|
Uitspraak
99/6204
ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens
verstaan het Lisv.
Bij besluit van 25 november 1998 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen de besluiten van 31 mei 1996 en 5 juni 1996,
inhoudende correctienota over het jaar 1995, onderscheidenlijk
correctienota's over de jaren 1991 tot en met 1994.
De Rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 5 november 1999 het namens
gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat
besluit vernietigd, voorzover dit moet worden aangemerkt als een
fictieve weigering op het bezwaarschrift van gedaagde op het onderdeel
van de verzekeringsplicht te beslissen, het beroep gegrond verklaard en
het besluit vernietigd, voorzover daarbij is geweigerd de opgelegde
correctienota's te matigen, het beroep voor het overige ongegrond
verklaard, appellant opgedragen alsnog een beslissing op het
bezwaarschrift van gedaagde te nemen met inachtneming van de uitspraak
van de rechtbank, appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde
en gelast dat appellant het door gedaagde betaalde griffierecht
vergoedt.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 23 maart
2000 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens gedaagde hebben drs. R.T. Mecking en mr. M. van Lieshout,
werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs, een verweerschrift
(met bijlagen), gedateerd 15 juni 2000, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 januari
2002, waar voor appellant is verschenen mr. H.B. Heij, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar voor gedaagde is verschenen mr. Van
Lieshout, voornoemd.
II. MOTIVERING
Op basis van een looncontrolerapport van 4 maart 1996 heeft appellant
gedaagde correctienota's opgelegd over de jaren 1991 tot en met 1994 in
verband met aan chauffeurs betaalde vergoedingen en over het jaar 1995
in verband met niet afgedragen loonheffing over deze vergoedingen. In
dit rapport heeft de looninspecteur vermeld dat hij gedaagde heeft laten
weten dat zij met ingang van het premiejaar 1996 betalingen, verricht
aan losse hulpkrachten, in haar loonadministratie dient te
verantwoorden. Het voorheen ingenomen standpunt dat over deze betalingen
geen premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten
verschuldigd zijn, is naar de inspecteur in zijn rapport heeft vermeld
als gevolg van nieuwe rechterlijke uitspraken gewijzigd. Voorts heeft
deze inspecteur in zijn rapport opgemerkt dat gedaagde graag separaat
voorzien wil worden van deze uitspraken. Bij brief van 30 mei 1996 is
door de SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V. (hierna:
SFB) onder verwijzing naar bijgevoegde uitspraken van de Raad gedaagde
medegedeeld dat ook (zeer) marginale arbeidsverhoudingen
verzekeringsplicht kunnen meebrengen.
Bij brief van 4 juli 1996 is namens gedaagde een bezwaarschrift
ingediend tegen de opgelegde nota's. Hierbij is bezwaar gemaakt tegen de
aangebrachte correcties terzake van aan chauffeurs verstrekte
daggeldvergoedingen van f 5,-- per dag. Voorts is in het bezwaarschrift
de opvatting dat de losse hulpkrachten (wakers en keetjuffrouwen) in een
verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam zijn, bestreden. Bij
brief van 28 oktober 1996 heeft de SFB uiteengezet dat recente
jurisprudentie genoeg aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat de
wakers en keetjuffrouwen werkzaam zijn in een verzekeringsplichtige
arbeidsverhouding.
Bij het bestreden besluit van 25 november 1998 heeft appellant de
bezwaren van gedaagde tegen de correctienota's ongegrond verklaard. In
dit besluit zijn geen overwegingen gewijd aan de door gedaagde bestreden
verzekeringsplicht.
In eerste aanleg heeft gedaagde niet alleen de aangebrachte correcties
bestreden, maar tevens de hiervoor vermelde verzekeringsplichtige
arbeidsverhoudingen.
Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als
verweerder en gedaagde als eiseres, heeft de rechtbank omtrent de
verzekeringsplicht van de losse hulpkrachten het volgende overwogen:
"De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit
het bezwaar van eiseres omtrent de verzekeringsplicht onbesproken heeft
gelaten. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting dienaangaande
gesteld dat weliswaar in het looncontrolerapport daaromtrent een
standpunt is ingenomen door de looninspecteur, doch dat verweerder dit
standpunt van de betreffende looninspecteur niet expliciet heeft
overgenomen in een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Verweerders
gemachtigde heeft ter zitting aangeboden op korte termijn daarover een
(primair) besluit te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, indien hij de opvatting is
toegedaan dat over de verzekeringsplicht nog geen definitief standpunt
is ingenomen, de bezwaren van eiseres op dit punt niet-ontvankelijk had
dienen te verklaren.
Anders dan verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat niet
gezegd kan worden dat nog geen definitief standpunt over de
verzekeringsplicht is ingenomen.
Weliswaar kan een opvatting van een looninspecteur niet als zodanig
worden aangemerkt, doch gelet op de correspondentie die tussen eiseres
en verweerder is gevoerd - met name gelet op de inhoud en strekking van
verweerders brief van 28 oktober 1996 -, kan niet worden gezegd dat
verweerder ten aanzien van de verzekeringsplicht nog geen definitief
standpunt heeft ingenomen. Het bezwaarschrift van eiseres van 4 juli
1996 is in dit opzicht aan te merken als een prematuur bezwaarschrift,
dat ingevolge artikel 6:10, eerste lid, onder b, van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: Awb), ontvankelijk moet worden geacht.
Immers, ook vσσr de brief van 28 oktober 1996 is over de
verzekeringsplicht tussen partijen gecorrespondeerd. Daarbij heeft de
rechtbank tevens in aanmerking genomen dat eiseres in haar brief van 11
november 1996 heeft gesteld haar bezwaren te handhaven.
Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden
besluit tevens dient te worden opgevat als een fictieve weigering van
verweerder op het bezwaarschrift van eiseres, voorzover dit betrekking
heeft op de verzekeringsplicht van de losse hulpen, te beslissen. Het
beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit, voorzover dit
moet worden aangemerkt als een fictieve weigering, komt wegens strijd
met de wet voor vernietiging in aanmerking."
Met betrekking tot de daggeldvergoedingen heeft de rechtbank appellant
gevolgd in zijn standpunt dat deze vergoedingen niet kunnen worden
aangemerkt als (reλle) onkostenvergoedingen en deswege tot het
premieplichtig loon moeten worden gerekend. Ingaande op de grief van
gedaagde dat de behandeling van haar bezwaarschrift te lang heeft
geduurd en om die reden er grond is voor matiging van deze nota's, heeft
de rechtbank het volgende overwogen:
"Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de uitvoeringsinstelling
GAK Nederland B.V. in de vorm van "richtlijnen" een
matigingsbeleid voert voor zaken waarin de behandeling van een
bezwaarschrift geruime tijd heeft geduurd. Dit beleid blijkt sinds 1
januari 1997 te worden gevoerd. Het beleid houdt in dat in premie- en
boetezaken bij een bepaalde duur van de bezwaarfase een bepaald
percentage van de premie c.q. boete wordt kwijtgescholden. Toepassing
van het beleid van de uitvoeringsinstelling GAK Nederland B.V. in de
onderhavige casus zou leiden tot een matiging van de correctienota's met
100%.
Verweerders gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven
op de hoogte te zijn van het "matigingsbeleid" dat namens
verweerder wordt gevoerd door de uitvoeringsinstelling GAK Nederland B.V.,
doch aangegeven dat de uitvoeringsinstelling SFB Uitvoeringsorganisatie
Sociale Verzekering N.V. namens verweerder een dergelijk beleid niet
voert, maar per geval beoordeelt welke consequenties aan een
termijnoverschrijding als in casu moeten worden verbonden.
Dit is een bevestiging van hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is, te
weten dat het "matigingsbeleid" is geformuleerd door het
hoofdkantoor van GAK Nederland B.V. en dat niet is voorgelegd aan het
bestuur van verweerder. Het matigingsbeleid wordt uitsluitend door de
uitvoeringsinstelling GAK Nederland B.V. gevoerd. Voorts wordt het
beleid niet, respectievelijk niet onverkort, toegepast voor de sectoren
vervoer en metaal.
Nu vastgesteld moet worden dat de diverse uitvoeringsinstellingen, die
onder verantwoordelijkheid van verweerder ressorteren, een ander beleid
voeren in gevallen waarin sprake is van een schending van de redelijke
termijn bij de behandeling van een bezwaarschrift, is er naar het
oordeel van de rechtbank sprake van een ongelijke behandeling van voor
verweerder gelijke zaken die niet door objectieve gronden wordt
gerechtvaardigd. Niet voorstelbaar is dat sprake kan zijn van
sectorspecifiek beleid waar het gaat om matiging van premies c.q. boetes
wegens een lange duur van een bezwaarschriftprocedure. Verweerder heeft
geen enkele rechtvaardiging kunnen geven voor de omstandigheid dat onder
zijn verantwoordelijkheid door de diverse uitvoeringsinstellingen
verschillend beleid wordt gevoerd.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit op dit
onderdeel in strijd met het gelijkheidsbeginsel."
Appellant is in hoger beroep gekomen omdat hij zich niet kan verenigen
met de hiervoor aangehaalde overwegingen en met de op basis daarvan door
de rechtbank gegeven beslissingen.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Met betrekking tot de bezwaren van gedaagde tegen de opvatting dat zij
premies is verschuldigd over betalingen verricht aan losse hulpkrachten
heeft de rechtbank artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de
Awb van toepassing geacht. Op grond van deze wetsbepaling blijft ten
aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of
beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege
indien het besluit ten tijde van de indiening nog niet tot stand was
gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het
geval was. De Raad is van oordeel dat gedaagde ten tijde van de
indiening van haar bezwaarschrift niet kon menen dat met betrekking tot
de verzekeringsplicht van de losse hulpkrachten door appellant een
besluit was genomen. Op 4 juli 1996 beschikte gedaagde over het
looncontrolerapport en de brief van 30 mei 1996, waarbij de SFB haar
enkele uitspraken van de Raad heeft doen toekomen. Deze brief is slechts
een nadere onderbouwing van het door de looninspecteur ingenomen
standpunt. De Raad voegt hier nog aan toe dat in de brief van 28 oktober
1996 geen besluit van gedaagde is vervat inzake de verzekerings- en
premieplicht ten aanzien van de losse hulpkrachten.
De Raad overweegt voorts dat hij het oordeel van de rechtbank dat er
sprake is van ongelijke behandeling van gelijke zaken die niet door
objectieve gronden wordt gerechtvaardigd, niet onderschrijft. In de
omstandigheid dat een van de voorheen bestaande uitvoeringsinstellingen
van appellant een tijdlang een matigingsbeleid voerde, ziet de Raad
onvoldoende grond voor schending van het gelijkheidsbeginsel. Dit zou
slechts anders zijn indien dit beleid ook zou zijn gevoerd ten aanzien
van met het bedrijf van gedaagde vergelijkbare bedrijven. Dit laatste is
noch gesteld, noch gebleken.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en deswege de
aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Mitsdien dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|