden
afgedragen. Op laatstgenoemde premie zien de hier in geding zijnde
premienota's.
4.5 [naam bedrijf] beroept zich ter onderbouwing van haar stelling dat
LISV ten onrechte aanvullende premienota's heeft opgelegd met name op
een passage uit de onder 4.3 genoemde uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep, die luidt:
"(…) Als een werkgever in zodanig geval de over dat loon
nagevorderde premies heeft betaald en de door de werknemers over dat
loon verschuldigde premiebedragen niet op de werknemers kan verhalen
vanwege het verhaalsverbod, zodat deze een voordeel genieten, dan is er
onder de door de Hoge Raad geschetste omstandigheden, niet (ten tweede
male) sprake van een voordeel uit dienstbetrekking. (…)"
4.6 De verkeerde lezing van deze passage door [naam bedrijf] betreft het
volgende:
De omstandigheid dat [naam bedrijf] tevens alsnog voldoet aan haar
wettelijke verplichting tot afdracht van voorheen te weinig betaalde
bedrag aan WAO-premie (maar die thans niet meer op de werknemers kan
verhalen/inhouden en dus voor haar rekening komen), staat buiten de
kwestie die hiervoor onder 4.4 is behandeld. Het is niet die afdracht
van premies achteraf die een voordeel uit dienstbetrekking voor de
werknemers vormt, maar dit voordeel uit dienstbetrekking wordt
(uitsluitend) gevormd door het te hoge netto-loon, waarover geen premies
zijn afgedragen. Dit volgt ook uit de eveneens door [naam bedrijf] zelf
aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 april 1997,
nrs 94/645, 97/1704 en 97/1705 CSV, daar waar die Raad overweegt:
"(...) Gedaagde (LISV, rb) is er derhalve niet in geslaagd
aannemelijk te maken dat appellante, toen zij de loonbetalingen deed, de
wettelijk voorgeschreven inhoudingen (ten volle) voor haar rekening
wilde nemen. Niettemin was er sprake van de door de werknemers in 1990
genoten voordelen, waarover gedaagde premies kan vaststellen. (…) De
uitkomst van deze rekensom kan vervolgens - ongebruteerd - als grondslag
voor de aanvullende premieheffing dienen. (…)"
4.7 Brutering van het hiervoor onder 4.4 genoemde nettoloonvoordeel van
de werknemers heeft niet plaatsgevonden. Premieberekening heeft
uitsluitend plaatsgevonden over het nettoloonvoordeel, zonder enige
verhoging.
De stellingen van [naam bedrijf] voor zover op brutering betrekking
hebbend kunnen gelet hierop buiten bespreking blijven.
4.8 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is."
Appellante kan zich hiermede niet verenigen. Onder verwijzing naar het
arrest van de Hoge Raad van 1 december 1999 (V-N 1999/57.27; BNB
2000/36c), welk arrest ziet op een situatie waarin een werkgever het
werknemersdeel premie Ziekenfondswet voor zijn rekening heeft genomen,
en onder verwijzing naar de in eerste aanleg door haar genoemde arresten
en uitspraken heeft zij aangevoerd dat, nu het bedrag van de ten
onrechte toegepaste franchise reeds als loon is aangemerkt en hierover
WAO-premies zijn berekend, het nettoloonvoordeel voor haar werknemers,
bestaande uit deze
WAO-premies, niet nogmaals als premieloon dient te worden aangemerkt. De
handelwijze van gedaagde heeft naar haar mening in feite meegebracht dat
het brutoloon dat zij met haar werknemers was overeengekomen in feite is
verhoogd. In haar visie is sprake van indirecte brutering.
Voorts heeft appellante in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde het
gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Daarbij heeft zij gewezen op een
op bezwaar genomen besluit van gedaagde, waarbij het bezwaar van de
daarbij betrokken werkgever tegen deze indirecte brutering gegrond is
verklaard onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 4 mei
1994.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
De onjuiste toepassing van de WAO-franchise heeft meegebracht dat
appellante alsnog premies voor de WAO dient af te dragen over de in het
looncontrolerapport onder a) tot en met e) vermelde bedragen. Deze af te
dragen premies zijn de onder f) tot en met j) vermelde bedragen. In de
betrokken jaren was, behoudens in gevallen van loon in natura, de premie
voor de WAO verschuldigd door de werknemer. Nu in gevallen waarin naar
een te laag bedrag premies waren afgedragen, het de werkgever was die de
aanvullende premies voor zijn rekening moest nemen, moet worden
vastgesteld dat over de jaren 1990 tot en met 1994 juist als uitvloeisel
van de onjuiste toepassing van de WAO-franchise tevens een situatie is
ingetreden waarin appellante de premies voor de WAO die haar werknemers
in die jaren verschuldigd waren, voor haar rekening heeft genomen,
althans voor haar rekening heeft moeten nemen. Dit laatste vormt een
voordeel uit
dienstbetrekking dat de werknemers van appellante in die jaren hebben
genoten, welk voordeel loon is in de zin van artikel 4, eerste lid, van
de CSV. De Raad wijst hierbij onder meer op het door appellante genoemde
arrest van de Hoge Raad van 1 december 1999.
Met betrekking tot het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel
overweegt de Raad dat, gelet op de in rubriek I vermelde brief van
gedaagde van 16 april 2002, waarin is ontkend dat er in de
uitvoeringspraktijk uiteenlopende opvattingen bestaan omtrent situaties
als de onderhavige, het er voor moet worden gehouden dat het door
appellante overgelegde besluit op zichzelf staat en deswege onvoldoende
grond vormt voor het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2002.
(get.) B.J. van de Net.
(get.) R.E. Lysen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift van
de uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|