|
Uitspraak
00/3183
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 1 maart 1999 heeft gedaagde afwijzend beslist op een
verzoek van appellant om met toepassing van artikel 17 van
EG-Verordening 1408/71 (hierna: de Verordening) een overeenkomst te
sluiten met de Duitse autoriteiten ten einde de Nederlandse wetgeving op
appellant van toepassing te doen zijn gedurende het jaar 1999.
Bij beslissing op bezwaar van 5 augustus 1999, hierna: het bestreden
besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 1999 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 10 mei 2000 het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant is A.J.T. Buijsman, werkzaam bij Leystra & Buijsman
accountants B.V. te Urk, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 oktober
2002, waar namens appellant is verschenen A.J.T. Buijsman, voornoemd, en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.A.A. de Jong,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is werkzaam als deelvisser op een schip van [naam bedrijf] te
[vestigingsplaats]. Het betreffende schip vaart sedert 1988 onder Duitse
vlag in verband met de beschikbare (Duitse) visquota, maar vaart vanuit
Nederlandse havens en de vangsten worden ook uitsluitend in Nederlandse
havens aan land gebracht. Appellant is sedertdien met zijn gezin in
Nederland blijven wonen.
Op verzoek van appellant en [naam bedrijf] is door de toenmalige Sociale
Verzekeringsraad met de bevoegde Duitse autoriteiten een overeenkomst
gesloten op grond van artikel 17 van de Verordening, inhoudende dat de
Nederlandse sociale verzekeringswetgeving vanaf 1 juni 1991 tot en met
31 mei 1996 op appellant van toepassing bleef. Vervolgens zijn door
gedaagde ten aanzien van de jaren 1997 en 1998 soortgelijke
overeenkomsten gesloten met de Duitse autoriteiten met betrekking tot
appellant.
Door appellant en [naam bedrijf] is in januari 1999 aan gedaagde
verzocht om ook voor het jaar 1999 een overeenkomst als bedoeld in
artikel 17 van de Verordening te sluiten met de Duitse autoriteiten.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 maart 1999 heeft gedaagde
afwijzend beslist op dit verzoek. In het bestreden besluit heeft
gedaagde het volgende overwogen:
"De reden voor de afwijzing was, dat de Sociale Verzekeringsbank
(SVB) als beleid heeft, dat zij artikel 17 van EG-Verordening nr.
1408/71 toepast voor het sluiten van een overeenkomst, waarbij van de
normaal geldende aanwijsregels inzake toepasselijke wetgeving wordt
afgeweken, voor een periode van maximaal vijf jaar. In uw geval was die
periode van vijf jaar zelfs al overschreden.
Bovendien is er in uw geval geen sprake van een der in de beleidsregels
van de SVB genoemde situaties waarin, in afwijking van dit beleid,
gedurende een periode van meer dan vijf jaar door middel van een
ingevolge artikel 17 van
EG-Verordening nr 1408/71 te sluiten overeenkomst van de in beginsel
geldende aanwijsregels in de Verordening kan worden afgeweken.
In dit verband kan er nog op gewezen worden dat binnen de door de
Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen in het leven
geroepen werkgroep Detachering het standpunt is ingenomen dat toepassing
van artikel 17 er niet toe mag leiden dat artikel 13 van EG-Verordening
van zijn betekenis zou worden ontdaan; met andere woorden, toepassing
van artikel 17 mag er niet toe leiden dat structureel een andere
wetgeving op iemand van toepassing wordt dan de in beginsel door de
Verordening aangewezen wetgeving."
De rechtbank heeft geoordeeld dat het door gedaagde gehanteerde beleid
bij de toepassing van artikel 17 van de Verordening een beleid is dat
blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Voorts is de
rechtbank tot de slotsom gekomen dat de door appellant genoemde bezwaren
doelen op andere situaties dan de door gedaagde in zijn beleid
gehanteerde uitzonderingssituaties.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het beleid van
gedaagde geen recht doet aan de bijzondere situatie waarin deelvissers
als appellant verkeren, die geen enkele band hebben met Duitsland.
Appellant meent dat met het afsluiten van overeenkomsten voor een
langere duur dan vijf jaar artikel 13 van de Verordening niet van zijn
betekenis wordt ontdaan. Zulks te minder nu Duitsland, zijnde het
"vlagland", bereid is gebleken overeenkomsten voor een langere
duur te sluiten ten aanzien van deelvissers als appellant. Subsidiair
heeft appellant aangevoerd dat het beleid van gedaagde discriminatoir is
nu andere landen van de Europese Unie wel bereid zijn mee te werken aan
overeenkomsten voor een langere duur dan vijf jaar.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat
appellant gedurende het jaar 1999 op grond van artikel 13, tweede lid,
onder c, van de Verordening onderworpen was aan de Duitse sociale
verzekeringswetgeving, nu hij toen werkzaam was aan boord van een
zeeschip varend onder Duitse vlag.
Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of gedaagdes weigering
om op grond van artikel 17 van de Verordening een overeenkomst met de
Duitse autoriteiten te sluiten, ten einde de Nederlandse sociale
verzekeringswetgeving op appellant van toepassing te doen zijn, in
rechte stand kan houden.
Artikel 17 van de Verordening luidt aldus:
"Twee of meer Lid-Staten, de bevoegde autoriteiten van deze Staten
of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen kunnen in
onderlinge overeenstemming, in het belang van bepaalde personen of
groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 13 tot en met 16
vaststellen."
De Raad stelt vast dat het in deze bepaling gaat om afwijkingen van de
toe te passen wetgeving ingevolge titel II van de Verordening. Zoals de
Raad al eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 24 januari 2001 (RSV
01/139), kan een beslissing van gedaagde ingevolge artikel 17 van de
Verordening niet meer inhouden dan het zich al dan niet bereid verklaren
tot het sluiten van een overeenkomst met het andere bevoegde orgaan.
Gedaagde voert het beleid dat van de in artikel 17 van de Verordening
gegeven bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt voor een periode van
maximaal vijf jaar. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt van deze
termijn afgeweken. Daarbij hanteert gedaagde als uitgangspunt dat, naast
enkele specifiek omschreven situaties die voor dit geding niet van
belang zijn, een uitzonderingsgeval wordt aangenomen wanneer sprake is
van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 24 van
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen
1999 (Stb. 1998, 746, hierna: KB 746).
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het hiervoor omschreven
beleid van gedaagde aanvaardbaar is te achten. Daarbij acht de Raad van
belang dat gedaagde dit beleid heeft afgestemd op hetgeen laatstelijk
binnen de Administratieve Commissie is besproken ten aanzien van de
maximale duur van overeenkomsten op grond van artikel 17 van de
Verordening. Het feit dat de Duitse autoriteiten kennelijk wel bereid
zijn gebleven deze overeenkomsten voor een langere termijn af te sluiten
kan hieraan niet afdoen, nu sprake is van een bevoegdheid van de
lidstaten en andere landen, waar onder Nederland, zich wel aan de
besproken uitgangspunten houden.
Voorts is de Raad van oordeel dat de situatie van deelvissers als
appellant niet zodanig bijzonder is dat het beperken van de duur van de
toepassing van artikel 17 van de Verordening leidt tot een onbillijkheid
van overwegende aard als bedoeld in artikel 24 van KB 746. Er is
weliswaar sprake van een enigszins bijzondere situatie nu appellant geen
duidelijke banden heeft met Duitsland, maar dit kan niet als een
onbillijkheid als hiervoor bedoeld aangemerkt worden, nu appellant -dan
wel [naam bedrijf]- er in verband met de beschikbare Duitse visquota
voor heeft gekozen onder Duitse vlag te gaan varen. Ook anderszins heeft
de Raad in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen grond kunnen
vinden om gedaagde, ook na afloop van de in het beleid neergelegde vijf
jaar termijn, tot het aangaan van een overeenkomst met de Duitse
autoriteiten ex artikel 17 van de Verordening gehouden te achten.
Het beroep dat namens appellant is gedaan op het gelijkheidsbeginsel kan
niet slagen reeds op de grond dat gesteld noch gebleken is dat het
hiervoor beschreven beleid van gedaagde door gedaagde niet in
overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel wordt toegepast.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 november
2002.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|